Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2010:BL7406

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
07-05-2010
Datum publicatie
07-05-2010
Zaaknummer
10/00414
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2010:BL7406
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

BOPZ. Verzoek machtiging tot voortgezet verblijf van persoon die ex art. 37 Sr. in psychiatrisch ziekenhuis verblijft. Art. 15 t/m18 Wet Bopz van overeenkomstige toepassing. Rechter kan ex art. 15 lid 1 Wet Bopz op verzoek ovj een machtiging tot voortgezet verblijf verlenen voor persoon die op basis van art. 37 Sr. in psychiatrisch ziekenhuis verblijft. Op grond van art. 51 lid 1 Wet Bopz gaat bij opneming in een psychiatrisch ziekenhuis de last materieel gelden als een machtiging ingevolge de Wet Bopz.

Wetsverwijzingen
Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen 15
Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen 16
Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen 17
Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen 18
Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen 51
Wetboek van Strafrecht 37
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJ 2010, 260
RvdW 2010, 620
NJB 2010, 1075
JWB 2010/187
BJ 2010/28 met annotatie van Red.
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

7 mei 2010

Eerste Kamer

10/00414

EE

Hoge Raad der Nederlanden

Beschikking

in de zaak van:

[Betrokkene],

wonende te [woonplaats], thans verblijvende in de GGZ-instelling Arkin, locatie Inforsa, te Amsterdam,

VERZOEKER tot cassatie,

advocaat: mr. E. Grabandt,

t e g e n

DE OFFICIER VAN JUSTITIE IN HET ARRONDISSEMENT AMSTERDAM,

VERWEERDER in cassatie,

advocaat: M.M. van Asperen.

Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als betrokkene en de officier van justitie.

1. Het geding in feitelijke instantie

Voor het verloop van het geding in feitelijke instantie verwijst de Hoge Raad naar het navolgende stuk:

a. de beschikking in de zaak 444561/FA RK 09.9246 van de rechtbank Amsterdam van 17 december 2009.

De beschikking van de rechtbank is aan deze beschikking gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen de beschikking van de rechtbank heeft betrokkene beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.

De officier van justitie heeft verzocht het beroep (deels) niet-ontvankelijk te verklaren althans het beroep te verwerpen.

De conclusie van de Advocaat-Generaal F.F. Langemeijer strekt tot verwerping van het beroep.

3. Beoordeling van het middel

3.1 In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

(i) Bij vonnis van 23 december 2008 heeft de meervoudige strafkamer van de rechtbank Almelo gelast dat betrokkene op de voet van art. 37 Sr. in een psychiatrisch ziekenhuis zal worden geplaatst voor de duur van een jaar. Betrokkene is op grond van deze last opgenomen in een psychiatrisch ziekenhuis te Amsterdam.

(ii) Op 26 november 2009 heeft de officier van justitie de rechtbank Amsterdam verzocht een machtiging te verlenen tot voortgezet verblijf van betrokkene in een psychiatrisch ziekenhuis.

(iii) Op 17 december 2009 heeft de rechtbank betrokkene en zijn raadsvrouwe alsmede de behandelend psychiater gehoord. Bij beschikking van diezelfde datum heeft de rechtbank een machtiging tot voortgezet verblijf verleend, ingaande op 18 december 2009 en eindigend op 17 december 2010.

3.2.1 Onderdeel 1 klaagt dat de rechtbank heeft miskend dat ten tijde van het inleidend verzoek en ten tijde van het geven van de beschikking ten aanzien van betrokkene sprake was van een maatregel als bedoeld in art. 37 Sr. Volgens het onderdeel had de rechtbank de beschikking slechts mogen geven onder de opschortende voorwaarde dat die maatregel wordt beëindigd, althans had de rechtbank - ambtshalve - terzake een onderzoek moeten instellen.

3.2.2 Bij de beoordeling van het onderdeel wordt het volgende vooropgesteld.

Met betrekking tot personen die op grond van een uitspraak van de strafrechter als bedoeld in art. 37 Sr. in een psychiatrisch ziekenhuis verblijven, zijn ingevolge art. 51 lid 1 Wet Bopz - voor zover thans van belang - de art. 15 tot en met 18 Wet Bopz van overeenkomstige toepassing. Dit brengt mee dat de rechter op verzoek van de officier van justitie een machtiging tot voortgezet verblijf kan verlenen (art. 15 lid 1 Wet Bopz). Het verzoek van de officier van justitie moet bij de rechtbank worden ingediend tijdens de zesde of de vijfde week vóór het einde van de geldigheidsduur van de lopende verblijfstitel. De rechtbank beslist binnen vier weken na het indienen van het verzoekschrift. Indien de verzochte machtiging wordt verleend, heeft deze een geldigheidsduur van ten hoogste een jaar na haar dagtekening (art. 17 Wet Bopz).

3.2.3 Gelet op de ingangsdatum van de door de rechtbank verleende machtiging tot voortgezet verblijf - 18 december 2009 - moet ervan worden uitgegaan dat ten aanzien van betrokkene gedurende een aantal dagen tussen 18 december 2009 en de datum waarop de geldigheidsduur van de last tot plaatsing als bedoeld in art. 37 Sr. verstreek, twee verblijfstitels tegelijkertijd van toepassing waren. Nu art. 51 lid 1 Wet Bopz meebrengt dat bij opneming in een psychiatrisch ziekenhuis de strafrechtelijke last materieel gaat gelden als een machtiging ingevolge de Wet Bopz - behoudens een aantal hier niet terzake doende uitzonderingen - valt niet in te zien welk belang betrokkene heeft bij zijn klacht. Daarbij moet voorts in aanmerking worden genomen dat, gelet op de hiervoor genoemde ingangsdatum van 18 december 2009 en de door de rechtbank bepaalde einddatum van 17 december 2010, betrokkene in ieder geval niet langer dan een jaar op basis van de last en evenmin langer dan een jaar op basis van de machtiging in een psychiatrisch ziekenhuis heeft verbleven respectievelijk zal verblijven.

Het onderdeel is derhalve tevergeefs voorgesteld.

3.3 Ook de in de onderdelen 2 en 3 aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4. Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Deze beschikking is gegeven door de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, als voorzitter, J.C. van Oven en C.A. Streefkerk, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer A. Hammerstein op 7 mei 2010.