Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2010:BL5450

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
23-04-2010
Datum publicatie
23-04-2010
Zaaknummer
09/01267
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2010:BL5450
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Procesrecht; overname vordering door curator; verlies van hoedanigheid van procespartij; niet-ontvankelijkheid van cassatieberoep.

Wetsverwijzingen
Faillissementswet 27
Faillissementswet 25
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 332
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 398
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJ 2010, 245
RvdW 2010, 564
NJB 2010, 1025
JWB 2010/165
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

23 april 2010

Eerste Kamer

09/01267

EE

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

[Eiser],

wonende te [woonplaats],

EISER tot cassatie,

advocaat: mr. P. Garretsen,

t e g e n

[Verweerster],

gevestigd te [vestigingsplaats],

VERWEERSTER in cassatie,

advocaat: mr. J. van Duijvendijk-Brand.

Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als [eiser] en [verweerster].

1. Het geding in feitelijke instanties

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:

a. de vonnissen in de zaak 233058\CV EXPL 01-1944 van de kantonrechter te 's-Gravenhage, locatie Gouda, van 25 juli 2002, 2 oktober 2003, 12 augustus 2004, 2 december 2004, 20 januari 2005 en 5 oktober 2006,

b. het arrest in de zaak 105.006.066/01 van het gerechtshof te 's-Gravenhage van 16 september 2008.

Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen het arrest van het hof heeft [eiser] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

[Verweerster] heeft primair geconcludeerd tot niet-ontvankelijkheid van het beroep en subsidiair tot verwerping daarvan.

De conclusie van de Advocaat-Generaal L. Strikwerda strekt tot niet-ontvankelijkheid verklaring van het beroep.

3. Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep

3.1 De vordering van [eiser] strekt tot betaling van schadevergoeding en smartengeld wegens letselschade die [eiser] stelt te hebben geleden in de uitoefening van zijn werkzaamheden voor [verweerster]. [Eiser] is op 2 juni 2003, hangende de procedure bij de rechtbank, in staat van faillissement verklaard. De curator heeft ingevolge art. 27 lid 3 F. met toestemming van de rechter-commissaris de procedure overgenomen. Nadat bij tussenvonnis van 5 oktober 2006 door de rechtbank hoger beroep was opengesteld, heeft [verweerster] de curator gedagvaard voor het hof en hoger beroep aangezegd van de door de rechtbank gewezen tussenvonnissen. Het hof heeft deze tussenvonnissen vernietigd en de door [eiser] ingestelde vordering afgewezen.

3.2 Uit hetgeen hiervoor in 3.1 is overwogen blijkt dat de curator de vordering van [eiser] heeft overgenomen, waardoor deze buiten het geding is komen te staan en geen procespartij meer is. Het arrest van het hof, waartegen [eiser] beroep in cassatie heeft ingesteld, is (dan ook) gewezen tussen [verweerster] en de curator. De bevoegdheid om van dit arrest beroep in cassatie in te stellen komt alleen toe aan deze partijen. [Eiser] kan daarom niet worden ontvangen in zijn beroep.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

verklaart [eiser] niet-ontvankelijk in zijn beroep;

veroordeelt [eiser] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [verweerster] begroot op € 358,38 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris.

Dit arrest is gewezen door de raadsheren A. Hammerstein, als voorzitter, F.B. Bakels en W.D.H. Asser, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer A. Hammerstein op 23 april 2010.