Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2010:BK9236

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
09-03-2010
Datum publicatie
09-03-2010
Zaaknummer
08/03189
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2010:BK9236
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Redengevendheid bewijs. De eis dat uit 's Hofs arrest moet blijken dat hetgeen een relaas inhoudt, ook werkelijk door de opsporingsambtenaar zelf is waargenomen, vindt geen steun in het recht (vgl. HR LJN AB3484). Dat laatste geldt eveneens voor de opvatting dat de wetenschap van een opsporingsambtenaar dat aan een persoon geen rijbewijs is afgegeven, "zal moeten blijken uit de registers waarin van de afgifte van dergelijke rijbewijzen aantekening wordt gemaakt".

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJ 2010, 162
RvdW 2010, 423
NJB 2010, 668
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

9 maart 2010

Strafkamer

nr. 08/03189

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Amsterdam, Enkelvoudige Kamer, van 25 april 2008, nummer 23/001713-07, in de strafzaak tegen:

[Verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1979, wonende te [woonplaats].

1. Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. J. Kuijper, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Vellinga heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest en tot terugwijzing van de zaak naar het Gerechtshof dan wel verwijzing naar een aangrenzend hof teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.

2. Bewezenverklaring en bewijsvoering

2.1. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:

"hij op 13 november 2004 te Amsterdam als bestuurder van een motorrijtuig, personenauto, heeft gereden op de weg, de Jacob van Lennepkade, zonder dat aan hem door de daartoe bevoegde autoriteit, als bedoeld in artikel 116 lid 1 van de Wegenverkeerswet 1994 een rijbewijs was afgegeven voor de categorie van motorrijtuigen, waartoe dat motorrijtuig behoorde".

2.2. Deze bewezenverklaring steunt op een proces-verbaal van politie, opgemaakt door de opsporingsambtenaar [verbalisant 1], voor zover inhoudende als relaas van de verbalisant:

"Ik, [verbalisant 1], zag op 13 november 2004 te Amsterdam, dat [verdachte], als bestuurder van een motorrijtuig, een personenauto met het kenteken [AA-00-BB], daarmee heeft gereden op de weg, de Jacob van Lennepkade, zonder rijbewijs voor de categorie waartoe dat motorrijtuig behoorde. Het is verbalisant bekend dat verdachte niet in het bezit is van een rijbewijs. Verbalisant herkende betrokkene voor 100%."

3. Beoordeling van het eerste middel

Het middel kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4. Beoordeling van het tweede middel

4.1. Het middel bevat de klacht dat het tot bewijs gebezigde proces-verbaal van de opsporingsambtenaar [verbalisant 1] niet danwel onvoldoende redengevend is voor het bewezenverklaarde rijden zonder rijbewijs, nu dat proces-verbaal niet een opgave bevat van de redenen van wetenschap van de verbalisant.

4.2. Het relaas van de opsporingsambtenaar [verbalisant 1], voor zover inhoudende dat het hem bekend was dat de verdachte niet over een rijbewijs beschikte, bevat niet iets wat voor eigen waarneming door de opsporingsambtenaar niet vatbaar kan worden geacht, terwijl de eis dat uit 's Hofs arrest moet blijken dat hetgeen bedoeld relaas inhoudt, ook werkelijk door de opsporingsambtenaar zelf is waargenomen, geen steun vindt in het recht (vgl. HR 2 maart 1971, LJN AB3484, NJ 1971, 192). Dat laatste geldt eveneens voor de in de toelichting op het middel verwoorde opvatting dat de wetenschap van een opsporingsambtenaar dat aan een persoon geen rijbewijs is afgegeven, "zal moeten blijken uit de registers waarin van de afgifte van dergelijke rijbewijzen aantekening wordt gemaakt".

4.3. Het middel faalt.

5. Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren J. de Hullu en W.F. Groos, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz en uitgesproken op 9 maart 2010.