Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2010:BL8803

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
11-05-2010
Datum publicatie
11-05-2010
Zaaknummer
09/03718 U
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2010:BL8803
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Uitlevering aan Kroatië. Feit naar NL recht strafbaar gesteld in art. 10a Opw.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2010, 658
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11 mei 2010

Strafkamer

nr. 09/03718 U

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een uitspraak van de Rechtbank te Alkmaar van 14 september 2009, nummer 14/980001-08, op een verzoek van de autoriteiten van de Republiek Kroatië tot uitlevering van:

[De opgeëiste persoon], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1972, wonende te [woonplaats].

1. Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de opgeëiste persoon. Namens deze heeft mr. G. Spong, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Jörg heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2. Beoordeling van het eerste middel

2.1. Het middel klaagt over het oordeel van de Rechtbank dat het feit waarvoor de uitlevering is gevraagd, naar Nederlands recht strafbaar is op grond van art. 10a Opiumwet.

2.2. De bestreden uitspraak houdt - voor zover voor de beoordeling van het middel van belang - het volgende in:

"Vervolgens dient de rechtbank aan de hand van de door de verzoekende staat ter staving van het verzoek tot uitlevering overgelegde stukken, na te gaan of het feit, waarop het uitleveringsverzoek ter fine van verdere vervolging is gegrond, ook krachtens de Nederlandse wet strafbaar is: de zogeheten dubbele strafbaarheid (art. 5, lid 1, aanhef en onder a, Uw).

Uit de hiervoor onder 1. sub b genoemde beslissing tot het instellen van een strafrechtelijk onderzoek blijkt dat tegen [de opgeëiste persoon] een strafrechtelijke procedure is ingesteld vanwege de gegronde verdenking dat hij:

in de periode van juli tot september 2000, van onbekende personen in de Filippijnen 5870,37 gram van het verdovende middel cocaïne heeft gekocht, welk middel opgenomen staat in de Lijst van verdovende middelen, psychotrope stoffen en planten waaruit een verdovend middel verkregen kan worden of van de stoffen die gebruikt kunnen worden bij de vervaardiging van verdovende middelen ("Staatscourant van de Republiek Kroatië, 163/04"), met het oogmerk om deze verder te verkopen op de illegale Europese markt, wat strijdig is met de bepaling uit artikel 3 van de Opiumwet. Dit verdovende middel werd overgebracht naar de haven van Rijeka op 21 augustus 2000, verborgen tussen aangegeven goederen in de container aangeduid met kenteken en nummer [001] met als eindbestemming de Republiek Bosnië en Herzegovina en werd ontdekt tijdens het onderzoek van de container in de haven van Rijeka,

en dat hij derhalve, op deze wijze ongeoorloofd de stoffen heeft gekocht die in de voorschriften bepaald zijn als verdovende middelen, waarmee hij het strafbare feit heeft gepleegd tegen de waarden die beschermd zijn door het internationale recht - misbruik van verdovende middelen, zoals omschreven en strafbaar conform artikel 173, paragraaf 2, van het Wetboek van Strafrecht.

De rechtbank zal bij de beantwoording van de vraag of in concreto sprake is van dubbele strafbaarheid dienen te beoordelen of het materiële feit binnen de termen van een Nederlandse strafbepaling valt. Het criterium voor het vereiste van dubbele strafbaarheid is immers dat de buitenlandse strafbaarstelling in de kern hetzelfde rechtsgoed beschermt als de Nederlandse strafbaarstelling. Het vereiste van dubbele strafbaarheid vergt niet dat een met de buitenlandse delictsomschrijving als zodanig (in alle opzichten) overeenstemmende Nederlandse strafbepaling bestaat.

De rechtbank overweegt hieromtrent als volgt.

Blijkens de hierboven genoemde stukken wordt de uitlevering gevraagd voor vervolging terzake overtreding van artikel 173 paragraaf 2 van het Kroatische wetboek van Strafrecht. Op grond van deze bepaling is strafbaar "hij die de stoffen of preparaten die door deze wet als verdovingsmiddelen zijn verklaard ongeoorloofd produceert, prepareert, verkoopt, ter koop aanbiedt, of koopt met intentie om deze te verkopen, bezit of overbrengt of bemiddelt in de verkoop of bemiddelt in de koop, of die deze stoffen of preparaten op een andere manier in de handel brengt." De feitelijke gedraging, waarmee deze strafbepaling geschonden zou zijn, behelst volgens opgave van de Kroatische autoriteiten dat [de opgeëiste persoon] cocaïne heeft gekocht met het oogmerk om deze verder te verkopen op de illegale Europese markt, waartoe de cocaïne werd overgebracht naar de haven van Rijeka.

Weliswaar kent het Nederlandse strafrecht geen bepaling die in zoveel woorden expliciet strafbaar stelt de koop (met intentie van verkoop) van cocaïne, maar ook naar Nederlands recht is het kopen van een partij cocaïne met het oogmerk de cocaïne verder te verkopen strafbaar. Dit feit kan op grond van artikel 10a Opiumwet gekwalificeerd worden als 'een feit bedoeld in het vierde lid van artikel 10 Opiumwet voorbereiden, door zich middelen te verschaffen tot het plegen van dat feit'. Artikel 10 lid 4 Opiumwet stelt strafbaar het opzettelijk verkopen van cocaïne.

Geconcludeerd moet worden dat artikel 173 van het wetboek van Strafrecht van Kroatië hetzelfde rechtsgoed beschermt als artikel 2 in samenhang met artikel 10a van de Opiumwet.

Daarmee is naar het oordeel van de rechtbank voldaan aan het vereiste van de dubbele strafbaarheid en wordt het verweer van de raadsman dienaangaande verworpen."

2.3. Gelet op hetgeen de Rechtbank heeft vastgesteld omtrent de toedracht van het feit ter zake waarvan de uitlevering is verzocht, getuigt haar oordeel dat dit feit naar Nederlands recht strafbaar is gesteld bij art. 10a, eerste lid, Opiumwet, niet van een onjuiste rechtsopvatting.

2.4. Het middel is tevergeefs voorgesteld.

3. Beoordeling van het tweede middel

Het middel kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4. Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren J. de Hullu en W.F. Groos, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken op 11 mei 2010.