Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2010:BL1711

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
23-03-2010
Datum publicatie
24-03-2010
Zaaknummer
08/04445 J
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2010:BL1711
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Art. 51 WWM, controlebevoegdheid, onderzoek van vervoermiddel. ’s Hofs oordeel dat verdachte redelijkerwijs aanleiding a.b.i. art. 51.1 WWM bestond om de auto waarin verdachte zich bevond tot stilstand te brengen en te onderzoeken, is onjuist, noch onbegrijpelijk.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafvordering
Wetboek van Strafvordering 27
Wetboek van Strafvordering 141
Wet wapens en munitie
Wet wapens en munitie 15
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2010, 481
NJ 2010, 197
NJB 2010, 816
NBSTRAF 2010/161
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

23 maart 2010

Strafkamer

nr. 08/04445 J

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Arnhem, zitting houdende te Leeuwarden, van 7 oktober 2008, nummer 24/001244-08, in de strafzaak tegen:

[Verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1990, wonende te [woonplaats].

1. Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. J.H. Rump, advocaat te Zwolle, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Aben heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2. Beoordeling van het middel

2.1. Het middel klaagt over de verwerping van het beroep op de onrechtmatigheid van het door de politie ingestelde onderzoek.

2.2.1. Ten laste van verdachte is door het Hof bewezenverklaard dat:

"hij op 10 november 2007 in de gemeente Hardenberg wapens van categorie III, te weten één pistool, (merk Rohm, type RG 300, kaliber 6mm, serienummer [001]) en één pistool (merk Rohm, type RG 600, kaliber 6 mm, serienummer [002]) en munitie van categorie II, te weten 300 stuks vuurwerkcrackers (merk ABA), voorhanden heeft gehad."

2.2.2. Het Hof heeft met betrekking tot het in het middel bedoelde verweer het volgende overwogen:

"Ter terechtzitting van het hof is door de raadsman een bewijsuitsluitingsverweer gevoerd, waarvan de inhoud in grote lijnen gelijk is aan de overwegingen waarop de advocaat-generaal de door haar gevorderde vrijspraak heeft gebaseerd.

Het hof gaat bij de beoordeling van dit verweer uit van de navolgende feiten.

Verdachte - destijds 17 jaar oud - reed op zaterdag 10 november 2007, omstreeks 11.50 uur, als passagier van een personenauto met drie overige inzittenden van destijds 20, 22 en 23 jaar oud over de Duitslandweg te Hardenberg, komend uit de richting van de Duitse grens. Door middel van een stopteken van een niet als zodanig herkenbaar politievoertuig werd gevorderd dat de auto tot stilstand werd gebracht. De bestuurder voldeed daaraan. Toen een verbalisant één van de passagiers van de auto vervolgens aansprak, zag hij dat bij deze passagier een witte plastic tas zonder opdruk lag. Bij onderzoek van het voertuig werden in deze en andere witte plastic tassen onder meer vuurwerkpistolen en munitie aangetroffen.

Artikel 51, eerste lid, van de Wet wapens en munitie bepaalt onder meer dat - daartoe aangewezen - ambtenaren bevoegd zijn vervoermiddelen te onderzoeken indien daartoe redelijkerwijs aanleiding bestaat op grond van een gepleegd strafbaar feit, waarbij wapens zijn gebruikt of op grond van aanwijzingen dat een dergelijk strafbaar feit zal worden gepleegd. In het tweede lid van dit artikel wordt bepaald dat bedoelde bevoegdheid slechts kan worden uitgeoefend ten aanzien van bepaalde vervoermiddelen, indien daartoe jegens deze aanleiding bestaat.

Bij de beoordeling van de vraag of verbalisanten op rechtmatige wijze gebruik hebben gemaakt van de hun ingevolge genoemde bepaling gegeven bevoegdheden, heeft het hof acht geslagen op het (aanvullende) proces-verbaal van bevindingen, op 17 april 2008 op ambtseed opgemaakt door [verbalisant 1], brigadier Regiopolitie IJsselland, team Hardenberg. Daaruit komt onder meer naar voren dat bij voornoemd team reeds jarenlang bekend is dat jongeren veelvuldig groepsgewijs en - met name - op de zaterdagochtenden in de maanden november en december naar Duitsland reizen om aldaar vuurwerk te kopen voor de naderende jaarwisseling. Alsdan worden ook gaspistolen aangeschaft, bestemd voor het afschieten van zogenaamde vuurwerkcrackers. Het voorhanden hebben daarvan is in Nederland verboden op grond van de

Wet wapens en munitie. In Duitsland zijn dergelijke wapens evenwel vrij verkrijgbaar. Voorts is bij het team Hardenberg ambtshalve bekend dat deze goederen worden verpakt in witte plastic tassen zonder opdruk. Het team Hardenberg controleert daarom speciaal in de maanden november en december, op zaterdagen tot omstreeks 13.00 uur (de sluitingstijd van de Duitse winkels) op uit Duitsland komende Nederlandse auto's, waarvan de inzittenden tot de 'doelgroep' lijken te behoren. Verbalisant omschrijft deze "doelgroep" nog nader als: "jonge jongens die veelal gezamenlijk naar Duitsland reizen (...), daarbij gebruikmakend van passend autovervoer".

Het hof is van oordeel dat voor verbalisanten - gelet op hetgeen de ervaring over een ruime periode hun op dit vlak heeft geleerd - redelijkerwijs aanleiding bestond om de auto, waarin verdachte zich bevond, te onderzoeken, zoals bedoeld in artikel 51, tweede lid, van de Wet wapens en munitie. Immers, verdachte bevond zich op een zaterdagochtend in november met drie andere jongeren in een auto, die uit de richting van de Duitse grens kwam. Bovendien werd, nadat de auto tot stilstand was gekomen, door een verbalisant in de auto een witte plastic tas waargenomen, waarin - zoals bij het team ambtshalve bekend was - in Duitsland aangeschaft vuurwerk (dat in Nederland verboden is op grond van de Wet wapens en munitie) placht te worden verpakt. Alles afwegende acht het hof het optreden van verbalisanten rechtmatig. Dit brengt mee dat de als gevolg van dit optreden gevonden wapens en de bekennende verklaring van verdachte, welke hij overigens heeft bevestigd ter terechtzitting in eerste aanleg en ter terechtzitting van het hof, kunnen worden gebezigd voor het bewijs."

2.3. Art. 51 Wet wapens en munitie (hierna: WWM) luidt, voor zover van belang, als volgt:

"1. De bij of krachtens artikel 141 van het Wetboek van Strafvordering aangewezen ambtenaren zijn bevoegd vervoermiddelen te onderzoeken indien daartoe redelijkerwijs aanleiding bestaat op grond van:

a. een gepleegd strafbaar feit waarbij wapens zijn gebruikt;

b. een gepleegde overtreding van de artikelen 13, 26 of 27;

c. aanwijzingen dat een strafbaar feit als bedoeld onder a of b zal worden gepleegd.

2. De in het eerste lid bedoelde bevoegdheid kan slechts worden uitgeoefend ten aanzien van bepaalde vervoermiddelen, indien daartoe jegens deze aanleiding bestaat. De officier van justitie kan gelasten dat deze bevoegdheid tegenover elk vervoermiddel kan worden uitgeoefend.

(...)

4. De in het eerste lid bedoelde ambtenaren kunnen van de bestuurders van voertuigen en van de schippers van vaartuigen daartoe vorderen dat deze de vervoermiddelen tot stilstand brengen, deze vervoermiddelen naar een door hen aangewezen plaats overbrengen en overeenkomstig hun aanwijzingen terzake medewerking verlenen."

2.4. De memorie van toelichting bij het wetsvoorstel dat heeft geleid tot wijziging van onder meer art. 51 WWM, houdt ten aanzien van dit artikel zoals dat thans luidt, voor zover van belang, het volgende in:

"In de huidige situatie heeft een opsporingsambtenaar de bevoegdheid tot het onderzoeken van vervoermiddelen op de aanwezigheid van verboden wapens enkel indien daartoe redelijkerwijs aanleiding bestaat op grond van een gepleegd strafbaar feit waarbij wapens zijn gebruikt of op grond van aanwijzingen dat een dergelijk strafbaar feit zal worden gepleegd (artikel 51 WWM). Deze bevoegdheid kan slechts worden uitgeoefend ten aanzien van bepaalde vervoermiddelen, indien daartoe 'jegens deze aanleiding bestaat'. Het begrip 'aanleiding' is in de nota naar aanleiding van het eindverslag bij de Wet wapens en munitie als volgt uitgelegd:

'Het gaat te ver om te eisen dat er een concrete verdenking is dat de betrokken burger zich heeft schuldig gemaakt aan een strafbaar feit. De burger zou dan overheidsoptreden jegens hem zich slechts hoeven te laten welgevallen indien hij overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafvordering als verdachte kan worden aangemerkt. Het is echter nodig om in bepaalde omstandigheden een bevoegdheid jegens een groep van personen te kunnen uitoefenen, zonder dat al een bepaalde persoon als verdachte aanwijsbaar is. In het wetsontwerp is deze groep niet gekenmerkt door een bepaalde functie. (...) Voor de controlebevoegdheid (...) is vereist dat er een bijzondere aanleiding bestaat om de controlebevoegdheid uit te oefenen. Er moet dus een concreet aanwijsbare aanleiding zijn om te veronderstellen dat de wet wordt of dreigt te worden overtreden. Zulk een aanleiding kan bij voorbeeld zijn een zojuist gepleegde gewapende overval of een serieus te nemen aanwijzing dat deze zal worden gepleegd. Het moge duidelijk zijn dat de bevoegdheid (...) niet kan worden gebruikt met het doel om vast te stellen dat de wet goed wordt nageleefd. Er moet steeds een concrete aanwijzing zijn van wapengebruik of de dreiging daartoe, die de aanleiding vormt tot gebruikmaking van de bevoegdheid.'

De gevallen waarin opsporingsambtenaren onderzoek kunnen verrichten aan vervoermiddelen op illegaal wapenbezit zijn in de bestaande wet tot uitzonderlijke situaties beperkt, te weten een directe relatie met een misdrijf waarbij wapens worden gebruikt. De aanleiding kan derhalve niet liggen in bijvoorbeeld concrete aanwijzingen dat sprake is van overtreding van de Wet wapens en munitie door het dragen of voorhanden hebben van een wapen. Met dit wetsvoorstel wordt beoogd dat wel mogelijk te maken. Een effectiever optreden vereist dat niet moet behoeven te worden gewacht totdat wapens zijn gebruikt of dreigen te worden gebruikt.

5.2.2. Aard van de verdenking

De directe relatie met een misdrijf waarbij wapens zijn of dreigen te worden gebruikt komt met het onderhavige wetsvoorstel te vervallen. Maar de noodzaak van een concrete aanleiding, en daarmee het strafvorderlijke karakter, blijft. Er wordt dus geen algemene controlebevoegdheid geschapen, zoals de bepaling van artikel 5:19 van de Algemene wet bestuursrecht."

(Kamerstukken II, 1999-2000, 26 865, nr. 5, p. 7 en 8)

2.5. Vooropgesteld moet worden dat op grond van art. 51, eerste lid, WWM de bij of krachtens art. 141 Sv aangewezen ambtenaren bevoegd zijn vervoermiddelen te onderzoeken indien daartoe "redelijkerwijs aanleiding bestaat" op de in het eerste lid onder a, b, en/of c genoemde gronden. Zij kunnen daartoe op basis van art. 51, vierde lid, WWM vorderen dat de bestuurders van voertuigen ten aanzien waarvan bedoelde aanleiding tot het doen van onderzoek bestaat, deze voertuigen tot stilstand brengen. Gelet op de hiervoor weergegeven wetsgeschiedenis is voor het aanwenden van deze bevoegdheid vereist dat een concreet aanwijsbare aanleiding bestaat om te veronderstellen dat de WWM wordt overtreden of dreigt te worden overtreden.

2.6. In het licht van hetgeen het Hof heeft vastgesteld met betrekking tot de jarenlange ervaring van de regiopolitie IJsselland, team Hardenberg, ten aanzien van jongeren die in de maanden november en december op zaterdagochtend gezamenlijk in passend autovervoer op en neer naar Duitsland reizen en die daar gekocht materiaal, dat in Nederland op grond van de WWM verboden is, met zich voeren, en gelet op 's Hofs vaststelling dat de verdachte met zijn reisgezelschap paste in dit beeld, geeft het oordeel van het Hof dat redelijkerwijs aanleiding bestond om de auto waarin de verdachte zich bevond tot stilstand te brengen en te onderzoeken, geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting, terwijl het evenmin onbegrijpelijk is.

2.7. Het middel faalt.

3. Ambtshalve beoordeling van de bestreden uitspraak

Op de verdachte is het strafrecht voor jeugdigen toegepast. De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan zestien maanden zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM is overschreden. Gelet op de aan de verdachte opgelegde taakstraf in de vorm van een werkstraf van twintig uren, subsidiair tien dagen jeugddetentie, en de mate waarin de redelijke termijn is overschreden, is er geen aanleiding om aan het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden enig rechtsgevolg te verbinden en zal de Hoge Raad met dat oordeel volstaan.

4. Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren J. de Hullu en C.H.W.M. Sterk, in bijzijn van de waarnemend griffier L.J.J. Okker-Braber, en uitgesproken op 23 maart 2010.