Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2010:BL9130

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
18-05-2010
Datum publicatie
18-05-2010
Zaaknummer
09/04747 U
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2010:BL9130
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Uitlevering. 1. De opvatting dat het "een van de fundamenten van de uitleveringsprocedure" is dat de toelaatbaarheid van de gevraagde uitlevering uitsluitend wordt beoordeeld op de grondslag van het verdrag dat in het "rechtshulpverzoek" is vermeld, vindt geen steun in het recht. 2. De Rb heeft in strijd met art. 28.3 UW verzuimd de toepasselijke wetsbepalingen te vermelden. De HR herstelt dat verzuim.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
SR-Updates.nl updates
RvdW 2010, 664
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

18 mei 2010

Strafkamer

nr. 09/04747 U

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een uitspraak van de Rechtbank te Middelburg van 17 november 2009, nummer RK 09/505, op een verzoek van de autoriteiten van de republiek Argentinië tot uitlevering van:

[De opgeëiste persoon], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1976, ten tijde van de betekening van de aanzegging gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting "Zuid-West, locatie Torentijd" te Middelburg.

1. Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de opgeëiste persoon. Namens deze heeft mr. L. de Leon, advocaat te Utrecht, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Aben heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2. Beoordeling van het tweede middel

2.1. Het middel klaagt dat de Rechtbank de toelaatbaarverklaring van de gevraagde uitlevering ten onrechte niet uitsluitend heeft beoordeeld op de grondslag van het Verdrag tusschen Nederland en Argentinië tot wederkeerige uitlevering van misdadigers van 7 september 1893, Stb. 1898, 29.

2.2. De bestreden uitspraak houdt, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende in:

"Op verzoeken gedaan door de Argentijnse regering zijn van toepassing:

- het Verdrag tusschen Nederland en Argentinië tot wederkeerige uitlevering van misdadigers van 7 september 1893, Stb. 1898, 29;

- het VN-Verdrag tegen de sluikhandel in verdovende middelen en psychotrope stoffen van 20 december 1988, Trb. 1990, 94;

- De Uitleveringswet

In het oorspronkelijk verzoek is uitsluitend gerefereerd aan eerstgenoemd verdrag uit 1893 dat inderdaad in artikel 2 een limitatieve opsomming geeft van de strafbare feiten op basis waarvan uitlevering kan worden verzocht, in welk artikel 2 de handel en uitvoer van drugs niet is genoemd. De ambassade van Argentinië echter, die geacht dient te worden de regering van Argentinië te vertegenwoordigen, heeft in haar aanbiedingsbrief tevens verwezen naar voormeld VN-verdrag dat op grond van artikel 6 van dat verdrag uitlevering wegens strafbare feiten inzake verdovende middelen mogelijk maakt. Het verweer dat de verzochte uitlevering ontoelaatbaar dient te worden verklaard nu het niet op het juiste verdrag is gegrond wordt verworpen."

2.3. Het middel steunt op de opvatting dat het "een van de fundamenten van de uitleveringsprocedure" is dat de toelaatbaarheid van de gevraagde uitlevering uitsluitend wordt beoordeeld op de grondslag van het verdrag dat in het "rechtshulpverzoek" is vermeld, zodat de Rechtbank de verzochte uitlevering ten onrechte mede heeft getoetst aan het in voormelde "aanbiedingsbrief" genoemde verdrag.

2.4. Deze opvatting vindt geen steun in het recht.

2.5. Het middel faalt.

3. Beoordeling van het eerste middel

3.1. Het middel behelst de klacht dat de Rechtbank in strijd met art. 28, derde lid, UW heeft verzuimd de toepasselijke wetsbepalingen te vermelden.

3.2. Blijkens de bestreden uitspraak levert het feit waarvoor de uitlevering is gevraagd, naar Nederlands recht op het medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in art. 2, aanhef en onder A, van de Opiumwet gegeven verbod.

3.3. Gelet hierop zijn in de bestreden uitspraak art. 10 van de Opiumwet, alsmede art. 47 Sr ten onrechte niet vermeld als te dezen mede toepasselijke wetsbepalingen. Het middel is terecht voorgesteld. De Hoge Raad zal dit verzuim herstellen.

4. Beoordeling van het derde middel

Het middel kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

5. Slotsom

Nu de Hoge Raad geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, brengt hetgeen hiervoor is overwogen mee dat als volgt moet worden beslist.

6 Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de bestreden uitspraak, maar uitsluitend voor zover daarin art. 10 Opiumwet en art. 47 Sr niet zijn vermeld als te dezen mede toepasselijke wetsbepalingen;

vermeldt art. 10 Opiumwet en art. 47 Sr als mede toepasselijke wetsbepalingen;

verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren H.A.G. Splinter-van Kan en W.F. Groos, in bijzijn van de waarnemend griffier L.J.J. Okker-Braber, en uitgesproken op 18 mei 2010.