Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2010:BL4078

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
07-05-2010
Datum publicatie
07-05-2010
Zaaknummer
09/01594
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2010:BL4078
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Familierecht. Verrekenbeding. Verrekening overgespaarde inkomsten. Motivering. Afrekening i.v.m. toedeling echtelijke woning. Indirect belang in dochtervennootschap van andere dochtervennootschap van B.V. van een der echtgenoten niet zelfstandig tot vermogen van die echtgenoot te rekenen. Miskenning grenzen rechtsstrijd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2010, 622
NJB 2010, 1074
JWB 2010/188
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

7 mei 2010

Eerste Kamer

09/01594

EE

Hoge Raad der Nederlanden

Beschikking

in de zaak van:

[De man],

wonende te [woonplaats],

VERZOEKER tot cassatie,

advocaat: mr. J. van Duijvendijk-Brand,

t e g e n

[De vrouw],

wonende te [woonplaats],

VERWEERSTER in cassatie,

advocaten: mr. E. Grabandt en mr. L. van den Eshof.

Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als de man en de vrouw.

1. Het geding in feitelijke instanties

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:

a. de beschikking in de zaak 93456/ES RK 07-208 van de rechtbank Alkmaar van 12 april 2007,

b. de beschikkingen in de zaak 106.011.272/01 (rekestnummers 782/07 en R07/00782) van het gerechtshof te Amsterdam van 22 mei 2008 en 20 januari 2009.

De beschikkingen van het hof zijn aan deze beschikking gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen de beschikkingen van het hof heeft de man beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.

De vrouw heeft verzocht het beroep te verwerpen.

De conclusie van de Advocaat-Generaal F.F. Langemeijer strekt tot vernietiging van de bestreden beschikkingen en tot afdoening van de zaak als weergegeven in alinea 2.40 van de conclusie.

De advocaat van de man heeft bij brief van 5 maart 2010 op de conclusie gereageerd.

3. Beoordeling van het middel

3.1 In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

(i) De man en de vrouw zijn op 5 februari 1981 met elkaar gehuwd buiten iedere gemeenschap van goederen.

Bij notariële akte van 4 februari 1981, houdende huwelijkse voorwaarden, zijn partijen (onder meer) een periodiek verrekenbeding overeengekomen met de volgende inhoud:

"Artikel 5:

1. Zolang de echtgenoten een gemeenschappelijke huishouding voeren, zullen zij na afloop van elk jaar berekenen hetgeen van hun inkomsten in dat jaar, zo uit arbeid als uit vermogen, na betaling der in het vorige artikel genoemde kosten der huishouding en belastingschulden, onverteerd is gebleven.

Vervolgens zal de echtgenoot die blijkens de berekening het grootste restant heeft, zodanige uitkering aan de andere echtgenoot verplicht zijn te doen, dat beide echtgenoten ieder de helft bezitten van het in dat jaar totaal onverteerd geblevene.

(...)".

Dit periodiek verrekenbeding is tijdens het huwelijk niet nagekomen.

(ii) De echtelijke woning was gemeenschappelijk eigendom van partijen.

(iii) In september 1998 heeft de man de echtelijke woning definitief verlaten.

(iv) Het huwelijk is op 11 december 2006 ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking van 31 augustus 2006 in de registers van de burgerlijke stand.

3.2 Het gaat in cassatie in de eerste plaats nog om de verrekening tussen partijen van de overgespaarde inkomsten ingevolge het verrekenbeding (middelonderdelen B en C). Daarnaast staat de afrekening in verband met de toedeling van de echtelijke woning aan de vrouw ter discussie (onderdeel D). Onderdeel A bevat geen klachten.

Verrekening ingevolge het verrekenbeding

3.3 Met betrekking tot de verrekening van overgespaarde inkomsten heeft de vrouw in eerste aanleg een rapport van makelaar/taxateur [betrokkene 1] overgelegd (hierna: het rapport-[A]), op grond waarvan zij stelde dat het bij het einde van het huwelijk aanwezige vermogen van de man als volgt was samengesteld:

- aandelen in [B] B.V. met een waarde van € 6.466.884,--;

- aandelen in [C] B.V. met een waarde van € 9.151.215,--;

- aandelen in [D] B.V. met een waarde van € 15.996,--;

- aandelen in [E] B.V. met een waarde van € 213.307,-- negatief.

De vrouw becijferde aan de hand hiervan dat de man ter zake van verrekening - na aftrek van een door de vrouw aan hem verschuldigd bedrag wegens overbedeling ter zake van toedeling aan haar van gemeenschappelijke goederen - in totaal € 7.577.397,-- aan de vrouw was verschuldigd.

De rechtbank heeft dat bedrag toegewezen, omdat de man niet heeft gereageerd op de door de vrouw met stukken onderbouwde berekeningen.

3.4.1 Op het hoger beroep van de man heeft het hof in zijn tussenbeschikking geoordeeld:

(i) dat de peildatum voor verrekening op grond van de huwelijkse voorwaarden niet de datum van het echtscheidingsverzoek is (28 november 2005), maar de datum waarop de samenwoning van partijen is beëindigd, derhalve 1 september 1998 (rov. 4.2),

(ii)dat de waarde van de aandelen in [C] B.V. en in [B] B.V. niet voor verrekening in aanmerking komt, omdat deze aandelen pas na de peildatum door de man zijn verkregen uit een erfenis van zijn vader (rov. 4.3.1), en

(iii) dat de waarde van twee lijfrentepolissen (bij AXA en bij OHRA) wel voor verrekening in aanmerking komt (rov. 4.6).

Deze oordelen zijn in cassatie niet bestreden.

3.4.2 Voorts overwoog het hof:

(iv) dat het nadere inlichtingen wenst met betrekking tot de vennootschappen [E] B.V. en [D] B.V., alsmede met betrekking tot een aan de man toebehorend transportbedrijf en de financiële situatie van de man in privé; het hof heeft de man opgedragen bepaalde, in zijn tussenbeschikking omschreven, stukken over te leggen (rov. 4.3.2).

3.4.3 In rov. 3.1 van zijn eindbeschikking constateert het hof:

(v) dat volgens een door de man bij brief van 26 juni 2008 overgelegd schematisch overzicht van de vennootschapsstructuur op de vastgestelde peildatum, [E] B.V. voor 50% deelneemt in [F] B.V. en dat laatstgenoemde vennootschap houdster is van de aandelen in vier dochtervennootschappen (waaronder [D] B.V.), en dat [F] B.V. en haar dochtervennootschappen volgens de man in 2002 failliet zijn gegaan;

(vi) dat de vrouw bij brief van 30 juli 2008 daarop heeft gereageerd met de stelling dat de man niet aan zijn informatieplicht heeft voldaan omdat verschillende stukken ontbreken, en dat het te verrekenen vermogen op de peildatum minimaal € 3 miljoen moet hebben bedragen.

3.4.4 Vervolgens oordeelt het hof in rov. 3.2 van zijn eindbeschikking als volgt:

(vii) op grond van art. 1:141 lid 3 BW moet in beginsel, behoudens tegenbewijs, ervan worden uitgegaan dat het bij het einde van het huwelijk aanwezige vermogen is gevormd uit hetgeen verrekend had moeten worden;

(viii) de man heeft niet volledig voldaan aan zijn verplichting de in de tussenbeschikking gevraagde stukken over 1997 en 1998 over te leggen; hij heeft onvoldoende stukken overgelegd op grond waarvan het te verrekenen vermogen op 1 september 1998 vastgesteld kan worden;

(ix) de mogelijkheid bestaat een deskundige te benoemen, maar dat is niet opportuun omdat de jaarstukken blijken te ontbreken en vijf van de betrokken vennootschappen sinds 2002 zijn geliquideerd,

(x) de man heeft gesteld dat de jaarstukken zijn vernietigd vanwege het verstrijken van de wettelijke bewaartermijn, maar zulks komt voor rekening en risico van de man nu hij sinds 2002 zich had kunnen en moeten realiseren dat die stukken van belang zouden kunnen zijn voor de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden in verband met de ophanden zijnde echtscheiding,

(xi) de stelling van de vrouw dat tijdens het huwelijk niet is verrekend en dat het kapitaal in de desbetreffende vennootschappen geacht moet worden uit overgespaarde inkomsten te zijn gefinancierd, is door de man derhalve onvoldoende onderbouwd weersproken;

(xii) het hof zal dan ook de stelling van de vrouw dat het te verrekenen vermogen per 1 september 1998 moet worden gewaardeerd op € 3 miljoen als uitgangspunt nemen, nu de man hier niets, althans onvoldoende tegenover heeft gesteld.

3.5 De oordelen van het hof zoals hiervoor onder (xi) en (xii) weergegeven, komen hierop neer dat het hof, als onvoldoende door de man weersproken, de stelling van de vrouw heeft aanvaard dat "het kapitaal in de desbetreffende vennootschappen" is gefinancierd uit overgespaarde inkomsten, en dat "dan ook" het te verrekenen vermogen (waarmee kennelijk is gedoeld op het kapitaal in die vennootschappen) per 1 september 1998 moet worden gewaardeerd op € 3 miljoen nu de man de daartoe strekkende stelling van de vrouw evenmin (voldoende) heeft weersproken.

Met "de desbetreffende vennootschappen" heeft het hof, gelet op de onder (ii) en (iv) weergegeven overwegingen, kennelijk het oog op [E] B.V. en [D] B.V.

3.6.1 De klachten van onderdeel C2 (onder 2.4 - 2.5.2) lenen zich voor een gezamenlijke behandeling. Zij komen erop neer dat het oordeel van het hof in rov. 3.2 van de eindbeschikking dat het te verrekenen vermogen (derhalve het kapitaal in [E] B.V. en [D] B.V.) moet worden gewaardeerd op € 3 miljoen onbegrijpelijk is, enerzijds omdat de vrouw onvoldoende feiten heeft gesteld waaruit de hoogte van dit bedrag kan volgen, en anderzijds omdat de man de door de vrouw aangevoerde stellingen gemotiveerd heeft betwist onder meer met gegevens over het vermogen van de vennootschappen waarin hij direct of indirect heeft deelgenomen, waaruit blijkt dat het bedrag van € 3 miljoen niet juist kan zijn.

3.6.2 De vrouw heeft, zowel in eerste aanleg als (aanvankelijk) in hoger beroep, ter zake van de waarde van de aandelen in [E] B.V. en [D] B.V. steeds de waarden zoals blijkend uit het door haar in het geding gebrachte rapport-[A] tot uitgangspunt genomen. Dat rapport kwam op basis van (jaar)stukken van die vennootschappen uit op waarden van respectievelijk € 213.307,-- negatief en € 15.996,-- (zie hiervoor in 3.3). Pas in de brief van haar raadsman aan het hof van 30 juli 2008 heeft de vrouw voor het eerst haar schatting van het te verrekenen vermogen op € 3 miljoen naar voren gebracht, en deze schatting is in die brief zonder verdere toelichting slechts aldus onderbouwd: "Mede gelet op de geldstromen zoals die blijken uit de kopieën van de bankafschriften van de en/of-rekening van partijen bij de ABN AMRO Bank, concludeert cliënte dat het vermogen per peildatum minimaal € 3.000.000,-- moet hebben bedragen."

3.6.3 De advocaat van de man heeft bij brief van 26 juni 2008, tezamen met een aangifte en een aanslag (uitspraak op bezwaarschrift) Inkomstenbelasting/Vermogensbelasting 1998, een van die aangifte deel uitmakend overzicht in het geding gebracht van het vermogen van de man per einde 1998. Dat overzicht houdt in dat de man toen een aanmerkelijk belang had in [E] B.V. dat werd gewaardeerd op ƒ 16.716,-- en dat hij voor een bedrag van ƒ 260.459,-- aan vorderingen had. De man heeft voorts aangevoerd dat het 50% belang van [E] B.V. in [F] B.V. een negatieve waarde vertegenwoordigde en dat laatstgenoemde vennootschap en haar vier dochtervennootschappen in 2002 failliet zijn gegaan.

Met betrekking tot [G] B.V. wordt in de brief opgemerkt dat de gegevens van deze vennootschap waarschijnlijk niet van belang zijn voor de beoordeling van het geschil (omdat de man slechts een indirect belang in de vennootschap heeft), maar niettemin worden overgelegd. De man heeft bij de mondelinge behandeling van 2 oktober 2008 klaarblijkelijk de schatting van € 3 miljoen bestreden met de opmerking dat de door de vrouw bedoelde geldstromen vermogen suggereren dat er niet was, nu partijen leefden van de rente die hij van zijn ouders ontving en van de rente van het bedrijfje.

3.6.4 De gedingstukken laten geen andere conclusie toe dan dat de vrouw aanvankelijk op grond van het op jaarstukken berustende rapport-[A] de waarde van de twee door het hof in aanmerking genomen vennootschappen op een aanzienlijk geringer bedrag dan € 3 miljoen heeft gesteld, en vervolgens op basis van niet meer dan zeer summiere stellingen dit vermogen op een bedrag van € 3 miljoen heeft geschat, terwijl de man in elk geval aan de hand van de hiervoor in 3.6.3 vermelde bescheiden heeft betoogd dat dit vermogen niet bestond en bij de mondelinge behandeling daarin heeft volhard en aldus de schatting van de vrouw heeft betwist. In dit licht is het oordeel van het hof dat de man tegenover de schatting van de vrouw onvoldoende heeft gesteld, mede gelet op de uiterst summiere toelichting van de vrouw op haar van het rapport-[A] afwijkende schatting, onbegrijpelijk. De hierop gerichte klachten slagen.

3.7 Onderdeel B klaagt onder 1.1 terecht over het kennelijke oordeel van het hof dat de waarde van de aandelen in [D] B.V. voor verrekening in aanmerking komt.

Het hof heeft in zijn onder (v) weergegeven overweging vastgesteld dat die vennootschap volgens de stellingen van de man op de peildatum een dochtervennootschap was van [F] B.V., die op haar beurt een 50% dochtervennootschap was van de aan de man toebehorende [E] B.V. Indien het hof van oordeel was dat [D] B.V. op de peildatum tot het vermogen van de man behoorde, is dat oordeel dan ook zonder nadere motivering, die ontbreekt, onbegrijpelijk in het licht van de door het hof weergegeven stellingen van de man. Indien het hof van oordeel was dat een indirect belang in genoemde vennootschap zelfstandig tot het vermogen van de man moet worden gerekend (anders dan doordat de waarde van die indirecte deelneming van invloed kan zijn op de waardebepaling van de direct door de man gehouden aandelen in [E] B.V.), geeft dat oordeel blijk van een onjuiste rechtsopvatting.

3.8 Voor zover onderdeel B onder 2 en 2.1 op de veronderstelling berust dat het hof met zijn hiervoor onder (vii) weergegeven overweging over art. 1:143 lid 3 BW zou hebben miskend dat de peildatum in het onderhavige geval 1 september 1998 is, kan het bij gebrek aan feitelijke grondslag niet tot cassatie leiden.

3.9 De overige klachten van de onderdelen B en C behoeven geen behandeling.

Afrekening in verband met de toedeling van de echtelijke woning

3.10 Het hof heeft in rov. 4.5 van zijn tussenbeschikking vastgesteld dat de echtelijke woning gemeenschappelijk eigendom is en met geleend geld is gefinancierd. Het hof heeft de woning en de daarop rustende hypothecaire schulden toegescheiden aan de vrouw, en ten laste van de vrouw een vergoeding wegens overbedeling ten bedrage van € 86.933,50 gebracht. Deze beslissingen zijn in cassatie niet bestreden.

3.11 Daarnaast had de man verzocht om betaling van een bedrag van € 40.350,--, welk bedrag de vrouw aan hem verschuldigd is op grond van de leveringsakte. Het hof heeft dit verzoek afgewezen op de grond dat "een dergelijk verzoek niet voor het eerst in hoger beroep kan worden gedaan en overigens buiten deze procedure tot verrekening/toedeling valt" (rov. 4.5).

De hiertegen gerichte klachten van onderdeel D zijn gegrond.

De vrouw heeft het hier aan de orde zijnde verzoek tot toedeling van de echtelijke woning aanhangig gemaakt, en heeft zich daarbij zowel in eerste aanleg als in hoger beroep op het standpunt gesteld dat zij genoemd bedrag op grond van de akte tot levering van de echtelijke woning aan de man verschuldigd is, en dat dit bedrag te haren laste in de verdeling kan worden betrokken. De rechtbank heeft dienovereenkomstig het bedrag van € 40.350,-- ten laste van de vrouw in aanmerking genomen bij het saldo dat de man ter zake van verrekening en verdeling aan de vrouw diende te betalen. In hoger beroep heeft de man weliswaar bestreden dat hij ter zake van verrekening en verdeling enig bedrag aan de vrouw diende te voldoen, maar zich ten aanzien van de verdeling van de echtelijke woning aangesloten bij het standpunt van de vrouw dat zij hem (in ieder geval) nog een bedrag van € 40.350,-- verschuldigd was. Daartoe behoefde de man niet een zelfstandig tegenverzoek in te dienen. Door "het verzoek van de man tot betaling van € 40.350,--" af te wijzen, heeft het hof derhalve de grenzen van de rechtsstrijd miskend.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de beschikkingen van het gerechtshof te Amsterdam van 22 mei 2008 en van 20 januari 2009;

verwijst het geding naar het gerechtshof te 's-Gravenhage ter verdere behandeling en beslissing.

Deze beschikking is gegeven door de raadsheren O. de Savornin Lohman, als voorzitter, A. Hammerstein, J.C. van Oven, F.B. Bakels en C.A. Streefkerk, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer A. Hammerstein op 7 mei 2010.