Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2010:BL6741

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
25-05-2010
Datum publicatie
26-05-2010
Zaaknummer
08/04954
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2010:BL6741
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Art. 416 Sv. Klacht over n-o hb. Gelet op de tekst van de bijsluiter die aan verdachte is uitgereikt, is de beslissing van het Hof om verdachte mede o.g.v. de omstandigheid dat hij t.t.z. niet mondeling zijn bezwaren tegen het vonnis heeft opgegeven, n.o. te verklaring in het hb, niet toereikend gemotiveerd. Uit de bijsluiter volgt immers dat de strafzaak eerst op een latere t.z. inhoudelijk zou worden behandeld, zodat verdachte dan alsnog op de voet van art. 416.1 Sv de gelegenheid zou hebben zijn bezwaren tegen het vonnis op te geven.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafvordering
Wetboek van Strafvordering 416
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
SR-Updates.nl updates
NJ 2011/80 met annotatie van Prof. mr. C.P.M. Cleiren
RvdW 2010, 681
NJB 2010, 1228
NBSTRAF 2010/200
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

25 mei 2010

Strafkamer

nr. 08/04954

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een bij verstek gewezen arrest van het Gerechtshof te Amsterdam van 22 juli 2008, nummer 23/003145-08, in de strafzaak tegen:

[Verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1984, ten tijde van de betekening van de aanzegging gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting "Noord-Holland Noord, locatie Het Keern" te Hoorn.

1. Geding in cassatie

1.1. Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. R.A. van der Horst, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld.

De Advocaat-Generaal Vegter heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak naar het Gerechtshof te Amsterdam teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.

1.2. De raadsman heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.

2. Beoordeling van het eerste middel

2.1. Het middel klaagt dat het Hof de verdachte ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard in het hoger beroep.

2.2.1. Wat betreft het instellen van het hoger beroep houden de stukken het volgende in:

(i) de verdachte is door de Rechtbank te Haarlem op 5 juni 2008 wegens het medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in art. 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd, en het medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in art. 2, eerste lid onder A, van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd, veroordeeld tot een gevangenisstraf van vier jaren; de verdachte heeft tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld;

(ii) de dagvaarding voor de terechtzitting in hoger beroep van 22 juli 2008 is blijkens de daarvan opgemaakte akte op

10 juli 2007 aan de verdachte in persoon uitgereikt; op het dubbel van die dagvaarding is vermeld: "afschrift aan raadsman verstrekt op: 8-7-2008 + bijsluiter";

(iii) vorenbedoelde bijsluiter houdt in, voor zover hier van belang:

"Zojuist heeft u de vordering van de advocaat-generaal tot verlenging van uw gevangenhouding ontvangen alsmede de dagvaarding voor de behandeling van uw strafzaak in hoger beroep.

Het gerechtshof zal zo spoedig mogelijk een beslissing nemen over de vordering verlenging gevangenhouding van de advocaat-generaal.

Met betrekking tot de behandeling van uw strafzaak bericht ik u dat op de in de dagvaarding genoemde datum een rol/regiezitting zal plaatsvinden.

Dit houdt in dat u op deze zitting gevraagd zal worden wat uw bezwaren tegen het door de rechtbank gewezen vonnis zijn en tevens zullen eventuele onderzoekswensen van u, uw raadsman en/of de advocaat-generaal geïnventariseerd worden.

Aan de hand hiervan zal het gerechtshof in overleg met alle betrokkenen een datum voor de inhoudelijke behandeling van uw strafzaak vaststellen.

De inhoudelijke behandeling van uw strafzaak zal op de vastgestelde datum uiteraard alleen plaats kunnen vinden als het strafdossier, waarop de rechtbank in eerste aanleg vonnis heeft gewezen, tijdig door het ressortsparket is ontvangen.

Voor zover door u een appelschriftuur is ingediend en/of een artikel 411a WvSv is ingediend bij de rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken wordt u verzocht binnen één week na heden de daarop betrekking hebbende stukken toe te zenden aan de griffie van het gerechtshof, met kopie daarvan aan het ressortsparket, afdeling frontoffice preventieven administratie."

(iv) een verklaring "afstand van verhoor", inhoudende dat de verdachte op de vordering tot verlenging van het tegen hem verleende bevel tot gevangenhouding op 22 juli 2008 te 9.45 uur - waarachter met de hand is bijgeschreven:

"+ rol/regiezitting" - wel wenst te worden gehoord; deze verklaring is blijkens een daarop geplaatst stempel op 16 juli 2008 ingekomen bij het Gerechtshof/Ressortsparket Amsterdam;

(v) een afstandsverklaring van 22 juli 2008, inhoudende dat de verdachte ervan af ziet te verschijnen ter openbare terechtzitting van het Gerechtshof te Amsterdam van 22 juli 2008;

(vi) bij de stukken bevindt zich niet een schriftuur houdende grieven van de verdachte overeenkomstig art. 416, tweede lid, Sv.

2.2.2. Het proces-verbaal van de terechtzitting van het Hof van 22 juli 2008 houdt in dat de verdachte aldaar niet is verschenen, en voorts:

"De raadsman van de verdachte, mr. R.A. van der Horst, advocaat te Amsterdam, is evenmin ter terechtzitting aanwezig.

De voorzitter deelt mede de korte inhoud van een (per fax) binnengekomen schriftelijke verklaring van de verdachte van 22 juli 2008, waarin deze afstand doet van zijn recht bij de terechtzitting van heden aanwezig te zijn. De voorzitter deelt mede telefonisch contact opgenomen te hebben met de raadsman van de verdachte, die hem mededeelde dat de verdachte en hijzelf het niet nodig vinden heden ter terechtzitting te verschijnen.

Het gerechtshof verleent verstek tegen de niet verschenen verdachte en beveelt dat met de behandeling van de zaak zal worden voortgegaan.

De advocaat-generaal draagt de zaak voor en vraagt het hof de verdachte niet-ontvankelijk in zijn hoger beroep te verklaren, nu de verdachte geen schriftuur houdende grieven overeenkomstig artikel 416, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering heeft ingediend, noch mondeling zijn bezwaren tegen het vonnis heeft opgegeven en ook overigens niet is gebleken van enig rechtens te beschermen belang dat is gediend met enig onderzoek van de zaak zelf.

De voorzitter verklaart het onderzoek gesloten en deelt mede dat het hof later op de ochtend mondeling arrest zal wijzen."

2.3. Met betrekking tot de ontvankelijkheid van de verdachte in het hoger beroep heeft het Hof het volgende overwogen en beslist:

"Nu de verdachte geen schriftuur houdende grieven overeenkomstig artikel 416, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering heeft ingediend, noch mondeling zijn bezwaren tegen het vonnis heeft opgegeven en ook overigens niet is gebleken van enig rechtens te beschermen belang dat is gediend met enig onderzoek van de zaak zelf, dient hij naar het oordeel van het hof niet ontvankelijk te worden verklaard in het ingestelde hoger beroep.

Beslissing

Het hof:

Verklaart de verdachte niet ontvankelijk in zijn hoger beroep."

2.4. Art. 416 Sv luidt, voor zover hier van belang:

"1.(...) Na de voordracht van de advocaat-generaal wordt de verdachte die hoger beroep heeft ingesteld, in de gelegenheid gesteld zijn bezwaren tegen het vonnis op te geven.

2. Indien de verdachte geen schriftuur houdende grieven heeft ingediend noch mondeling bezwaren tegen het vonnis opgeeft, kan het door de verdachte ingestelde hoger beroep zonder onderzoek van de zaak zelf niet-ontvankelijk worden verklaard."

2.5. Gelet op de tekst van de bijsluiter die aan de verdachte is uitgereikt en aan diens raadsman is toegezonden, is de beslissing van het Hof om de verdachte mede op grond van de omstandigheid dat hij ter terechtzitting niet mondeling zijn bezwaren tegen het vonnis heeft opgegeven, niet-ontvankelijk te verklaren in zijn hoger beroep, niet toereikend gemotiveerd. Die bijsluiter kan immers bezwaarlijk anders worden verstaan dan als inhoudende de mededeling dat de strafzaak in ieder geval op een latere terechtzitting verder - en dan voor de eerste maal inhoudelijk - zou worden behandeld, zodat de verdachte dan alsnog op de voet van art. 416, eerste lid, Sv de gelegenheid zou hebben zijn bezwaren tegen het vonnis op te geven.

Het middel is terecht voorgesteld.

3. Slotsom

Hetgeen hiervoor is overwogen brengt mee dat de bestreden uitspraak niet in stand kan blijven, het tweede middel geen bespreking meer behoeft en als volgt moet worden beslist.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de bestreden uitspraak;

wijst de zaak terug naar het Gerechtshof te Amsterdam, opdat de zaak opnieuw wordt berecht en afgedaan.

Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren J. de Hullu en W.F. Groos, in bijzijn van de waarnemend griffier L.J.J. Okker-Braber, en uitgesproken op 25 mei 2010.