Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2010:BK9221

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
30-03-2010
Datum publicatie
30-03-2010
Zaaknummer
08/03020
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2010:BK9221
In cassatie op : ECLI:NL:GHSHE:2008:BC2171, (Gedeeltelijke) vernietiging met terugwijzen
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Strafoplegging. Art. 127 Sr. In aanmerking genomen dat het hof tav. de oplegging van de voorwaardelijke gevangenisstraf heeft geoordeeld dat ‘daarmee de ernst van het bewezenverklaarde tot uitdrukking (wordt) gebracht’, behoeft het nadere motivering waarom het Hof daarenboven de oplegging van een taakstraf aangewezen achtte. Dat geldt temeer nu de oplegging door het Hof van die taakstraf kennelijk is ingegeven door zijn opvatting dat voor een delict als i.c. de niet in de ‘huidige wetgeving’ voorziene bijkomende straf van ontzetting uit het passief kiesrecht geëigend moet worden geacht, welke opvatting niet strookt met die van de wetgever.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2010, 495
NJB 2010, 872
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

30 maart 2010

Strafkamer

nr. S 08/03020

ABG/IV

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 18 januari 2008, nummer 20/001476-07, in de strafzaak tegen:

[verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1947, wonende te [woonplaats].

1. Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. Th.J. Kelder, advocaat te 's-Gravenhage, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Machielse heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest en tot terugwijzing van de zaak naar het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.

2. Beoordeling van het middel

2.1. Het middel klaagt over de strafoplegging.

2.2. Ten laste van de verdachte is overeenkomstig de tenlastelegging bewezenverklaard dat:

"hij op 7 maart 2006 te Zeeland, gemeente Landerd, in stembureau 6 bij gelegenheid van een krachtens wettelijk voorschrift uitgeschreven verkiezing, te weten de gemeenteraadsverkiezingen van 7 maart 2006, bedrieglijke handelingen heeft gepleegd waardoor stemmen van onwaarde werden en een ander dan de bij het uitbrengen van de stemmen bedoelde persoon werd aangewezen,

immers heeft verdachte op die dag en plaats kort samengevat (en zakelijk weergegeven) het volgende gedaan:

- verdachte heeft de stemcomputer (stemmachine) bediend en

- verdachte heeft (in die hoedanigheid) meermalen en op verschillende tijdstippen die stemcomputer niet vrijgegeven (gereed gemaakt voor registratie van een stem) als een stemmer zijn of haar stem wilde/ging uitbrengen en

- verdachte heeft vervolgens in strijd met de werkelijkheid tegen die stemmers gezegd dat zij hadden gestemd en/of die stemmers zich laten verwijderen zonder hen erop te attenderen dat zij niet een rechtsgeldige stem hadden uitgebracht en

- verdachte heeft op (een) later(e) tijdstip(pen) telkens de stemcomputer alsnog vrijgegeven en telkens een stem op zichzelf uitgebracht."

2.3. Het Hof heeft de verdachte veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van zes maanden met een proeftijd van twee jaren, alsmede tot een taakstraf in de vorm van een werkstraf van 240 uren, subsidiair 120 dagen hechtenis. Het Hof heeft ter motivering van de opgelegde straffen het volgende overwogen:

"Bij de bepaling van de op te leggen straffen is gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

De verdachte heeft bij gelegenheid van de gemeenteraadsverkiezingen op 7 maart 2006 in de gemeente Landerd de stemmachine gemanipuleerd, waardoor een ander - dan bij het uitbrengen van de stem bedoeld - werd gekozen, te weten de verdachte zelf.

Naar het oordeel van het hof is sprake van een ernstig feit. De democratie is een van de pijlers waarop onze huidige samenleving rust. Binnen dat democratisch bestel moet een ieder in vrijheid en op een eerlijke wijze zijn stemrecht kunnen uitoefenen. De handelwijze van de verdachte heeft het belang van eerlijke verkiezingen in gevaar gebracht.

Het hof heeft in strafmatigende zin rekening gehouden met het feit dat deze zaak binnen de gemeente Landerd voor veel commotie heeft gezorgd en landelijk veel belangstelling vanuit de media heeft gekregen. Door de negatieve publiciteit rond zijn persoon is de verdachte reeds in aanzienlijke mate in zijn reputatie getroffen.

Het hof zal aan de verdachte een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van zes maanden opleggen. Daarmee wordt de ernst van het bewezen verklaarde tot uitdrukking gebracht.

Voorts had oplegging van de bijkomende straf als bedoeld in artikel 28, eerste lid, onder 3, van het Wetboek van Strafrecht (ontzetting uit het passief kiesrecht) in de rede gelegen, maar, gelet op het bepaalde in artikel 130 van dat wetboek, biedt de huidige wetgeving daarvoor geen basis. Nu het hof niet de mogelijkheid heeft om de verdachte uit het passief kiesrecht te ontzetten, zal het aan de verdachte een werkstraf voor de duur van 240 uren opleggen.

Ofschoon het hof komt tot een bewezenverklaring van minder dan waarvan in de vordering van de advocaat-generaal is uitgegaan, acht het hof toch een straf, gelijk aan die welke door de advocaat-generaal is gevorderd, geboden. Daarbij is rekening gehouden met de ernst van het bewezen verklaarde."

2.4. De tenlastelegging en bewezenverklaring zijn toegesneden op art. 127 Sr. Die bepaling luidt:

"Hij die bij gelegenheid van een krachtens wettelijk voorschrift uitgeschreven verkiezing, enige bedrieglijke handeling pleegt waardoor een stem van onwaarde wordt of een ander dan de bij het uitbrengen van de stem bedoelde persoon wordt aangewezen, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes maanden of geldboete van de derde categorie."

2.5. In aanmerking genomen dat het Hof ten aanzien van de oplegging van de voorwaardelijke gevangenisstraf heeft geoordeeld dat "daarmee de ernst van het bewezenverklaarde tot uitdrukking [wordt] gebracht", behoeft het nadere motivering waarom het Hof daarenboven de oplegging van een taakstraf aangewezen achtte. Dat geldt temeer nu de oplegging door het Hof van die taakstraf kennelijk is ingegeven door zijn opvatting dat voor een delict als het onderhavige de niet in de "huidige wetgeving" voorziene bijkomende straf van ontzetting uit het passief kiesrecht geëigend moet worden geacht, welke opvatting, naar volgt uit de conclusie van de Advocaat-Generaal, niet strookt met die van de wetgever.

3. Slotsom

Nu de Hoge Raad geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, brengt hetgeen hiervoor is overwogen mee dat als volgt moet worden beslist.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de bestreden uitspraak maar uitsluitend wat betreft de strafoplegging;

wijst de zaak terug naar het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch, opdat de zaak in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan;

verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de vice-president F.H. Koster als voorzitter, en de raadsheren J.W. Ilsink en W.M.E. Thomassen, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.J. Verhoeven, en uitgesproken op 30 maart 2010.