Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2010:BL9047

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
15-06-2010
Datum publicatie
15-06-2010
Zaaknummer
08/04045 P
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2010:BL9047
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Niet-ontvankelijkheid hb. Profijtontneming. Het verkorte pv van de ttz. in e.a. is in strijd met art. 327 Sv jo. art. 511d Sv niet ondertekend. Daardoor mist het pv rechtskracht. Dit brengt mee dat het Hof aan dit pv niet kon ontlenen dat de Pr na sluiting van het onderzoek aan de verdediging heeft medegedeeld dat de uitspraak in de ontnemingszaak over 6 weken zou plaatsvinden. Gelet daarop en in aanmerking genomen dat het Hof niet heeft vastgesteld dat betrokkene op andere wijze op de hoogte was van de dag van de uitspraak, is de beslissing van het Hof dat betrokkene n.o. is in het ingestelde hb niet naar de eis der wet met redenen omkleed.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafvordering
Wetboek van Strafvordering 327
Wetboek van Strafvordering 511d
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2010/791
NJ 2010/360
NJB 2010, 1349
NBSTRAF 2010/263
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15 juni 2010

Strafkamer

nr. 08/04045 P

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een uitspraak van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 1 juli 2008, nummer 22/001968-07, op een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel ten laste van:

[Betrokkene], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1958, wonende te [woonplaats].

1. Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de betrokkene. Namens deze heeft mr. H.W.F. Klarenaar, advocaat te Dordrecht, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Aben heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest en tot terugwijzing van de zaak naar het Gerechtshof te 's-Gravenhage dan wel verwijzing naar een aangrenzend hof teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.

2. Beoordeling van het middel

2.1. Het middel klaagt dat het Hof de betrokkene ten onrechte, althans zonder toereikende motivering,

niet-ontvankelijk heeft verklaard in zijn hoger beroep.

2.2. De bestreden uitspraak houdt het volgende in:

"Ontvankelijkheid van het hoger beroep

De veroordeelde en zijn raadsman zijn ter terechtzitting in eerste aanleg in persoon verschenen.

Blijkens het op verzoek van het hof alsnog opgemaakte verkorte proces-verbaal van de terechtzitting van de politierechter in de rechtbank Dordrecht van 20 oktober 2004 heeft de politierechter aan de veroordeelde en zijn raadsman medegedeeld na sluiting van het onderzoek dat de uitspraak in de ontnemingszaak zal plaats vinden over zes weken. Het hof begrijpt deze mededeling aldus dat hiermee niet anders kan zijn bedoeld dan: zes weken na de zittingsdatum en behandeling op 20 oktober 2004, te weten 1 december 2004. Blijkens het vonnis van de politierechter is op die dag uitspraak gedaan in de ontnemingszaak. Met de mededeling dat "over zes weken uitspraak zal worden gedaan", is voldaan aan het vereiste dat, indien de dag van de uitspraak op de zitting wordt bepaald en de betrokkene daarbij aanwezig is, deze dag aan hem wordt medegedeeld.

Nu de veroordeelde - en de raadsman - ter zitting in eerste aanleg aanwezig waren behoefde de dag van de uitspraak niet aan hem betekend te worden, overeenkomstig artikel 511e, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering. Niet blijkt dat aan de veroordeelde op 20 oktober 2004 niet duidelijk was op welke dag de uitspraak zou plaatsvinden. De raadsman heeft ter terechtzitting bij het hof, aangegeven dat hij zelf, noch de veroordeelde nadien hebben geïnformeerd naar de (dag van de) uitspraak. Van enige uitzonderlijke omstandigheid die tot verontschuldigbaarheid van de overschrijding van de appeltermijn zou kunnen leiden is niet gebleken.

De veroordeelde had derhalve binnen veertien dagen na het op 1 december 2004 gewezen vonnis in hoger beroep moeten komen. Namens de veroordeelde is echter eerst op 3 april 2007 hoger beroep ingesteld, zodat hij daarin niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.

BESLISSING

Het hof:

Verklaart de veroordeelde niet-ontvankelijk in het hoger beroep."

2.3. Het door het Hof bedoelde verkorte proces-verbaal van de terechtzitting in eerste aanleg van 20 oktober 2004 houdt in:

"Na sluiting van het onderzoek deelt de politierechter mede, dat de uitspraak in de ontnemingszaak zal plaatsvinden over zes weken.

Dit proces-verbaal is door de politierechter en de griffier vastgesteld.

De politierechter en de griffier zijn buiten staat dit proces-verbaal te ondertekenen."

2.4. Dit proces-verbaal is in strijd met art. 327 Sv in verbinding met art. 511d Sv niet ondertekend. Daardoor mist het proces-verbaal rechtskracht. Dit brengt mee dat het Hof aan dit proces-verbaal niet kon ontlenen dat de Politierechter na sluiting van het onderzoek aan de betrokkene en zijn raadsman heeft medegedeeld dat de uitspraak in de ontnemingszaak over zes weken zou plaatsvinden. Gelet daarop is de beslissing van het Hof dat de betrokkene niet-ontvankelijk is in zijn hoger beroep ontoereikend gemotiveerd. Het middel klaagt daarover terecht.

3. Slotsom

Hetgeen hiervoor is overwogen brengt mee dat de bestreden uitspraak niet in stand kan blijven en als volgt moet worden beslist.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de bestreden uitspraak;

wijst de zaak terug naar het Gerechtshof te 's-Gravenhage, opdat de zaak opnieuw wordt berecht en afgedaan.

Dit arrest is gewezen door de vice-president F.H. Koster als voorzitter, en de raadsheren B.C. de Savornin Lohaman en W.M.E. Thomassen, in bijzijn van de waarnemend griffier S.P.J. Lugtenburg, en uitgesproken op 15 juni 2010.