Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2010:BL0124

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
08-10-2010
Datum publicatie
08-10-2010
Zaaknummer
08/04644
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2010:BL0124
In cassatie op : ECLI:NL:GHSHE:2008:BG5739, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Vennootschapsbelasting; artikel 15 Vpb, toepassing zestiende standaardvoorwaarde; bedrijfsfusie binnen fiscale eenheid. Kan belanghebbende zich op de EG-Fusierichtlijn beroepen ter afwering van de sanctie van de zestiende standaardvoorwaarde?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
BNB 2011/17 met annotatie van R.J. DE VRIES
FED 2010/118
Belastingadvies 2010/22.8
V-N 2010/52.18 met annotatie van Redactie
FutD 2010-2310 met annotatie van Fiscaal up to Date
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Nr. 08/04644

8 oktober 2010

Arrest

gewezen op het beroep in cassatie van X Beheer B.V. te Z (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 26 september 2008, nr. 07/00335, betreffende een navorderingsaanslag in de vennootschapsbelasting.

1. Het geding in feitelijke instanties

Aan belanghebbende is over het jaar 1999 een navorderingsaanslag in de vennootschapsbelasting opgelegd, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd.

De Rechtbank te Breda (nr. AWB 05/1297) heeft het tegen die uitspraak ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof.

Het Hof heeft de uitspraak van de Rechtbank bevestigd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.

Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.

De Advocaat-Generaal P.J. Wattel heeft op 8 december 2009 geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep.

Belanghebbende heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.

3. Beoordeling van de middelen

3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

Belanghebbende is opgericht op 31 maart 1998. De houder van haar aandelen heeft met toepassing van artikel 18 van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 met terugwerkende kracht tot 1 januari 1997 de door hem gedreven onderneming in belanghebbende ingebracht. De aandeelhouder van belanghebbende heeft op 31 maart 1998 opgericht de vennootschap B B.V. (hierna: B B.V.). De in belanghebbende ingebrachte onderneming is op 31 maart 1998 ingebracht in (doorgeschoven naar) B B.V. tegen uitreiking van aandelen.

Belanghebbende en B B.V. vormen sinds 31 maart 1998 een fiscale eenheid voor de vennootschapsbelasting. Krachtens een door de Inspecteur gegeven beschikking zijn op deze fiscale eenheid van toepassing een aantal in het kader van artikel 15 van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (tekst tot 2003; hierna: de Wet) gestelde standaardvoorwaarden.

Op 4 december 2000 heeft belanghebbende 122 van de 351 aandelen in B B.V. verkocht en geleverd aan C B.V.

De Inspecteur heeft zich op het standpunt gesteld dat deze verkoop een overtreding vormt van de zestiende standaardvoorwaarde. In verband hiermee heeft hij herwaarderingswinst vastgesteld en ter zake daarvan de onderhavige navorderingsaanslag opgelegd.

3.2. Middel 2 keert zich tegen het oordeel van het Hof dat ten tijde van de verkoop van de aandelen in B B.V. de bij de oprichting in B B.V. ingebrachte goodwill niet was vervallen, alsook tegen 's Hofs oordeel omtrent de hoogte van de herwaarderingswinst.

Geen van beide middelonderdelen kan tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien artikel 81 van de Wet op de rechterlijke organisatie geen nadere motivering, nu die middelonderdelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

3.3.1. Middel 1 houdt de klacht in dat de toepassing van de zestiende standaardvoorwaarde in het onderhavige geval in strijd is met Richtlijn 90/434/EEG (tekst tot 17 februari 2005; hierna: de Fusierichtlijn). Daartoe wordt aangevoerd dat de inbreng in B B.V. van de door belanghebbende doorgeschoven onderneming een inbreng van activa vormt in de zin van artikel 2, lid 1, letter c, van de Fusierichtlijn, waardoor een faciliteit van toepassing is die volgens de Fusierichtlijn slechts onder bepaalde voorwaarden mag worden teruggenomen. Volgens het middel wordt aan die voorwaarden in dit geval niet voldaan.

3.3.2. Blijkens artikel 1 van de Fusierichtlijn ziet deze richtlijn slechts op fusies waarbij vennootschappen van twee of meer lidstaten zijn betrokken. Omdat die situatie zich in dit geval niet voordoet, kan er geen sprake van zijn dat de in geding zijnde navorderingsaanslag is opgelegd in strijd met de Fusierichtlijn. Het middel faalt derhalve in zoverre.

3.3.3. Het middel faalt ook voor het overige. Weliswaar moeten de Nederlandse wettelijke regels, voor zover daarin bepalingen of begrippen uit de Fusierichtlijn zijn overgenomen, worden uitgelegd op gelijke wijze als de overeenkomstige richtlijnbepalingen, ook indien die nationale regels worden toegepast op fusies die niet onder de werking van de richtlijn vallen (zie HR 4 februari 1998, nr. 30074, LJN AA2409, BNB 1998/176), doch dit opent niet de weg voor een toepassing van (andere) nationale regels op een wijze die, hoezeer ook het resultaat overeenstemt met de richtlijn, niet door uitlegging van de nationale regel met die regel is te verenigen.

In het onderhavige geval worden de gevolgen van de bedrijfsfusie en de latere aandelenverkoop beheerst door het bepaalde bij en krachtens artikel 15 van de Wet, het fiscale eenheidsregime. Op de onderhavige bedrijfsfusie is dientengevolge het bepaalde in artikel 14 van de Wet niet van toepassing zodat de begrippen en bepalingen die artikel 14 van de Wet gemeen heeft met de Fusierichtlijn, evenmin relevant zijn. De wel van toepassing zijnde bepalingen van het fiscale eenheidsregime laten geen uitlegging toe die leidt tot het door het middel beoogde resultaat.

4. Proceskosten

De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

5. Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.

Dit arrest is gewezen door de raadsheer P. Lourens als voorzitter, en de raadsheren C.B. Bavinck, A.R. Leemreis, P.M.F. van Loon en M.A. Fierstra, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 8 oktober 2010.