Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2010:BL8642

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
29-06-2010
Datum publicatie
29-06-2010
Zaaknummer
08/01330
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2010:BL8642
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Belaging, art. 285b Sr. ’s Hofs oordeel is onjuist noch onbegrijpelijk gelet op de indringendheid, de duur en de frequentie, de aard van de gedragingen en de omstandigheden waaronder deze hebben plaatsgevonden. De omstandigheid dat de berichten en brieven gestuurd werden naar de werkplek van de belaagde en dat de inhoud daarvan zijn optreden als politiefunctionaris betrof, staat niet aan het aannemen van belaging in de weg.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht
Wetboek van Strafrecht 285b
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2010/864
NJ 2010/406
NBSTRAF 2010/310
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

29 juni 2010

Strafkamer

nr. 08/01330

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Arnhem van 25 februari 2008, nummer 21/004578-06, in de strafzaak tegen:

[Verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1948, wonende te [woonplaats].

1. Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. J.A. Schadd, advocaat te Arnhem, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Knigge heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad vaststelt dat de redelijke termijn is overschreden en het beroep voor het overige verwerpt.

2. Beoordeling van het middel

2.1. Het middel bevat de klacht dat het Hof ten onrechte, althans onvoldoende gemotiveerd heeft geoordeeld dat de verdachte "inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van [slachtoffer]" zoals bewezen is verklaard.

2.2.1. Overeenkomstig de inleidende dagvaarding is ten laste van de verdachte onder 1 bewezenverklaard dat hij:

"in of omstreeks de periode van 1 april 2005 tot en met 19 april 2005 in de gemeente Wageningen wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van [slachtoffer] met het oogmerk [slachtoffer] te dwingen iets te doen, te dulden en vrees aan te jagen, hierin bestaande dat hij, verdachte,

- [slachtoffer] een groot aantal brieven en

e-mailberichten heeft gestuurd ook nadat [slachtoffer] hem, verdachte, te kennen had gegeven hier geen prijs op te stellen en

- [slachtoffer] meerdere malen telefonisch en schriftelijk heeft beledigd."

2.2.2. Deze bewezenverklaring berust op de volgende bewijsmiddelen:

a. een proces-verbaal van politie, voor zover inhoudende als verklaring van [slachtoffer]:

"Ik doe aangifte van het wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk maken op mijn persoonlijke levensfeer met het oogmerk mij te dwingen iets te doen, niet te doen of te dulden, smaadschrift, het verzenden van e-mails, brieven, waarin mijn eer en goede naam wordt aangerand, kennelijk met het doel om hier ruchtbaarheid aan te geven en belediging van een ambtenaar in functie.

Ik ben werkzaam als gebiedsgebonden functionaris bij de politie Gelderland-Midden, district West-Veluwe-Vallei, Unit Renkum-Wageningen. Beroepsmatig heb ik een dienst e-mailadres, dat op de politiepagina van de politie Gelderland Midden vermeld staat.

Rond 4 november 2004 vond ik een grote enveloppe op mijn bureau die was voorzien van mijn naam en functie. In die enveloppe zaten brieven afkomstig van [verdachte], [adres]. De brieven waren onder andere gericht aan [A] BV, de politie Utrecht en de Rijksrecherche. In deze brieven beschuldigde [verdachte] met name genoemde collegae van de politie Rhenen en Veenendaal van opzettelijk gepleegde "politiemisdrijven". Genoemde brieven waren niet persoonlijk aan mij gericht.

Begin januari 2005 ontving ik opnieuw een brief van genoemde [verdachte], gericht aan de burgemeester Pechtholt, de politie, gemeenteraad en wethouders van Wageningen. [Verdachte] sprak zijn ongenoegen uit over de politie en de parkeerwachters.

Op 9 januari 2005 om 0.59 uur ontving ik op mijn dienst e-mailadres een mail van [verdachte]. In deze mail sprak hij zijn afkeer uit tegen de politie en vroeg hij bescherming tegen criminele agenten. Op 9 januari 2005 te 14.09 uur ontving ik opnieuw een e-mail van [verdachte]. Hij uitte in deze mail zijn ongenoegen over de politie.

Op 10 januari 2005 te 14.48 uur ontving ik opnieuw een e-mail van [verdachte]. In deze mail klaagde hij over het feit dat er "politie helikopters werden gebruikt, die aangestuurd zouden worden door de politieleiding in Arnhem". Hij sprak in deze mail over: "Schandelijke en misdadige praktijken door beëdigde ambtenaren van politie die de weelde van hun macht niet aankunnen".

Op 10 januari 2005 te 15.59 uur heb ik [verdachte] een e-mail verzonden met de tekst: "[verdachte], wilt u stoppen met mij e-mail berichten te sturen, met dank [slachtoffer]".

Op dezelfde dag te 16.23 uur ontving ik weer een e-mailbericht, waarin [verdachte] aangaf dat ik toch zijn wijkagent was, dat hij mij nog nooit had gezien en dat ik op de hoogte moest zijn van misdadige praktijken van de politie.

Op 10 januari (het hof begrijpt: 11 januari) 2005 ontving ik weer een e-mailbericht. Ik heb deze mail beantwoord: "[verdachte], Gisteren heb ik u gevraagd mij geen e-mails meer te sturen. Derhalve verzoek ik u nogmaals, stuur mij geen e-mails meer!!!"

Enkele dagen later heeft [verdachte] diverse malen naar het bureau gebeld en wilde hij mij spreken. Ik heb hem één keer aan de telefoon gehad. Ik deelde hem mede dat hij moest stoppen met e-mails te sturen, dat ik dat niet meer wilde en dat ik, zou hij hier mee doorgaan, aangifte zou doen van stalking.

Op 1 februari 2005 had ik van 15.00 uur tot 16.00 uur spreekuur in het buurtcentrum, Ons Huis, te Wageningen. Gedurende dit spreekuur ben ik dertig minuten voor een buurtschouw in de wijk geweest. Op 2 februari 2005 ontving ik een mail van [verdachte]. Hij verweet mij dat ik niet in de wijk kwam en zelfs niet op mijn maandelijks spreekuur.

Nadien heeft [verdachte] diverse e-mailberichten gestuurd naar de gemeente Wageningen en naar [betrokkene 1], unithoofd van de Unit Renkum-Wageningen. Naar aanleiding van deze e-mail berichten zijn er brieven aan [verdachte] gestuurd vanuit de gemeente en vanuit de politie dat de politie niet meer reageert op zijn e-mail berichten en werd [verdachte] verwezen naar de regionale klachtencommissie.

Op 1 maart 2005 ben ik in verband met een vakantie niet op het maandelijks spreekuur geweest. Na mijn vakantie ontving ik weer een mail van [verdachte] dat hij op het spreekuur was geweest en dat ik er weer niet was.

Vanaf begin april 2005 ontving ik weer soortgelijke e-mailberichten van [verdachte]. De keren dat er een helikopter over de omgeving van Wageningen gevlogen had, waren voor [verdachte] reden om te klagen dat men hem weer in de gaten hield. Op 2, 5 en 6 april 2005 stuurde hij brieven aan [betrokkene 1], waarin de politie, waar ik ook deel van uitmaak, beschuldigd werd van diefstal van gemeenschapsgeld, machtsmisbruik en politieterreur.

Op 5 april 2005 was ik om 15.30 uur in het wijkcentrum, ons Huis. Daar vervoegde zich een man die opgaf te zijn, [verdachte]. Ik verzocht hem te stoppen met het sturen van brieven en e-mailberichten in mijn richting.

Op 5 en 6 april (het hof begrijpt: 2005) stuurde [verdachte] opnieuw een brief aan de politie, ter attentie van [betrokkene 1]. In deze brief beschuldigde hij mij dat ik "leugenachtig misdadig dan wel meinedig optrad, [slachtoffer] (beëdigd politieman) maakt zich opzettelijk schuldig aan de meest walgelijke en de politie onwaardige leugens en baarlijke nonsens". Door genoemde uitspraken voelde ik mij beledigd.

Op 9 april 2005 te 17.12 uur kreeg ik wederom een e-mail van [verdachte], tevens gericht aan de collegae [betrokkene 2] en [betrokkene 3], de politie Gelderland-Midden, en de gemeente Arnhem. In deze mail maakt [verdachte] zich schuldig aan smaadschrift en belediging van mij als politieambtenaar, met onder meer de woorden: "De politie allerlei laag-bij-de-grondse smerigheden uithaalt, maar daar niet mee voor de dag durft te komen. List, leugens en bedrog zouden dagelijkse kost voor de betrokkenen ([slachtoffer]), zelfs meineed bleek geen uitzondering meer te zijn". Door genoemde uitspraken voel ik mij ernstig beledigd. Ik voel mij door deze uitspraken, die ook nog een keer aan derden zijn gericht, kennelijk met het doel om daar ruchtbaarheid aan te geven, ernstig in mijn eer en goede naam aangetast. Tevens blijft [verdachte] mij door middel van e-mails, brieven, telefoontjes en persoonlijk stelselmatig lastigvallen, terwijl ik hem kenbaar heb gemaakt hier niet (meer) van gediend te zijn."

b. een proces-verbaal van politie, voor zover inhoudende als verklaring van [slachtoffer]:

"Op 12 april 2005 deed ik aangifte van stalking, belediging van een ambtenaar in functie en smaadschrift, gepleegd door [verdachte]. Op 18 april 2005 werd genoemde [verdachte] aangehouden.

Op 19 april 2004 te 23.21 uur ontving ik opnieuw een e-mail van genoemde [verdachte], welke mail tevens was gericht aan collega [betrokkene 4]. De mail heeft als onderwerp: "huiverwekkende politie". In genoemde mail noemt [verdachte] mij een "schokkend persoon" en verder beschuldigt hij mij door te vermelden: "Zij zijn daardoor schuldiger en smeriger dan die Oostblok toestanden die wij vroeger zo veracht hebben en veroordeeld hebben. Deze lieden horen niet bij onze politie thuis".

Ondanks de aanhouding van [verdachte] blijft hij mij stalken door mij weer mail te sturen. Hij beledigt mij en vertelt en verspreidt zaken via de mail, kennelijk met het doel dat hier ruchtbaarheid aan gegeven wordt. Ik voel mij in mijn eer en goede naam aangetast en wil dat [verdachte] stopt met het stalken, beledigen en het verspreiden van mail, met onwaarheden over mij."

c. een geschrift, houdende de weergave van een e-mailbericht, voor zover inhoudende:

"Van: [verdachte] ([...]@hetnet.nl)

Verzonden: 19 april 2005 23:21

Aan: [...] gelderland-midden.politie.nl; [slachtoffer]

Onderwerp: huiveringwekkende politie

Zij zijn daardoor schuldiger en smeriger dan die Oostblok toestanden die wij vroeger zo veracht hebben en veroordeeld hebben. Deze lieden behoren niet bij onze politie thuis."

d. een proces-verbaal van politie, voor zover inhoudende als verklaring van de verdachte:

"Ik maak gebruik van het e-mailadres [...]@hetnet.nl.

Ik beken de unitchef [betrokkene 1] meerdere faxberichten te hebben gezonden. Ik beken de gebiedsagent [slachtoffer] meerdere e-mailberichten te hebben gezonden. Ik beken ook meerdere e-mailberichten naar diverse personen te hebben verzonden, waarin staat dat gebiedsagent [slachtoffer] een verachtelijk mannetje is.

De huidige politie en het huidige bestel beschouw ik als "ziek tot op het bot". Vooral de onderstaande personen, [slachtoffer] en [betrokkene 1]. Ik adviseer om [betrokkene 1] en [slachtoffer] te ontslaan."

e. de verklaring van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep, voor zover inhoudende:

"Het klopt dat ik vanaf 4 november 2004 tot en met 19 april 2005 e-mails en/of brieven naar [slachtoffer] en [betrokkene 1] heb gestuurd.

U houdt mij de door mij geschreven zinsneden: "Politieagent [slachtoffer] een meelijkwekkend verachtelijk mannetje" en "Ontsla [betrokkene 1] en [betrokkene 5], de smerigheden kunnen enkel met hun goedvinden en op hun instigatie plaatsvinden." Ik heb mij gerealiseerd dat deze teksten krenkend kunnen zijn voor de betrokkenen."

2.2.3. Het Hof heeft ten aanzien van de bewezenverklaring voorts nog het volgende overwogen:

"Het hof is - anders dan de politierechter - van oordeel dat het onder 1 tenlastegelegde feit bewezen kan worden. Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Verdachte heeft, zoals hij zelf ook heeft verklaard, [slachtoffer] in zijn hoedanigheid van gebiedsgebonden functionaris/wijkagent en later [betrokkene 1] als functionele meerdere van [slachtoffer] onder meer brieven en e-mailberichten aangaande beweerdelijke politiemisstanden gestuurd. Gaandeweg werd deze kritiek persoonlijker en specifiek gericht op de persoon van [slachtoffer]. Ook bracht verdachte derden op de hoogte van zijn standpunt met betrekking tot de persoon [slachtoffer]. [slachtoffer] heeft meerdere malen verdachte te verstaan gegeven dat hij geen brieven, e-mails en/of telefoontjes meer wilde ontvangen. Desondanks bleef verdachte [slachtoffer] benaderen. Voor [slachtoffer] leverde dat veel spanning op, zowel in de werksfeer als in de privé-sfeer, zoals - onder meer - blijkt uit de aangifte. Het hof is van oordeel dat gelet op de aard, de duur, de frequentie en de intensiteit van de gedragingen van verdachte, de omstandigheden waaronder deze hebben plaatsgevonden en de invloed daarvan op het persoonlijke leven van [slachtoffer] gesproken kan worden van belaging van [slachtoffer] door verdachte. Dat de berichten gestuurd werden naar de werkplek van [slachtoffer] en zijn optreden als politiefunctionaris betroffen doet daar niet aan af."

2.3. De tenlastelegging onder 1 is toegesneden op art. 285b, eerste lid, Sr. Daarom moet de in de bewezenverklaarde tenlastelegging voorkomende uitdrukking "inbreuk maakt op eens anders persoonlijke levenssfeer" geacht worden aldaar te zijn gebezigd in dezelfde betekenis als daaraan toekomt in dat artikel.

2.4.1. Art. 285b, eerste lid, Sr luidt:

"Hij, die wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk maakt op eens anders persoonlijke levenssfeer met het oogmerk die ander te dwingen iets te doen, niet te doen of te dulden dan wel vrees aan te jagen wordt, als schuldig aan belaging, gestraft met een gevangenisstraf van ten hoogste drie jaren of een geldboete van de vierde categorie."

2.4.2. De tekst van art. 285b Sr is vastgesteld bij de Wet van 27 juni 2000, Stb. 282 (strafbaarstelling van belaging) die op 12 juli 2000 in werking is getreden.

De wetsgeschiedenis houdt ten aanzien van deze bepaling onder meer het volgende in:

- de memorie van toelichting:

"Bij belaging wordt iemand opzettelijk door een ander herhaaldelijk lastig gevallen en wordt daardoor een inbreuk gemaakt op iemands persoonlijke levenssfeer. Dit kan door een en dezelfde activiteit, maar ook door middel van een variëteit aan gedragingen, zoals bijvoorbeeld het op straat achtervolgen, bedreigingen uiten, telefonisch of schriftelijk ongewenst benaderen, voor de woning of werkplek posten, het ongewenst bestellen van goederen en diensten op naam en op rekening van het slachtoffer, het laten bezorgen van grafkransen en het plaatsen van overlijdensadvertenties, het ongevraagd geven van opdrachten op naam van het slachtoffer, het verspreiden van valse geruchten over het slachtoffer, het bekladden van de woning, het beschadigen, vernielen of verplaatsen van goederen, het onder valse voorwendselen informatie inwinnen bij instanties over het slachtoffer, het telkenmale nodeloos aanspannen van gerechtelijke procedures etc. De gedragingen behoeven zich niet louter tot het slachtoffer uit te strekken, ook familieleden, de werkgever, collega's, vrienden en kennissen kunnen door de belager worden geterroriseerd. Als gevolg van de diepgaande inbreuk op de persoonlijke levenssfeer wordt het slachtoffer vaak bang of onzeker. Een normaal functioneren is in veel gevallen onmogelijk. Het slachtoffer kan zich genoodzaakt voelen een geheim telefoonnummer te nemen, zich niet onbeschermd op straat te begeven, op het werk voorzieningen te treffen, buren en anderen in te schakelen om alert te zijn etc. Veel slachtoffers voelen zich gevangene in eigen huis.

De gedragingen kunnen escaleren en resulteren in misdrijven, zoals bijvoorbeeld fysieke mishandeling met voorbedachte rade (art. 301 Wetboek van Strafrecht), bedreiging met een misdrijf tegen het leven gericht (art. 285 Wetboek van Strafrecht) of moord (art. 289 Wetboek van Strafrecht)."

(Kamerstukken II 1997-1998, 25 768, nr. 5, p. 2)

- de memorie van antwoord aan de Eerste Kamer:

"Uitspraken van het Europese Hof voor de rechten van de mens en ook van de Hoge Raad op het gebied van de persoonlijke levenssfeer geven relevante afbakeningen. In die uitspraken komt naar voren dat men niet te pas en te onpas de bescherming van de persoonlijke levenssfeer kan inroepen, maar dat men een redelijke verwachting van die bescherming moet hebben. Daaruit volgt dat die verwachting in de omgeving van het eigen huis sterker is dan op de openbare weg. Toch dient men onbevangen zichzelf te kunnen zijn in het openbare leven. Dus al te indringende inbreuken op de persoonlijke levenssfeer zijn ook daar niet toegestaan."

(Kamerstukken I 1999-2000, 25 768, nr. 67a, p. 6)

2.5. Het oordeel van het Hof, inhoudende dat de verdachte inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van [slachtoffer], geeft - mede gelet op de wetsgeschiedenis - niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting, in aanmerking genomen hetgeen de hiervoor onder 2.2.2 weergegeven bewijsmiddelen inhouden omtrent de indringendheid, de duur en de frequentie, alsmede omtrent de aard van de gedragingen en de omstandigheden waaronder deze hebben plaatsgevonden. De omstandigheid dat de in de bewezenverklaring genoemde berichten en brieven gestuurd werden naar de werkplek van [slachtoffer] en dat de inhoud daarvan zijn optreden als politiefunctionaris betrof, staat niet aan het aannemen van belaging in de weg. Het oordeel van het Hof is ook toereikend gemotiveerd.

2.6. In zoverre faalt het middel.

2.7. Ook voor het overige kan het middel niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu het middel in zoverre niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

3. Ambtshalve beoordeling van de bestreden uitspraak

De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM is overschreden. Gelet op de aan de verdachte opgelegde voorwaardelijke geldboete van € 100,-, subsidiair 2 dagen hechtenis, en de mate waarin de redelijke termijn is overschreden, is er geen aanleiding om aan het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden enig rechtsgevolg te verbinden en zal de Hoge Raad met dat oordeel volstaan.

4. Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren J. de Hullu en W.F. Groos, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken op 29 juni 2010.