Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2010:BM0235

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
13-07-2010
Datum publicatie
13-07-2010
Zaaknummer
08/02714
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2010:BM0235
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Bewijs opzet op de dood. De motivering van het bewezenverklaarde opzet schiet tekort. In aanmerking genomen dat het Hof heeft vastgesteld dat (de door verdachte uitgelokte) X de ernst van het letsel dat het s.o. zou oplopen door zijn messteken op voorhand heeft willen beperken door de effectieve lengte van het lemmet van het mes te bekorten tot ca. 2 cm, is ’s Hofs oordeel dat hij willens en wetens de aanmerkelijke kans op haar dood heeft aanvaard niet zonder meer begrijpelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2010/941
NJ 2010/584 met annotatie van N. Keijzer
NJB 2010, 1610
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

13 juli 2010

Strafkamer

nr. 08/02714

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Amsterdam van 9 juni 2008, nummer 23/004998-06, in de strafzaak tegen:

[Verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1981, wonende te [woonplaats].

1. Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. B.Th. Nooitgedagt, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Machielse heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de beslissingen ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde en de strafoplegging, tot terugwijzing van de zaak naar het Gerechtshof te Amsterdam teneinde in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan, met verwerping van het beroep voor het overige.

2. Beoordeling van het vierde middel

2.1. Het middel klaagt over de bewezenverklaring van het opzet van [betrokkene 1].

2.2.1. Ten laste van de verdachte is onder 1 bewezenverklaard dat:

"[Betrokkene 1] op 23 juni 2005 te Amsterdam, ter uitvoering van het voorgenomen misdrijf om opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven te beroven, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, [slachtoffer] meermalen met een mes in de rug en de rechter arm heeft gestoken, welk feit hij, verdachte, in de periode van 20 juni 2005 tot en met 23 juni 2005 te Amsterdam en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk heeft uitgelokt door bedreiging en/of door het verschaffen van gelegenheid en middelen, immers heeft verdachte en/of zijn mededader - zakelijk weergegeven-

- tegen [betrokkene 1] dreigend gezegd dat hij ([betrokkene 1]) en zijn familie zouden worden gedood als hij ([betrokkene 1]) niet zou doen wat er van [betrokkene 1] geëist werd en

- dreigend een scalpel bij het oog van [betrokkene 1] gehouden en

- [betrokkene 1] een mes voorgehouden en

- [betrokkene 1] zijn ([betrokkene 1]s) huissleutels en mobiele telefoonafgenomen en

- tegen [betrokkene 1] gezegd dat die [slachtoffer] dood moest en/of invalide gemaakt moest worden en

- met [betrokkene 1] een mes, een trainingspak en handschoenen gekocht en

- [betrokkene 1] naar de woning van die [slachtoffer] gebracht en

- gedurende telefonische contacten met [betrokkene 1] gezegd dat [betrokkene 1] genoemde [slachtoffer] moest steken".

2.2.2. Deze bewezenverklaring berust op de volgende bewijsmiddelen:

a. de verklaring van de getuige [betrokkene 1] ter terechtzitting in hoger beroep, voor zover inhoudende:

"Ik blijf bij mijn verklaring afgelegd als verdachte in mijn strafzaak ter terechtzitting van 25 september 2006.

In de nacht van 20 op 21 juni 2005 hebben [betrokkene 2] en [verdachte] mij naar de woning van [slachtoffer] gebracht. Vóór deze woning hebben zij mijn huissleutels afgepakt. Ik moest van [betrokkene 2] en [verdachte] aanbellen aan de woning van [slachtoffer] en ik moest van [betrokkene 2] vragen of [slachtoffer] nog verkering met hem wilde.

Het mes waarmee ik [slachtoffer] uiteindelijk op 23 juni 2005 heb gestoken, heb ik op 21 juni 2005 samen met [betrokkene 2] en [verdachte] gekocht in een ijzerwinkel aan de Burgemeester de Vlugtlaan in Amsterdam. Die dag heb ik ook samen met hen een blauw trainingspak met capuchon en met de letters Champion daarop gekocht. Dit pak heb ik tijdens het steken gedragen. We hebben die dag ook nog paardenhandschoenen gekocht bij de ruiterwinkel Hippodam aan de Jan van Galenstraat te Amsterdam.

Ik moest van [betrokkene 2] en [verdachte] [slachtoffer] diep steken in haar rug. Ze zeiden dat [slachtoffer] dood moest of invalide moest raken. Ze dreigden dat zij mij en mijn familie zouden dood maken als ik niet deed wat zij zeiden.

Op diezelfde dag, 21 juni 2005, hebben [betrokkene 2] en [verdachte] mij in mijn woning bedreigd mijn oog uit te steken als ik [slachtoffer] niet zou steken. [Verdachte] hield toen dreigend een scalpel bij mijn oog.

Vanaf 21 juni 2005 verbleef ik op de zolder boven de woning van [slachtoffer].

Op 23 juni 2005 hoorde ik dat [slachtoffer] haar woning verliet. Ik ben toen achter haar aangerend en heb haar gestoken met het mes.

Voordat ik [slachtoffer] heb gestoken, had ik het lemmet van het mes omwikkeld met draad.

Hierdoor had ik het snijvlak bekort tot ongeveer 2 centimeter, zodat ik er niet diep mee kon steken. Het draad heb ik strak om het mes gewikkeld, maar ik heb het niet aan de uiteinden vastgezet.

Ik heb [slachtoffer] meermalen gestoken. Ik heb haar ook gestoken met het mes terwijl [slachtoffer] op de grond lag.

Zij bewoog zich op dat moment heen en weer."

b. de verklaring van de getuige [betrokkene 1] ter terechtzitting in eerste aanleg, voor zover inhoudende:

"Ten aanzien van het in zaak A onder 1 telastegelegde blijf ik bij mijn bekentenis.

Ik heb op 23 juni 2005 te Amsterdam [slachtoffer] gestoken met een mes. Ik deed dit in opdracht van [betrokkene 2] en [verdachte]. Ik heb haar gestoken met een mes dat [betrokkene 2] en [verdachte] mij hadden gegeven.

Ik weet zeker dat het mes op dinsdag 21 juni 2005 werd aangeschaft. Ik was met [betrokkene 2] en [verdachte] in de winkel.

Ik heb het slachtoffer zo vaak gestoken omdat [betrokkene 2] en [verdachte] mij hadden gezegd dat ik haar flink moest steken. Daarom heb ik haar meer dan drie keer gestoken. [Betrokkene 2] en [verdachte] hebben mij gezegd dat zij dood moest of invalide. Zij hebben gezegd dat ik in haar rug moest steken, dan zou zij zeker invalide raken. De opdracht was diep in haar rug te steken. Ik moet haar in de rug hebben geraakt toen zij op de grond lag. Ze bewoog heel veel tijdens het steken.

Ik had op 23 juni 2005 een telefoon bij me. [Betrokkene 2] en [verdachte] hadden mijn eigen telefoon afgepakt. De telefoon is omgewisseld op dezelfde ochtend dat het joggingpak is gekocht.

Vlak na het steken heb ik (het hof begrijpt: telefonisch) contact gehad met [verdachte] om te zeggen dat het gebeurd was.

Nadat wij het joggingpak, het mes en de andere zaken hadden gekocht was het middag. Daarna hebben zij (het hof begrijpt: [betrokkene 2] en [verdachte]) mij met de auto bij het huis van het slachtoffer afgezet om haar op te wachten. Ik had toen al de opdracht om het slachtoffer te steken. Ik ben naar de zolder gegaan. Ik heb zitten wachten. Toen belde [betrokkene 2] en hoorde tegelijkertijd het slachtoffer op de achtergrond praten. Daarop begon hij te schreeuwen.

Ik ben een aantal keren gebeld door [betrokkene 2] en [verdachte]. Zij vroegen mij dan of ik het al had gedaan."

c. een proces-verbaal van politie, voor zover inhoudende als verklaring van [betrokkene 1]:

"Ik ga het u vertellen .... Ze (het hof begrijpt: [betrokkene 2] en [verdachte]) belden steeds, ik werd er gek van. Op het moment dat zij (het hof begrijpt: [slachtoffer]) naar buiten komt, ben ik er achteraan gerend. Toen heb ik haar gestoken. Ik had ook een panty over mijn hoofd en paardenhandschoenen aan.

Ik weet dat ik haar in haar zij gestoken heb. Ik stak haar met een mes, het was een klein klapmes. Ik had er ijzerdraad omheen gedraaid zodat ik niet ver kon steken.

[Betrokkene 3] (het hof begrijpt: [betrokkene 3]) had mij de opdracht gegeven om haar te steken. [Verdachte] (het hof begrijpt: [verdachte]) wist er ook van.

Toen ik die nacht van maandag op dinsdag tegen [betrokkene 3] vertelde dat [slachtoffer] geen contact meer met hem wilde, kwamen [betrokkene 3] en [verdachte] meteen met het plan om haar neer te steken. Ze zeiden dat ik dat moest gaan doen.

[Verdachte] en [betrokkene 3] gaven mij toen ook een panty, bruin van kleur. Die panty moest ik over mijn hoofd doen.

Dan brengen ze mij daar naar toe. Ik ben naar de zolder gegaan. Ik mocht niet van [betrokkene 3] en [verdachte] slapen gaan. Ze belden mij de hele tijd op.

Ik bleef de hele tijd maar wachten en zij belden mij de hele tijd op.

Op donderdag, ik weet niet meer hoe laat het was, zag ik dat [slachtoffer] en haar zusje naar buiten kwam. Op het moment dat ik haar zag heb ik de panty over mijn hoofd getrokken. Al rennend pakte ik het mes uit mijn zak. Toen ik buiten kwam zag ik dat [slachtoffer] linksaf was gelopen. Ik zag dat haar zusje de andere kant op was gelopen. Ik ren dan achter [slachtoffer] aan. Op het moment dat ik [slachtoffer] van de achterzijde benader, zag ik dat zij zich omdraaide en in mijn richting keek. Hierop heb ik [slachtoffer] meerdere malen gestoken met het mes dat ik bij mij had."

d. een proces-verbaal van politie, voor zover inhoudende als verklaring van [betrokkene 1]:

"Toen ik op zolder was (het hof begrijpt: tussen 21 en 23 juni 2005) had ik een telefoon die [betrokkene 2] en [verdachte] voor mij hadden gekocht. Mijn eigen telefoon hadden ze al eerder afgenomen. Ze hebben alleen nog met mijn oude telefoonnummer naar de telefoon die ik van hen had gekregen, gebeld. [Verdachte] schreeuwde over de telefoon steeds dat ik niet weg mocht gaan voordat ik [slachtoffer] neer had gestoken. Hij dreigde daarbij steeds. [Betrokkene 2] vertelde hetzelfde als hij me belde. Het kwam steeds op hetzelfde neer. Beiden bedreigden mij daarbij dat ik dood zou gaan of mijn familie wanneer ik [slachtoffer] niet neer zou steken."

e. een proces-verbaal van de Rechter-Commissaris, voor zover inhoudende als verklaring van de getuige [betrokkene 1]:

"[Verdachte] en [betrokkene 2] hadden een mes bij zich en dat hebben zij mij laten zien. Ik zat achterin de auto, [betrokkene 2] achter het stuur en [verdachte] op de bijrijdersstoel. Een van de twee had een mes in zijn handen. Toen moest ik bij [slachtoffer] aanbellen."

f. een proces-verbaal van politie, opgemaakt door de opsporingsambtenaar [verbalisant 1], voor zover inhoudende als relaas van de verbalisant:

"Op 28 juni 2005 vond een doorzoeking plaats in het perceel [a-straat 1], Amsterdam, waar [betrokkene 1] woonachtig is. Op deze locatie verscheen kort vóór de zoeking [betrokkene 2], die toen werd aangehouden als verdachte. In diens kleding werd een penslotsleutel aangetroffen. Tijdens de zoeking bleek de toegangsdeur van de tot de woning behorende boxruimte mede met een penslot te zijn afgesloten. Met de penslotsleutel die bij [betrokkene 2] was aangetroffen, heb ik het penslot geopend."

g. een proces-verbaal van politie, voor zover inhoudende als verklaring van [slachtoffer]:

"Ik doe aangifte terzake poging tot doodslag/moord.

Een paar dagen geleden stonden [betrokkene 3], [verdachte] en [betrokkene 1] voor mijn deur tegen halféén 's nachts. Op een gegeven moment begint één van hen aan te bellen om vervolgens weer weg te lopen. Dat herhaalden zij tot een uur of half vier waarna mijn vader ging kijken wie er nou belde. Hij zag toen een jongen staan. Deze jongen zei dat hij [betrokkene 1] heette en dat hij met mij wilde praten. Hij zei dat het moest van [betrokkene 3].

Ik bevond mij in mijn slaapkamer en ik kon horen wat er beneden gezegd werd. Zo hoorde ik ook dat de telefoon van [betrokkene 1] diverse malen overging. Ik hoorde hem toen zeggen: "ik blijf aanbellen maar er wordt niet opengedaan". Ik zag dat [betrokkene 3] met [verdachte] in zijn auto rondjes bleef rijden door mijn straat.

Gistermiddag liep ik met mijn zusje naar buiten. Ik zag een jongen komen aanlopen.

Hij zag er vreemd uit. De armen van deze jongen waren heel donker en hij was gekleed in een donkerblauw trainingspak van het merk Champions. Ik weet dat [betrokkene 1] ook donker gekleurd is. Hij was slank van postuur en langer dan ik. Ik schat hem op 1.90 meter. Ik weet dat [betrokkene 1] hetzelfde postuur heeft.

Ik zag toen een mes in zijn handen. Ik zag dat hij op mij af kwam rennen. Toen begon deze jongen mij te steken. Hij bleef mij steken. Hij heeft mij ook gestoken in mijn rechterarm. Toen viel ik op de grond en heeft hij mij in mijn rug gestoken. In totaal heeft hij mij zeven keer gestoken. De arts zei dat 2 van de steekwonden diep waren en gehecht moesten worden.

Ik weet dat [betrokkene 1] gechanteerd wordt door [betrokkene 3]."

h. een proces-verbaal van politie, voor zover inhoudende als verklaring van [slachtoffer]:

"Toen [betrokkene 1] (het hof begrijpt: [betrokkene 1]) die avond bij mij voor de deur stond, vertelde hij mij dat [betrokkene 3] (het hof begrijpt: [betrokkene 3]) en [verdachte] (het hof begrijpt: [verdachte]) zijn huissleutels hadden. Hij vertelde dat hij gedwongen werd om mee te werken. Hij klonk erg zenuwachtig. Hij wilde ook niet zomaar weggaan.

Gedurende de tijd dat [betrokkene 1] bij mij voor de deur stond heb ik gezien dat [betrokkene 3] en [verdachte] telkens rondjes bleven rijden in het hofje waar ik woon. Ik hoorde uit mijn slaapkamerraam dat [betrokkene 1] om de twee/drie minuten door [betrokkene 3] werd gebeld op zijn mobiele telefoon."

i. een proces-verbaal van politie, voor zover inhoudende als verklaring van [betrokkene 4]:

"Ik ben getuige geweest van een steekpartij, waarbij mijn zus, [slachtoffer], diverse malen met een mes is gestoken. Vandaag liepen mijn zus en ik door de Maurits Sabbehof (het hof begrijpt: de Maurits Sabbehof te Amsterdam). Wij waren alle twee luchtig gekleed, mijn zus in een broek en een topje. Toen wij bij het grasveld waren aangekomen splitsten onze wegen. Toen hoorde ik gegil om hulp, zag mijn zus op het grasveld staan en zag dat er voor haar een jongen stond. De afstand tussen de jongen en mijn zus was minimaal, ze stonden vlak tegenover elkaar. Ik zag dat de dader met zijn armen, met kracht mijn zus een duw gaf. Ik zag dat mijn zus door de duw van de dader op het grasveld viel op haar rug. Hierna zag ik dat de dader aan de linkerzijde van mijn zus stond. Hij stond met zijn linkerbeen tegen de linkerbeen van mijn zus aan die op het grasveld lag. Ik zag dat de dader vervolgens met zijn bovenlichaam voorover boog in de richting van mijn zus. Ik zag toen dat de dader met zijn rechterarm een krachtige beweging maakte in de linkerzijde van het lichaam van mijn zus. Dit was ter hoogte van de linkerheup van mijn zus. Ik zag dat de dader met kracht een steekbeweging maakte."

j. een schrijven van B. Vleeming, arts, voor zover inhoudende:

"Medische informatie betreffende: [slachtoffer], geboortedatum [geboortedatum] 1986.

Uitwendig waargenomen letsel: 7 steekwonden; 6 rug, 1 rechterarm } tot in de onderhuid."

k. een proces-verbaal van politie, opgemaakt door de opsporingsambtenaren [verbalisant 2] en [verbalisant 3], voor zover inhoudende als relaas van de verbalisanten:

"Op 15 juli 2005 is een onderzoek ingesteld op het Mercatorplein te Amsterdam.

Aldaar bleek dat er 1 sportwinkel is gelegen op het Mercatorplein, tussen Dirk van den broek en een café, zoals omschreven. Het betreft "Sportshop Chouffie". Op daartoe strekkende vragen antwoordde de eigenaar/verkoper: "Ik verkoop in mijn zaak donkerblauwe trainingspakken met capuchon van het merk "Champion", welke tekst op de voorzijde van het trainingspak zichtbaar is. Ik heb in mijn boekhouding een verkoopbon aangetroffen, gedateerd 21 juni 2005, waarop de verkoop van 1 Championbroek en 1 Championjack met capuchon staat vermeld. Ik kan zien dat ik zelf het trainingspak heb verkocht. Het moet de eerste klant geweest zijn die dag, want dat kan ik zien aan het volgnummer van de transactiebon."

Betreffende de aankoop van de paardenhandschoenen is het volgende vastgesteld. De aankoop wordt bevestigd door middel van een bij [betrokkene 1] aangetroffen kassabon betreffende de aankoop van zwarte katoenen handschoenen met nopjes, welke afkomstig is van de ruitersportwinkel "Hippodam" te Amsterdam. Deze bon is gedateerd 21 juni 2005 te 10.24 uur. Bij onderzoek in de winkel op 7 juli 2005 bleek dat de verkochte handschoenen gelijksoortig zijn aan de handschoenen die bij de verdachte [verdachte] bij doorzoeking van zijn woning werden aangetroffen en gelijksoortig aan de handschoenen die in de woning van [betrokkene 1] werden aangetroffen.

Op 15 juli 2005 is een onderzoek ingesteld in ijzerwinkel "Jan van den Broek" aan de Burgemeester de Vlugtlaan te Amsterdam. Hier werden wij, verbalisanten, aangesproken door een van de verkopers. Hij verklaarde op daartoe strekkende vragen:

"Er is eigenlijk maar 1 mes dat voldoet aan uw omschrijving. Ik heb dit jaar slechts 2 van dergelijke messen in mijn collectie gehad. 1 mes is nog aanwezig in de vitrinekast. Blijkens mijn computersysteem kan ik zien dat het andere mes is verkocht"."

l. een proces-verbaal van de Rechter-Commissaris, voor zover inhoudende als verklaring van de getuige [getuige]:

"Het is ongeveer twee jaar geleden begonnen, helemaal aan het begin. Wij gingen wel met [betrokkene 3] om, hij was toen een vriend van [betrokkene 1]. Het begon bij de ex-vriendin van [betrokkene 2]. Hij heeft ons gevraagd haar lastig te vallen, telefonisch. Ik had haar telefoonnummer van [betrokkene 1] gekregen. Ik heb dat nummer één keer gebeld en opgehangen. [Betrokkene 2] werd toen woedend op [betrokkene 1]. Hij wilde [betrokkene 1] pakken. Zover ik weet, heeft [betrokkene 2] gevangen gezeten omdat hij zijn vriendin lastig viel. Hij belde vanuit de gevangenis naar de mobiele telefoon van [betrokkene 1], terwijl hij op school zat. Er is, naar ik aanneem, een band tussen [betrokkene 3] en [betrokkene 1] ontstaan. Hij ging hem ook opzoeken in de gevangenis. Toen [betrokkene 3] vrijkwam, had hij niets, geen auto, geen geld en hij zag dat het met [betrokkene 1] wel goed ging. Ik ging in deze tijd heel vaak met [betrokkene 1] om. Op enig moment nadat [betrokkene 2] uit de gevangenis is gekomen, merkte ik aan [betrokkene 1] dat hij niet goed in zijn vel zat. Dat kon ik aan zijn gezicht zien. Ik heb het eruit moeten trekken, maar toen zei hij dat hij al een tijdje werd bedreigd door [verdachte] en [betrokkene 3]. [Betrokkene 3] is de leider, [verdachte] is zijn rechterhand, en daaromheen zit nog een hele groep, voornamelijk Marokkaanse jongens. Er zijn meerdere jongens die hem aanpakken en dergelijke dingen met hem doen. Dit is wat [betrokkene 1] mij verteld heeft. Maar ik kom ook in die buurt, Slotermeer, en je ziet het op straat. Je kan aanwijzen wie erbij hoort.

In de periode nadat [betrokkene 3] vrij was gekomen zag ik dat [betrokkene 1] een poffer had, zo'n dik, rood/blauwachtig oog. Hij zei toen dat zij hem hadden gegrepen. Hij vertelde mij dat ze hem hadden meegenomen in zijn auto naar Spaarnwoude. [Verdachte] heeft hem geslagen en bedreigd. [Betrokkene 3] was erbij en ook een Marokkaanse jongen. Ik heb hem gezegd dat hij naar de politie moest gaan. Hij zei dat hij dat niet durfde, hij was bang. Zij zouden zijn ouders anders pakken. Ze hebben zijn vader eerst bedreigd voor de deur, met een vuurwapen, en zijn broer hebben ze ook bedreigd. Hij werd dan op straat, op weg naar school, aangehouden en uitgescholden.

Op een bepaald moment kwamen [betrokkene 3] en [verdachte] bij mij thuis. [Betrokkene 1] zat toen bij mij binnen. Hij was schijtbang voor ze.

Voor de huiszoeking in mijn huis heeft [betrokkene 1] mij gezegd dat die Marokkaanse jongen geld van zijn bank heeft gehaald. [Verdachte] en [betrokkene 3] vonden dat zij toen ook iets moesten hebben en zij hebben zijn telefoon en huissleutels gepakt.

In de tijd dat [betrokkene 1] clusterhoofdpijn had, hebben [betrokkene 3] en [verdachte] hem ook gepakt.

[Betrokkene 1] heeft voordat hij op het politiebureau terechtkwam een aantal dagen bij mij thuis gewoond. Hij durfde zijn huis niet meer in. Zij hadden zijn sleutels.

Vroeger had [betrokkene 1] een Opel Omega. Die auto hadden [verdachte] en [betrokkene 3] op een gegeven moment."

2.2.3. De bestreden uitspraak bevat voorts de volgende nadere bewijsoverweging:

"Het onder 1 primair, tweede alternatief, bewezen geachte houdt in, zakelijk, dat de verdachte tezamen en in vereniging met een ander opzettelijk [betrokkene 1] heeft uitgelokt tot poging tot moord op [slachtoffer]. Met betrekking tot de uitvoeringshandelingen en het opzet en de voorbedachte raad van [betrokkene 1] wordt het volgende overwogen.

Uitvoeringshandelingen van [betrokkene 1]

[Betrokkene 1] heeft verklaard dat hij de ernst van het letsel dat het slachtoffer, [slachtoffer], door zijn steken zou oplopen, op voorhand heeft willen beperken door het steekwapen te prepareren. Volgens zijn verklaring heeft hij het lemmet van het mes met elektriciteitsdraad zodanig omwikkeld dat de effectieve lengte van het lemmet werd bekort tot ongeveer twee centimeter "zodat ik er niet diep mee kon steken". Het hof gaat uit van de juistheid van deze verklaring wat betreft het prepareren van het mes.

In de voor het bewijs te bezigen letselverklaring is het letsel door de arts omschreven als zeven steekwonden, zes in de rug, één in de rechterarm, een en ander tot in de onderhuid. Volgens deze arts was er geen vermoeden van niet uitwendig waarneembaar letsel en/of inwendig bloedverlies.

Volgens de voor het bewijs te bezigen verklaring van [slachtoffer] is zij meermalen gestoken (waaronder de steek in de rechterarm) terwijl zij nog stond en ook nog gestoken (in haar rug) toen zij op de grond was gevallen, zijn er door het steken geen vitale delen geraakt en heeft zij van de arts vernomen dat twee van de steekwonden diep waren en gehecht moesten worden.

Ter terechtzitting in hoger beroep is dr. Botter, forensisch arts, als deskundige gehoord. Hij heeft - voor zover hier van belang en zakelijk samengevat - ter toelichting van zijn rapport van 14 februari 2008 als volgt verklaard.

De in het onderhavige geval beschikbare informatie is summier. Weliswaar is aannemelijk dat door het steken geen vitale organen zijn geraakt, maar daarmee is nog niets gezegd over de diepte van de steekkanalen. De effectieve lengte van het lemmet is een factor van betekenis voor de diepte van het steekkanaal. Een andere factor die daarvoor van betekenis is, vormt de kracht waarmee is gestoken. Ook een mes waarvan het lemmet op ongeveer twee centimeter na met draad is omwikkeld, kan dieper dan twee centimeter het lichaam binnendringen, bijv. indien er voldoende kracht is gebezigd. Informatie daaromtrent kan achteraf onder meer uit de wondrand worden afgeleid. Een inspectie met het oog daarop wordt door een reguliere arts in het algemeen niet verricht en is ook in casu niet verricht. In het onderhavige geval kan niet worden uitgesloten dat er door het steken ook een of meer diepe steekkanalen zijn veroorzaakt. De beslissing van een arts een wond te hechten, is niet per se afhankelijk van de diepte van de wond. De steekrichting en de plaats op het lichaam waarin gestoken wordt, zijn bepalend voor het al dan niet raken van vitale organen. Als er met een mes waarvan het lemmet op ongeveer twee centimeter na met draad is omwikkeld, met kracht in de rug gestoken wordt, is het zeer wel mogelijk vitale organen te verwonden, bijv. kan de lever worden aangeprikt en de long worden geraakt, hetgeen een klaplong kan veroorzaken.

Blijkens de voor het bewijs te bezigen verklaringen van [betrokkene 1] heeft hij het slachtoffer meermalen gestoken met een mes, waarvan ten minste één maal terwijl zij op de grond lag, en maakte het slachtoffer, terwijl zij gestoken werd, veel bewegingen.

Uit de voor het bewijs te bezigen verklaring van de zus van het slachtoffer, [betrokkene 4], blijkt dat het slachtoffer toen luchtig was gekleed en dat de dader met kracht het slachtoffer een duw gaf, waardoor zij op de grond viel, en met kracht een steekbeweging maakte in de linkerzijde van (het hof begrijpt:) de rug van het slachtoffer, toen zij op de grond lag.

Aldus staat vast dat de messteken [betrokkene 1] [slachtoffer] heeft toegebracht, zeer wel tot de dood van [slachtoffer] hadden kunnen leiden. Dat die messteken nimmer tot de dood van [slachtoffer] hadden kunnen leiden, is geenszins aannemelijk geworden.

Opzet en voorbedachte raad van [betrokkene 1]

Bij de beantwoording van de vraag of het tenlastegelegde opzet van [betrokkene 1] op het [slachtoffer] van het leven beroven bewezen te achten is, is het hof tot een ander oordeel dan de rechtbank gekomen, waarbij het hof zich door de volgende overwegingen laat leiden.

In het algemeen moet voorop worden gesteld dat betekenis moet worden toegekend aan hetgeen [betrokkene 1] zelf over zijn opzet heeft verklaard, maar dat hetgeen [betrokkene 1] zelf daarover heeft verklaard, niet doorslaggevend is. Immers ook als van de juistheid van de hierboven op dit punt zakelijk samengevatte verklaring van [betrokkene 1] wordt uitgegaan, in het bijzonder ten aanzien van het onderdeel "zodat ik er niet diep mee kon steken", laat dat ruimte voor een oordeel, op grond van hetgeen wordt vastgesteld over de door [betrokkene 1] verrichte handelingen en de omstandigheden waaronder die handelingen zijn verricht, dat [betrokkene 1] door zijn handelingen willens en wetens het risico "op de koop toe" heeft genomen dat dodelijk letsel het gevolg zou kunnen zijn.

Uit de voor het bewijs te bezigen verklaringen van [betrokkene 1] volgt dat de verdachte en de mededader [verdachte] [betrokkene 1] ertoe hebben aangezet [slachtoffer] te doden of zodanig te verwonden dat zij daardoor invalide zou raken en dat [betrokkene 1] [slachtoffer] daartoe met een mes diep in de rug moest steken. Uit die verklaringen en uit de verdere te bezigen bewijsmiddelen volgt voorts het volgende. [Betrokkene 1] heeft vervolgens inderdaad [slachtoffer] benaderd en haar zesmaal in de rug gestoken. Dit steken in de rug is geschied (mede) toen [slachtoffer] op de grond lag en veel bewegingen maakte en het steken ging gepaard met krachtige bewegingen van [betrokkene 1]. [slachtoffer] was toen luchtig gekleed.

De door [betrokkene 1] verrichte handelingen zijn naar hun aard geschikt te achten om dodelijk letsel te veroorzaken. [betrokkene 1] heeft het risico van dodelijk letsel tevoren onderkend en daarom bij wijze van voorzorgsmaatregel de voorziening getroffen, hierin bestaande dat het lemmet van het mes op ongeveer twee centimeter na met elektriciteitsdraad werd omwikkeld. Die voorziening kon echter niet afdoen aan het opzet van [betrokkene 1], omdat bepaald niet viel uit te sluiten dat met het aldus geprepareerde mes vitale organen zouden kunnen worden geraakt en dat dodelijk letsel kon worden veroorzaakt.

Het hof leidt uit het voorgaande af dat [betrokkene 1] de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat hij het slachtoffer dodelijk zou kunnen verwonden door met kracht in haar rug te steken, zonder dat hij de plaats van de insteek precies kon bepalen en onder de voormelde verdere omstandigheden. Het tenlastegelegde opzet van [betrokkene 1] op het [slachtoffer] van het leven beroven is derhalve bewezen te achten.

Uit de te bezigen bewijsmiddelen valt verder af te leiden dat het opzet van [betrokkene 1] op het [slachtoffer] van het leven beroven zich heeft gevormd bij het beramen, door onder meer de verdachte en [betrokkene 1], van een plan en bij het voorbereiden van de uitvoering van dat plan. Daaruit leidt het hof af dat ook is bewezen te achten dat [betrokkene 1] handelde na kalm beraad en rustig overleg en dus met voorbedachten rade."

2.3. De motivering van het bewezenverklaarde opzet schiet tekort. In aanmerking genomen dat het Hof heeft vastgesteld dat [betrokkene 1] de ernst van het letsel dat het slachtoffer zou oplopen door zijn messteken op voorhand heeft willen beperken door de effectieve lengte van het lemmet van het mes te bekorten tot ongeveer twee centimeter, is het oordeel van het Hof dat hij willens en wetens de aanmerkelijke kans op haar dood heeft aanvaard niet zonder meer begrijpelijk. In dit opzicht klaagt het middel terecht over de ontoereikendheid van de bewijsmotivering.

3. Slotsom

Nu de Hoge Raad geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, brengt hetgeen hiervoor is overwogen mee dat de overige middelen geen bespreking behoeven en dat als volgt moet worden beslist.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de bestreden uitspraak maar uitsluitend wat betreft de beslissingen ter zake van het onder 1 tenlastegelegde en de strafoplegging;

wijst de zaak terug naar het Gerechtshof te Amsterdam, opdat de zaak in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan;

verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren B.C. de Savornin Lohman, J. de Hullu, H.A.G. Splinter-van Kan en M.A. Loth, in bijzijn van de griffier S.P. Bakker, en uitgesproken op 13 juli 2010.