Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2010:BL4055

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
13-04-2010
Datum publicatie
13-04-2010
Zaaknummer
08/01816
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2010:BL4055
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

1. Getuigenverzoek. 2. Omvang cassatieberoep. Ad 1. Proces-verbaal noch arrest houdt een beslissing in op het verzoek a.b.i. art. 328 jo. 331 en 415 Sv. Dit verzuim heeft ingevolge art. 330 Sv nietigheid tot gevolg. Ad 2. Het cassatieberoep is mede gericht tegen feit 3, een overtreding t.z.v. de WVW1994 en gesanctioneerd met € 250,-. In zoverre is verdachte n-o in het beroep.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2010, 551
NJB 2010, 924
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

13 april 2010

Strafkamer

nr. 08/01816

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Arnhem van 11 april 2008, nummer 21/001519-07, in de strafzaak tegen:

[Verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1982, ten tijde van de betekening van de aanzegging uit andere hoofde gedetineerd in de penitentiaire inrichting "Arnhem, locatie Arnhem-Zuid" te Arnhem.

1. Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. J.H.D. van Onna, advocaat te Arnhem, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Jörg heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van de verdachte in het beroep wat betreft de beslissingen ten aanzien van het onder 3 tenlastegelegde feit, tot vernietiging van de bestreden uitspraak wat betreft de beslissingen ter zake van het onder 2 tenlastegelegde feit en de strafoplegging en tot terugwijzing van de zaak naar het Hof teneinde in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan en tot verwerping van het beroep voor het overige.

2. Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep

Het Hof heeft de verdachte ter zake van feit 3, een overtreding (art. 107, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994), veroordeeld tot een geldboete van € 220,-, subsidiair 4 dagen hechtenis. In zoverre kan de verdachte, gelet op art. 427, tweede lid, Sv niet in zijn beroep in cassatie worden ontvangen.

3. Beoordeling van het middel

3.1. Het middel klaagt dat het Hof heeft verzuimd te beslissen op een verzoek van de verdediging om een getuige te (doen) horen met betrekking tot het onder 2 tenlastegelegde feit.

3.2. Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep houdt het volgende in:

"Cliënt heeft bekend de feiten 1 en 3 te hebben gepleegd. Wat betreft het onder 2 tenlastegelegde stelt cliënt zich op het standpunt dat dit feit niet wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard. Mocht uw hof de lezing van cliënt ten aanzien van feit 2 niet willen volgen, dan verzoekt de verdediging uw hof de behandeling van de zaak aan te houden en de broer van cliënt, [betrokkene 1], als getuige te doen horen."

3.3. Het Hof heeft met betrekking tot het onder 2 tenlastegelegde in de bestreden uitspraak het volgende overwogen:

"Overweging met betrekking tot het bewijs

Het hof is van oordeel dat het door de verdediging gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak van het onder 2 tenlastegelegde wordt weersproken door de gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen.

Het hof overweegt daarbij in het bijzonder het volgende.

Ter terechtzitting heeft de raadsvrouw een schriftelijke verklaring van verdachte aan het hof overgelegd. In die verklaring schrijft verdachte dat zijn broer de auto aan het beslag heeft onttrokken en dat hij daar niets mee te maken wilde hebben. Verdachte schrijft voorts dat hij met de trein of lopend weg wilde gaan, dat hij is weggelopen en dat hij later op aandringen van zijn broer alsnog in de auto is gestapt. Naar het oordeel van de raadsvrouw tast de schriftelijke verklaring van verdachte zowel het opzet als het medeplegen aan, nu er volgens haar geen sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking bij de onttrekking van de auto aan het beslag en verdachte eerst na voltooiing van dit feit in de auto is gestapt.

Het hof acht niet aannemelijk dat verdachte met de trein dan wel lopend weg wilde gaan, nu het feit is gepleegd te Heerde en zich in de wijde omgeving van die plaats geen treinstation bevindt. Het hof acht de verklaring die verdachte ten overstaan van de politie heeft afgelegd wel geloofwaardig. Bij de politie heeft verdachte verklaard dat hij wist dat de auto in beslag was genomen en dat hij bij zijn broer in de auto is gestapt, omdat hij geen zin had om van Heerde naar Arnhem te lopen. De stelling van de verdediging dat verdachte's broer de auto alleen aan het beslag heeft onttrokken en verdachte eerst na de voltooiing van dit misdrijf in de auto is gestapt, wordt voorts weersproken door de verklaring van een personeelslid van het bergingsbedrijf waar de auto na de inbeslagname is gestald. Deze getuige zag de auto met passagier wegrijden. Uit de bij de politie afgelegde verklaringen volgt dat verdachte de inbeslaggenomen auto in bewuste en nauwe samenwerking met zijn broer opzettelijk aan het beslag heeft onttrokken. Het hof verwerpt derhalve het verweer strekkende tot vrijspraak van het onder 2 tenlastegelegde feit."

3.4. Uit het vorenstaande volgt dat een verzoek is gedaan als bedoeld in art. 328 Sv in verbinding met art. 331 en art. 415 Sv om toepassing te geven aan art. 315 Sv, en dat de aan het verzoek verbonden voorwaarde is vervuld, zodat een uitdrukkelijke beslissing op dit verzoek was vereist. Noch het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep noch het bestreden arrest houdt een beslissing van het Hof in over het door de raadsvrouwe gedane verzoek. Dat verzuim heeft ingevolge art. 330 Sv in verbinding met art. 415 Sv nietigheid tot gevolg.

3.5. Het middel slaagt.

4. Slotsom

Nu de Hoge Raad geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, brengt hetgeen hiervoor is overwogen mee dat als volgt moet worden beslist.

5. Beslissing

De Hoge Raad:

verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het beroep, voor zover dat is gericht tegen de beslissingen ter zake van het onder 3 tenlastegelegde feit;

vernietigt de bestreden uitspraak wat betreft de beslissingen ter zake van het onder 2 tenlastegelegde feit en de straf die is opgelegd ten aanzien van de feiten 1 en 2, de beslissing op de vordering van de benadeelde partij en de beslissing tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde straf;

wijst de zaak terug naar het Gerechtshof te Arnhem, opdat de zaak in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.

verwerpt het beroep voor het overige;

Dit arrest is gewezen door de vice-president F.H. Koster als voorzitter, en de raadsheren W.M.E. Thomassen en M.A. Loth, in bijzijn van de griffier S.P. Bakker, en uitgesproken op 13 april 2010.