Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2010:BL1455

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
30-03-2010
Datum publicatie
31-03-2010
Zaaknummer
08/00616
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2010:BL1455
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Art. 197 Sr. Ongewenste vreemdeling. Het uitgangspunt dat voor strafbaarheid ter zake van art. 197 Sr is vereist dat verdachte ttv. de tlg gedraging tot ongewenst vreemdeling was verklaard en dat die ongewenstverklaring toen niet was ingetrokken of vervallen, is juist. Het middel miskent echter dat dat uitgangspunt uitdrukking heeft gevonden / is verwoord in het in art. 197 Sr geformuleerde vereiste ‘terwijl hij weet of ernstige reden heeft te vermoeden, dat hij o.g.v. een wettelijk voorschrift tot ongewenste vreemdeling is verklaard’.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht
Wetboek van Strafrecht 197
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2010, 484
NJ 2010, 200
NJB 2010, 877
NBSTRAF 2010/167
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

30 maart 2010

Strafkamer

nr. 08/00616

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 8 november 2007, nummer 20/004765-06, in de strafzaak tegen:

[Verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1975, ten tijde van de betekening van de aanzegging zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande.

1. Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. J.S. Nan, advocaat te Dordrecht, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Hofstee heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest doch uitsluitend wat betreft de strafoplegging, tot vermindering daarvan en tot verwerping van het beroep voor het overige.

2. Beoordeling van het middel

2.1. Het middel bevat de klacht dat het Hof ten onrechte heeft geoordeeld dat het bewezenverklaarde het strafbare feit zoals omschreven in art. 197 Sr oplevert, nu daarin het bestanddeel ontbreekt dat de vreemdeling op het in de tenlastelegging vermelde tijdstip nog steeds ongewenst vreemdeling was.

2.2. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:

"hij op 18 januari 2005 te Eindhoven als vreemdeling heeft verbleven, terwijl hij wist dat hij op grond van art. 21 van de Vreemdelingenwet (oud) tot ongewenst vreemdeling was verklaard."

2.3. De tenlastelegging is toegesneden op art. 197 Sr. Die bepaling luidt:

"Een vreemdeling die in Nederland verblijft, terwijl hij weet of ernstige reden heeft te vermoeden, dat hij op grond van een wettelijk voorschrift tot ongewenste vreemdeling is verklaard, wordt gestraft met een gevangenisstraf van ten hoogste zes maanden of een geldboete van de derde categorie."

2.4. Het middel neemt terecht tot uitgangspunt dat voor strafbaarheid ter zake van art. 197 Sr is vereist dat de verdachte ten tijde van de tenlastegelegde gedraging tot ongewenst vreemdeling was verklaard en dat die ongewenstverklaring toen niet was ingetrokken of vervallen. Het middel miskent echter dat dat uitgangspunt uitdrukking heeft gevonden in het in art. 197 Sr geformuleerde vereiste "terwijl hij weet of ernstige reden heeft te vermoeden, dat hij op grond van een wettelijk voorschrift tot ongewenste vreemdeling is verklaard".

2.5. Het middel faalt.

3. Ambtshalve beoordeling van de bestreden uitspraak

De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de aan de verdachte opgelegde gevangenisstraf van vijf maanden.

4. Slotsom

Nu het middel niet tot cassatie kan leiden, terwijl de Hoge Raad geen andere dan de hiervoor onder 3 genoemde grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, brengt hetgeen hiervoor is overwogen mee dat als volgt moet worden beslist.

5. Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf;

vermindert deze in die zin dat deze vier maanden en drie weken beloopt;

verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren J. de Hullu en H.A.G. Splinter-van Kan, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken op 30 maart 2010.