Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2010:BL0193

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
09-07-2010
Datum publicatie
09-07-2010
Zaaknummer
08/05311
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2010:BL0193
In sprongcassatie op: ECLI:NL:RBSGR:2008:BG7399, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Art. 35b SW. Bedrijfsopvolgingsfaciliteit niet van toepassing op pensioen/stamrecht-BV

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RN 2010/82
PJ 2011/16
BNB 2010/286 met annotatie van J.C. VAN STRAATEN
FED 2010/93
V-N 2010/35.18 met annotatie van Redactie
Vp-bulletin 2010, 42
FutD 2010-1687 met annotatie van Fiscaal up to Date
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Nr. 08/05311

9 juli 2010

Arrest

gewezen op het beroep in cassatie van X te Z (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van de Rechtbank te 's-Gravenhage van 20 november 2008, nr. AWB 07/4897 SUCCR, betreffende een aanslag in het recht van successie.

1. Het geding in feitelijke instantie

Aan belanghebbende is ter zake van de verkrijging uit de nalatenschap van D, overleden in 2004, (hierna: erflater), een aanslag in het recht van successie opgelegd, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is verminderd.

De Rechtbank heeft het tegen die uitspraak ingestelde beroep ongegrond verklaard. De uitspraak van de Rechtbank is aan dit arrest gehecht.

2. Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.

De Advocaat-Generaal R.L.H. IJzerman heeft op 16 december 2009 geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep in cassatie.

Belanghebbende heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.

3. Beoordeling van de middelen

3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

3.1.1. Belanghebbende is een dochter van erflater. Zij is diens enige erfgename.

3.1.2. Erflater was tot zijn overlijden tezamen met zijn echtgenote voor 50 percent aandeelhouder van F Beheer B.V. (hierna: Beheer BV).

3.1.3. Ten tijde van het overlijden van erflater bestonden de bezittingen van Beheer BV onder meer uit een bedrijfspand dat werd verhuurd aan een gelieerde vennootschap (geen deelneming van Beheer BV) waarin een installatiebedrijf werd uitgeoefend (hierna: de werkmaatschappij). Beheer BV is tevens bestuurder van de werkmaatschappij. Tot de schulden van Beheer BV behoorden destijds onder meer een pensioenverplichting en een stamrechtverplichting.

3.2. Het geschil betreft de vraag of, en zo ja in hoeverre, belanghebbende ter zake van de verkrijging van aandelen in Beheer BV een beroep toekomt op de faciliteit voor bedrijfsopvolging die is neergelegd in artikel 35b van de Successiewet 1956 (hierna: SW).

3.3.3. De Rechtbank heeft geoordeeld dat deze faciliteit (hierna: de faciliteit) in dit geval niet kan worden toegepast. Hiertoe heeft de Rechtbank in de eerste plaats redengevend geacht dat Beheer BV voor wat betreft haar pensioen- en stamrechtverplichtingen geen onderneming drijft. Verder heeft de Rechtbank daartoe geoordeeld dat noch de verhuur van het pand door Beheer BV aan de werkmaatschappij, noch de bestuursactiviteiten van Beheer BV uitgaan boven normaal vermogensbeheer. Met dat laatste heeft de Rechtbank kennelijk tot uitdrukking willen brengen dat Beheer BV ook in zoverre geen onderneming drijft.

3.4. De middelen klagen er, blijkens hun toelichting, onder meer over dat de Rechtbank heeft verzuimd vast te stellen of de feitelijke werkzaamheid van Beheer BV bestaat in het, onmiddellijk of middellijk, beleggen van vermogen of daarmee overeenkomende werkzaamheid, dat wil zeggen of Beheer BV de zogenoemde activiteitentoets van artikel 35b, lid 2, SW doorstaat.

3.5.1. De Rechtbank heeft de activiteitentoets inderdaad niet toegepast. Daartoe behoefde zij echter niet over te gaan indien Beheer BV niet beschikt over ondernemingsvermogen als bedoeld in artikel 35b, lid 3, SW, en er derhalve reeds op die grond geen plaats is voor toepassing van de faciliteit. Daarbij verdient opmerking dat het bepaalde in artikel 7a van de Uitvoeringsregeling Successiewet 1956 in het licht van de toelichting daarbij (Stcrt. 2001, 250, blz. 24) niet van toepassing is indien de vennootschap niet over ondernemingsvermogen beschikt, waardoor een uitsplitsing tussen ondernemingsvermogen en overig vermogen niet aan de orde is.

3.5.2. Het komt er derhalve op aan of de Rechtbank mocht oordelen - zoals zij kennelijk gedaan heeft - dat Beheer BV niet over ondernemingsvermogen beschikt.

3.5.3. Voor zover de middelen zich tegen dat oordeel richten, moet worden vooropgesteld dat het bij het begrip ondernemingsvermogen in artikel 35b, lid 3, SW gaat om vermogen dat behoort bij een onderneming in materiële zin, zodat de ondernemingsficties van artikel 4 van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 hier niet van toepassing zijn. Hantering van een materieel ondernemingsbegrip sluit aan bij de strekking van de faciliteit, zoals omschreven in de wetsgeschiedenis vermeld in onderdeel 4.7 van de conclusie van de Advocaat-Generaal. Daarmee wordt zoveel mogelijk een uniforme behandeling bereikt van enerzijds gevallen waarin het vermogen aan een besloten vennootschap toebehoort, en anderzijds gevallen waarin het vermogen toebehoorde aan de erflater zelf.

3.5.4. Het oordeel van de Rechtbank dat Beheer BV voor wat betreft haar pensioen- en stamrechtverplichtingen geen onderneming drijft, geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en kan voor het overige, als verweven met waarderingen van feitelijke aard, in cassatie niet op juistheid worden onderzocht. Hetzelfde geldt voor het oordeel van de Rechtbank ten aanzien van de verhuur van het pand door Beheer BV aan de werkmaatschappij, en de bestuursactiviteiten van Beheer BV.

3.5.5. De Rechtbank is met inachtneming van haar in 3.5.4 bedoelde oordelen, en kennelijk op grond van een beoordeling van het geheel van activiteiten van Beheer BV, tot het oordeel gekomen dat deze BV niet over ondernemingsvermogen beschikt. Ook dit oordeel geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en kan voor het overige, als verweven met waarderingen van feitelijke aard, in cassatie niet op juistheid worden getoetst.

3.6. Het voorgaande brengt mee dat de middelen niet tot cassatie kunnen leiden.

4. Proceskosten

De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

5. Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.

Dit arrest is gewezen door de raadsheer C. Schaap als voorzitter, en de raadsheren, J.W.M. Tijnagel, A.H.T. Heisterkamp, M.W.C. Feteris en R.J. Koopman, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier A.I. Boussak-Leeksma, en in het openbaar uitgesproken op 9 juli 2010.