Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2010:BL7043

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
21-05-2010
Datum publicatie
21-05-2010
Zaaknummer
09/02548
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2010:BL7043
In cassatie op : ECLI:NL:GHSGR:2009:BJ5115, Niet ontvankelijk
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Familierecht. Ondertoezichtstelling met machtiging tot uithuisplaatsing. Broer geen belanghebbende bij beslissing van kinderrechter tot uithuisplaatsing van zijn broers en zusters. Gezag wordt over elk minderjarig kind afzonderlijk uitgeoefend en voor elk kind afzonderlijk moet worden voldaan aan wettelijke criteria voor toepassing van de-ze maatregel. In zaak van elk individueel minderjarig kind zijn dan ook enkel de uit het gezag over dit kind voortvloeiende rechten en verplichtingen van dit kind en van de ouders die het gezag over dit kind uitoefenen dan wel de pleegouders betrokken. Dit wordt niet anders doordat een beslissing tot uithuisplaatsing mede het door art. 8 EVRM gewaarborgde recht van de andere minderjarige kinderen op bescherming van hun gezinsleven met het betrokken kind raakt.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 798
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2010, 632
NJ 2010/397 met annotatie van S.F.M. Wortmann
NJB 2010, 1163
JWB 2010/202
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

21 mei 2010

Eerste Kamer

09/02548

EE/IS

Hoge Raad der Nederlanden

Beschikking

in de zaak van:

mr. Augusta Hendrina VAN HAGA, in haar hoedanigheid van bijzonder curator over de minderjarige [het kind],

kantoorhoudende te 's-Gravenhage,

VERZOEKSTER tot cassatie,

advocaat: mr. J. Brandt,

t e g e n

STICHTING BUREAU JEUGDZORG ZUID-HOLLAND,

kantoorhoudende te Gouda,

VERWEERSTER in cassatie,

niet verschenen.

Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als mr. Van Haga, [het kind] en Bureau Jeugdzorg.

1. Het geding in feitelijke instanties

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:

a. de beschikking in de zaak 321276/JE RK 08-2500 van de kinderrechter te 's-Gravenhage van 4 november 2008,

b. de beschikking in de zaak 200.024.183/01 van het gerechtshof te 's-Gravenhage van 10 juni 2009.

De beschikking van het hof is aan deze beschikking gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen de beschikking van het hof heeft mr. Van Haga beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.

Bureau Jeugdzorg heeft geen verweerschrift ingediend.

De conclusie van de Advocaat-Generaal E.M. Wesseling-van Gent strekt tot niet-ontvankelijkheidverklaring van verzoeker in zijn cassatieberoep.

De advocaat van mr. Van Haga heeft bij brief van 19 april 2010 op die conclusie gereageerd.

3. Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep

3.1 In cassatie kan worden uitgegaan van de feiten die zijn vermeld in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 1. Zij kunnen als volgt worden samengevat.

(i) Uit het huwelijk van de ouders van [het kind] zijn acht kinderen geboren, allen thans nog minderjarig. [Het kind] is de oudste.

(ii) Het jongste kind verblijft sedert juni 2006 in een pleeggezin krachtens een ondertoezichtstelling en machtiging uithuisplaatsing. Op dit kind heeft de onderhavige procedure geen betrekking.

(iii) Bij beschikking van de kinderrechter in de rechtbank 's-Gravenhage van 23 september 2008 zijn de overige zeven kinderen (hierna: de kinderen) onder toezicht gesteld van Bureau Jeugdzorg voor de periode van 24 september 2008 tot 15 augustus 2009.

(iv) Op verzoek van Bureau Jeugdzorg heeft de kinderrechter bij beschikking van 4 november 2008 Bureau Jeugdzorg gemachtigd de kinderen gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen van 4 november 2008 tot 15 augustus 2009.

3.2 Mr. Van Haga is na haar benoeming tot bijzonder curator over [het kind] van de beschikking van 4 november 2008 in hoger beroep gekomen. Zij heeft verzocht vernietiging van die beschikking en afwijzing van het inleidend verzoek van Bureau Jeugdzorg tot het verlenen van een machtiging tot uithuisplaatsing van [het kind] en de kinderen. Bij beschikking van 10 juni 2009 heeft het hof ten aanzien van de uithuisplaatsing van [het kind] de beschikking van de kinderrechter vernietigd en het inleidend verzoek van Bureau Jeugdzorg alsnog afgewezen, maar ten aanzien van de broers en zusters van [het kind] hem niet-ontvankelijk verklaard in zijn verzoek.

Tegen dit laatste komt mr. Van Haga in cassatie op.

4. Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep

4.1 De geldigheidsduur van de machtiging tot uithuisplaatsing van de broers en zusters van [het kind] is op 15 augustus 2009 verstreken. Reeds om deze reden heeft mr. Van Haga geen belang meer bij haar cassatieberoep, zodat zij daarin niet-ontvankelijk moet worden verklaard.

Nochtans ziet de Hoge Raad aanleiding met betrekking tot het cassatiemiddel het volgende te overwegen.

4.2 Het hof heeft zijn beslissing om [het kind] in zijn verzoek ten aanzien van zijn broers en zusters niet-ontvankelijk te verklaren, voorzover thans van belang, als volgt gemotiveerd:

" Het hof is van oordeel dat [het kind] alleen ten aanzien van zichzelf vernietiging van de bestreden beschikking kan verzoeken. Immers, op grond van artikel 798 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) wordt in het familierecht onder belanghebbende verstaan degene op wiens rechten en verplichtingen de zaak rechtstreeks van toepassing is. De uithuisplaatsing is een maatregel die rechtstreeks ingrijpt in de rechten en verplichtingen van de minderjarige die uit huis wordt geplaatst en de (gezaghebbende) ouders. Naar het oordeel van het hof raakt de uithuisplaatsing van [het kind] niet rechtstreeks de rechten en verplichtingen van zijn broers en zussen of andersom. [Het kind] kan dan ook, voorzover de beslissing zijn broers en zussen betreft, niet worden aangemerkt als belanghebbende. Voorts is de bijzondere curator uitsluitend over [het kind] als zodanig benoemd en niet over de andere kinderen, zodat zij niet geacht kan worden, deze in rechte te vertegenwoordigen."

4.3.1 Het middel neemt terecht tot uitgangspunt dat tussen [het kind] en zijn broers en zusters (en hun ouders) "family life" bestaat in de zin van art. 8 EVRM en dat [het kind] en zijn broers en zusters daaraan hun belang ontlenen om in gezinsverband met elkaar (en met hun ouders) samen te leven. Ook is juist dat [het kind] in het door art. 8 EVRM gewaarborgde recht op gezinsleven met zijn broers en zusters wordt getroffen door de uithuisplaatsing van zijn broers en zusters. Het hof heeft een en ander niet miskend.

4.3.2 De onderhavige procedure betreft een maatregel met betrekking tot het ouderlijk gezag in het kader van een ondertoezichtstelling. Dat gezag wordt over elk minderjarig kind afzonderlijk uitgeoefend en ten aanzien van elk kind afzonderlijk moet worden beoordeeld of is voldaan aan de wettelijke criteria die gelden voor toepassing van de maatregel.

Daarom zijn in deze procedure zoveel zaken (kwesties waarover wordt geprocedeerd - zie de memorie van toelichting, par. 6.3, Parl. Gesch. Burg. Procesrecht, Van Mierlo/Bart, p. 17.) aanhangig als er minderjarige kinderen zijn ten aanzien waarvan de uithuisplaatsing is verzocht, zodat elke zaak het gezag over en de uithuisplaatsing van alleen het daarin betrokken kind betreft.

4.3.3 Hieruit volgt dat in de zaak van elk individueel minderjarig kind enkel de uit het gezag over dat kind voortvloeiende rechten en verplichtingen van dit kind en van de ouders die het gezag over dit kind uitoefenen dan wel van anderen die dit kind als behorend tot hun gezin verzorgen en opvoeden (de pleegouders) zijn betrokken. Daarom kunnen in die zaak slechts als belanghebbenden in de zin van art. 798 lid 1 Rv worden beschouwd - naast de instellingen en organen die ingevolge art. 1:261 lid 1 BW de uithuisplaatsing kunnen verzoeken (het bij de ondertoezichtstelling betrokken bureau jeugdzorg, de raad voor de kinderbescherming of het openbaar ministerie)-: de met het gezag belaste ouder(s), een ander die het minderjarige kind als behorende tot zijn gezin verzorgt en opvoedt, en het kind zelf, mits dit twaalf jaren of ouder is (zie art. 1:263 lid 2 BW), onverminderd, in geval van een jonger kind, de toepassing van art. 1:377g BW.

4.3.4 Dit wordt niet anders doordat een beslissing tot uithuisplaatsing in die zaak mede het door art. 8 EVRM gewaarborgde recht van de andere minderjarige kinderen op bescherming van hun gezinsleven met het betrokken kind raakt. Voor die andere minderjarige kinderen kunnen immers geen rechten en verplichtingen voortvloeien uit het ouderlijk gezag over dat kind terwijl voor die minderjarigen evenmin rechten en verplichtingen kunnen voortvloeien uit de verzorging en opvoeding van dat kind.

Het voorgaande laat overigens onverlet dat deze andere minderjarige kinderen hun uit het gezinsleven voortvloeiende, door art. 8 EVRM gewaarborgde recht op omgang met het uithuisgeplaatste kind zonodig zelfstandig kunnen effectueren door op de voet van art. 1:377a en 377g BW een verzoek aan de rechter te doen tot vaststelling van een omgangsregeling.

4.4 Uit het voorgaande volgt dat het hof terecht heeft geoordeeld dat [het kind] geen belanghebbende is voorzover het gaat om de beslissing van de kinderrechter met betrekking tot de uithuisplaatsing van zijn broers en zusters. Daarop stuit het middel in al zijn onderdelen af.

5. Beslissing

De Hoge Raad:

verklaart mr. Van Haga niet-ontvankelijk in haar beroep.

Deze beschikking is gegeven door de vice-president J.B. Fleers als voorzitter en de raadsheren O. de Savornin Lohman, A. Hammerstein, F.B. Bakels en W.D.H. Asser, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer E.J. Numann op 21 mei 2010.