Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2010:BL0615

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
30-03-2010
Datum publicatie
31-03-2010
Zaaknummer
07/11278 P
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2010:BL0615
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Profijtontneming. Betekeningsperikelen. Hoge Raad herhaalt relevante overwegingen uit HR LJN AD5163 (rov. 3.20). Het vooropgestelde geldt dus ook indien de genoemde opgave van de GBA weliswaar een plaats in een ander land inhoudt doch niet (zoals i.c.) de nadere - voor betekening benodigde - adresgegevens. In aanmerking genomen dat het Hof niet heeft blijk gegeven te hebben onderzocht of bij de desbetreffende gemeente navraag is gedaan of de betrokkene bij zijn vertrek de voor de uitreiking van gerechtelijke mededelingen benodigde adresgegevens heeft opgegeven en of die gegevens zijn geadministreerd, is ‘s Hofs oordeel dat de oproeping in eerste aanleg rechtsgeldig is betekend, ontoereikend gemotiveerd.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafvordering
Wetboek van Strafvordering 588
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2010, 493
NJB 2010, 871
NBSTRAF 2010/165
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

30 maart 2010

Strafkamer

nr. 07/11278 P

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam van 6 april 2007, nummer 23/000526-07, op een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel ten laste van:

[Betrokkene], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1958, ten tijde van de betekening van de aanzegging zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande.

1. Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de betrokkene. Namens deze heeft mr. J. Kuijper, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Jörg heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak naar het Gerechtshof te Amsterdam teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.

2. Beoordeling van het eerste middel

2.1. Het middel komt op tegen het oordeel van het Hof dat de oproeping in eerste aanleg rechtsgeldig is betekend.

2.2.1. Tot de stukken van het geding behoren onder meer:

(i) een akte van uitreiking - behorende bij de oproeping voor de terechtzitting van de Rechtbank van 3 november 2005 - inhoudende dat die oproeping op 13 oktober 2005 als gewone brief is verzonden naar het adres van de verdachte

"[adres]";

(ii) een aan die akte van uitreiking gehecht "GBA-overzicht" van 13 oktober 2005, onder meer inhoudende:

"Niet gedetineerd

Huidig GBA-adres

Vanaf: 20-5-2005

Adres: [a-straat]

Land: Canada".

2.2.2. Het vonnis van de Rechtbank van 3 november 2005 houdt in dat de betrokkene bij verstek is berecht en dat hij "zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland" is.

2.3. Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep houdt het volgende in:

"De raadsman voert aan dat de inleidende dagvaarding nietig is, nu deze dagvaarding niet is betekend aan het door de verdachte aan de politie opgegeven verblijfsadres aan de [b-straat 1] te [plaats].

De voorzitter deelt mede dat de inleidende dagvaarding op 13 oktober 2005 is betekend aan het adres [c-straat], het adres waar de verdachte volgens het GBA-overzicht stond ingeschreven.

De raadsman deelt mede dat de verdachte bij de politie als verblijfadres steeds het adres [b-straat 1] te [plaats] heeft opgegeven.

De voorzitter merkt op dat het juist is dat de verdachte bij de politie steeds als verblijfadres [b-straat 1] te [plaats] heeft opgegeven maar dat hij ten tijde van de uitreiking van de inleidende dagvaarding naar Canada was vertrokken.

De advocaat-generaal merkt op dat door het vertrek van de verdachte naar Canada genoemd adres aan de [b-straat] niet meer relevant is als betekeningsadres als bedoeld in artikel 588a van het Wetboek van Strafvordering.

De raadsman merkt op dat de verdachte steeds heeft verklaard dat genoemd adres zijn verblijfsadres was.

Na beraad in raadkamer deelt de voorzitter als beslissing van het hof mede dat het verweer wordt verworpen. Niet blijkt dat verdachte bij de politie voormeld adres heeft opgegeven als het adres waaraan mededelingen over de ontnemingszaak konden worden toegezonden als bedoeld in artikel 588a van het Wetboek van Strafvordering. Bovendien woonde verdachte ten tijde van de uitreiking van de inleidende dagvaarding in Canada. Het verweer wordt verworpen."

2.4. Wanneer volgens opgave van de GBA de betrokkene naar een ander land is vertrokken, mag eerst dan worden aangenomen dat zijn woon- of verblijfplaats in het buitenland niet bekend is indien bij de desbetreffende gemeente - zonder resultaat - navraag is gedaan of de betrokkene bij zijn vertrek de voor de uitreiking van gerechtelijke mededelingen benodigde adresgegevens heeft opgegeven en of die gegevens zijn geadministreerd (vgl. HR 12 maart 2002, LJN AD5163, NJ 2002, 317 rov. 3.20).

2.5. Het vorenstaande onder 2.4 geldt dus ook indien de genoemde opgave van de GBA weliswaar een plaats in een ander land inhoudt doch niet de nadere - voor betekening benodigde - adresgegevens.

Het Hof heeft geoordeeld dat het adres "[adres]" niet als woon- of verblijfplaats van de betrokkene in het buitenland kan worden aangemerkt omdat "nadere gegevens van een adres in Canada ontbreken in het dossier". Het Hof had evenwel alleen tot dat oordeel kunnen komen indien de hiervoor bedoelde navraag was gedaan en zonder resultaat was gebleven.

In aanmerking genomen dat het Hof niet heeft blijk gegeven te hebben onderzocht of deze navraag is gedaan, is 's Hofs oordeel dat de oproeping om ter terechtzitting van de Rechtbank van 3 november 2005 te verschijnen rechtsgeldig is betekend, ontoereikend gemotiveerd. Voor zover het middel daarover klaagt, is het terecht voorgesteld.

3. Slotsom

Hetgeen hiervoor is overwogen brengt mee dat de bestreden uitspraak niet in stand kan blijven, de middelen voor het overige geen bespreking behoeven en als volgt moet worden beslist.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de bestreden uitspraak;

wijst de zaak terug naar het Gerechtshof te Amsterdam, opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.

Dit arrest is gewezen door de vice-president F.H. Koster als voorzitter, en de raadsheren B.C. de Savornin Lohman en M.A. Loth, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.J. Verhoeven, en uitgesproken op 30 maart 2010.