Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2010:BK9263

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
06-07-2010
Datum publicatie
06-07-2010
Zaaknummer
09/01546 B
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2010:BK9263
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Bezwaarschrift tegen de dagvaarding. Art. 262 Sv. Cassatie OM en verdachte. 1. Uitleg begrippen ‘overbrenging’ en ‘uitvoer’ i.d.z.v. de EEG-Verordening Overbrenging Afvalstoffen (EVOA). 2. Geen respons op verweer strekkende tot n.o-verklaring OM in de vervolging. Ad 1. Art. 10.60.2.a Wet Milieubeheer jo. art. 18 EVOA. In ’s Hofs oordeel ligt besloten dat van overbrenging dan wel uitvoer van afvalstoffen naar ACS-Staten i.d.z.v. de EVOA geen sprake meer kan zijn, zodra die afvalstoffen over de grens van een ACS-Staat zijn gebracht. Een dergelijke beperkte uitleg vloeit niet voort uit de bewoordingen van de EVOA. Zij verdraagt zich ook niet met het doel van de EVOA en past evenmin in het stelsel van de in de CAG genoemde Verordeningen, Overeenkomsten en Verdragen die het milieu in die staten eveneens beogen te beschermen. Gezien het doel van de EVOA en het stelsel van genoemde Verordeningen, Overeenkomsten en Verdragen is de uitvoer van afvalstoffen naar de ACS-Staten i.d.z.v. de EVOA eerst voltooid wanneer deze hun uiterlijke bestemming hebben bereikt. Ad 2. Geen rechtsregel belet de rechter die moet oordelen over een bezwaarschrift a.b.i. art. 262 jo. 250 Sv, om gelet op het summiere karakter van deze procedure, indien hij tot het oordeel komt dat de verdachte buiten vervolging moet worden gesteld, andere bezwaren met dezelfde beoogde uitkomst buiten bespreking te laten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2010/921
NJ 2012/425 met annotatie van M.J. Borgers
NJB 2010, 1551
M en R 2010, 72 met annotatie van Douma
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

6 juli 2010

Strafkamer

nr. S 09/01546 B

EC

Beschikking

op het beroep in cassatie tegen een beschikking van het Gerechtshof te Amsterdam van 19 december 2008, nummer RK 08/1168, op een bezwaarschrift als bedoeld in art. 262, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering, ingediend door:

[Verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1951, ten tijde van de betekening van de aanzegging zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande, domicilie kiezende te 's-Gravenhage.

1. Geding in cassatie

1.1. De beroepen zijn ingesteld door de verdachte en de Advocaat-Generaal bij het Hof. Namens de verdachte hebben mr. R. de Bree en mr. A. Verbruggen, beiden advocaat te 's-Gravenhage, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal bij het Hof heeft bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.

De raadslieden hebben het beroep van de Advocaat-Generaal bij het Hof tegengesproken.

De Advocaat-Generaal Machielse heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden beschikking en tot terugwijzing van de zaak naar het Gerechtshof te Amsterdam teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden beslist.

1.2. De raadslieden hebben schriftelijk op de conclusie gereageerd.

2. Procesgang

In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan:

(i) de verdachte is president-directeur van het bedrijf Trafigura Beheer B.V. In opdracht van dat bedrijf voer vanuit Amsterdam het schip "Probo Koala" op 5 juli 2006 uit, om uiteindelijk, via een aantal landen, waaronder Togo en Nigeria, zijn lading vanaf 19 augustus 2006 te lossen in Ivoorkust;

(ii) aan de verdachte is bij inleidende dagvaarding tenlastegelegd:

"Trafigura Beheer B.V. in of omstreeks de periode van 5 juli 2006 tot en met 20 augustus 2006 tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, al dan niet opzettelijk, (gevaarlijke) afvalstoffen heeft overgebracht terwijl werd gehandeld in strijd met het verbod gesteld bij artikel 18, eerste lid, van de EEG-verordening overbrenging afvalstoffen immers heeft/hebben Trafigura Beheer B.V. en/of haar mededader(s), (gevaarlijke) afvalstoffen, te weten afvalstoffen afkomstig van brandstofzuivering met behulp van natriumhydroxide (caustic soda) (zijnde een complex mengsel van water met een extreme zuurgraad en een olieachtige vloeistof, beide verontreinigd met zeer specifieke componenten, waaronder fenolen, disulfiden, mercaptanen, en/of zwavelwaterstof) uitgevoerd uit de Europese Gemeenschap naar een ACS-Staat, te weten Nigeria en/of Ivoorkust, zulks terwijl hij, verdachte, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, aan deze verboden gedraging(en) feitelijke leiding heeft gegeven en/of daartoe opdracht heeft gegeven; en/of Trafigura Beheer B.V. in of omstreeks de periode van 5 juli 2006 tot en met 20 augustus 2006 tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, al dan niet opzettelijk, (een) handeling(en) heeft verricht als bedoeld in artikel 2, onder 35 f, van de EG-verordening overbrenging van afvalstoffen, immers heeft/hebben Trafigura Beheer B.V. en/of haar mededader(s), (gevaarlijke) afvalstoffen, te weten afvalstoffen afkomstig van brandstofzuivering met behulp van natriumhydroxide (caustic soda) (zijnde een complex mengsel van water met een extreme zuurgraad en een olieachtige vloeistof, beide verontreinigd met zeer specifieke componenten, waaronder fenolen, disulfiden, mercaptanen, en/of zwavelwaterstof) uitgevoerd uit de Gemeenschap; zulks terwijl hij, verdachte, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, aan deze verboden gedraging(en) feitelijke leiding heeft gegeven en/of daartoe opdracht heeft gegeven";

(iii) tegen deze dagvaarding heeft de verdachte bij de Rechtbank te Amsterdam een bezwaarschrift als bedoeld in art. 262 Sv ingediend. De Rechtbank heeft het bezwaarschrift gegrond verklaard en de verdachte buiten vervolging gesteld;

(iv) de Officier van Justitie heeft tegen de beschikking van de Rechtbank hoger beroep ingesteld;

(v) het Hof heeft de beschikking van de Rechtbank vernietigd, het bezwaarschrift wederom gegrond verklaard en de verdachte buiten vervolging gesteld.

3. Beoordeling van het eerste middel van de Advocaat-Generaal bij het Hof

3.1. Het middel bevat de klacht dat het Hof een te beperkte uitleg heeft gegeven aan de begrippen "overbrenging" en "uitvoer" in de zin van de EEG-Verordening Overbrenging Afvalstoffen 259/93 EEG Pb L30.

3.2. De bestreden beschikking houdt onder "Beoordeling van het beroep" in:

"Het hof is gelet op de stukken van het dossier -voor zover die aan het hof zijn overgelegd- en het verhandelde in raadkamer van oordeel dat het hoogst onwaarschijnlijk is dat een strafrechter, later oordelend, ter zake van het tenlastegelegde tot een veroordeling zal komen.

Nu uit de inhoud van het strafdossier niet kan worden afgeleid dat vóór het moment waarop de afvalstoffen de (territoriale wateren van de) eerste acs-staat bereikten de verdachte reeds bekend was of had moeten zijn met de overbrenging van de afvalstoffen naar een acs-staat.

Gelet hierop behoeven de overige bezwaren tegen de dagvaarding geen bespreking."

3.3.1. De tenlastelegging is toegesneden op art. 10.60, tweede lid aanhef en onder a, Wet milieubeheer (hierna: Wm), dat ten tijde van het tenlastegelegde luidde:

"Het is verboden afvalstoffen over te brengen indien gehandeld wordt in strijd met:

a. het verbod gesteld bij artikel 18, eerste lid, van de EEG-verordening overbrenging afvalstoffen."

3.3.2. De in dit artikel genoemde EEG-verordening overbrenging afvalstoffen is de toen geldende Verordening 259/93 EEG betreffende toezicht en controle op de overbrenging van afvalstoffen binnen, naar en uit de Europese Gemeenschap, Pb L30 (hierna: EVOA).

De zesde overweging van de considerans van die Verordering luidt:

"Overwegende dat het toezicht en de controle op de overbrenging van afvalstoffen zodanig moeten worden geregeld dat er rekening wordt gehouden met de noodzaak de kwaliteit van het milieu te behouden, te beschermen en te verbeteren;"

De elfde overweging van de considerans van die Verordening luidt:

"Overwegende dat de uitvoer van voor verwijdering bestemde afvalstoffen naar derde landen moet worden verboden ten einde het milieu in die landen te beschermen."

Art. 18, eerste lid, van die Verordening luidt:

"Uitvoer naar ASC-Staten is verboden."

3.3.3. Met een "ACS-Staat" worden de landen in Afrika, het Caribisch gebied en de Stille Oceaan bedoeld (Vierde ACS-EEG-Overeenkomst, met Protocollen en Bijlagen; Lomé, 15 december 1989, Trb. 1991, 35, p. 7).

3.4. In het oordeel van het Hof ligt besloten dat van overbrenging dan wel uitvoer van afvalstoffen naar ACS-Staten in de zin van de EVOA geen sprake meer kan zijn, zodra die afvalstoffen over de grens van een ACS-Staat zijn gebracht. Een dergelijke beperkte uitleg vloeit niet voort uit de bewoordingen van de EVOA.

Zij verdraagt zich ook niet met het doel van de EVOA, omdat volgens de zesde overweging van de considerans van de EVOA het stelsel van toezicht en controle op de overbrenging van afvalstoffen is ingevoerd om de kwaliteit van het milieu te behouden, te beschermen en te verbeteren, niet alleen in de Lid-Staten zelf, maar op grond van de elfde overweging van de considerans van de EVOA ook in derde landen. Ten slotte past de genoemde beperkte uitleg evenmin in het stelsel van de door de Advocaat-Generaal in zijn conclusie genoemde Verordeningen, Overeenkomsten en Verdragen die het milieu in die staten eveneens beogen te beschermen.

3.5. Gezien het doel van de EVOA en het stelsel van genoemde Verordeningen, Overeenkomsten en Verdragen is de uitvoer van afvalstoffen naar ACS-Staten in de zin van de EVOA eerst voltooid wanneer deze hun uiteindelijke bestemming hebben bereikt.

3.6. Het middel slaagt.

4. Beoordeling van het middel van de verdachte

4.1. Het middel klaagt dat het Hof de verweren strekkende tot niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie in de vervolging onbesproken heeft gelaten.

4.2. Art. 250, vierde lid, Sv luidt:

"Is de officier van justitie niet ontvankelijk, het feit waarop de kennisgeving van verdere vervolging betrekking had, of de verdachte niet strafbaar, of onvoldoende aanwijzing van schuld aanwezig, dan stelt zij de verdachte ten aanzien van de gehele tenlastelegging of voor een bij de beschikking nader aan te duiden gedeelte van de tenlastelegging buiten vervolging."

4.3. Geen rechtsregel belet de rechter die moet oordelen over een bezwaarschrift zoals bedoeld in art. 262 in verbinding met art. 250 Sv, om gelet op het summiere karakter van deze procedure, indien hij tot het oordeel komt dat de verdachte buiten vervolging moet worden gesteld, andere bezwaren met dezelfde beoogde uitkomst buiten bespreking te laten.

4.4. Het middel faalt derhalve.

5. Slotsom

Het vorenoverwogene brengt mee dat de bestreden beschikking niet in stand kan blijven, het tweede middel van de Advocaat-Generaal bij het Hof geen bespreking behoeft en als volgt moet worden beslist.

6. Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de bestreden beschikking;

wijst de zaak terug naar het Gerechtshof te Amsterdam, Economische Kamer, opdat de zaak op het bestaande beroep opnieuw wordt behandeld en afgedaan.

Deze beschikking is gegeven door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren B.C. de Savornin Lohman, J.W. Ilsink, J. de Hullu en C.H.W.M Sterk, in bijzijn van de griffier S.P. Bakker, in raadkamer en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 6 juli 2010.