Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2010:BK9136

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
15-01-2010
Datum publicatie
15-01-2010
Zaaknummer
07/13305
Formele relaties
In cassatie op : ECLI:NL:GHARN:2007:BB6079, (Gedeeltelijke) vernietiging met verwijzen
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Art. 220 Gemeentewet; art. 3.3. BW; Is woonark (on)roerend?; waardebepaling in goede justitie leent zich slechts in beperkte mate voor motivering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2010, 269 met annotatie van Groenewegen
RN 2010, 34
RVR 2010, 47
S&S 2010/96
NJB 2010, 189
Belastingblad 2010/224 met annotatie van Redactie
BNB 2010/80 met annotatie van J.C. VAN STRAATEN
FED 2010/23 met annotatie van Redactie
V-N 2010/6.32 met annotatie van Redactie
FutD 2010-0118
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Nr. 07/13305

15 januari 2010

Arrest

gewezen op het beroep in cassatie van X te Z (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Arnhem van 15 oktober 2007, nr. 06/00491, betreffende een beschikking op grond van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: de Wet WOZ).

1. Het geding in feitelijke instanties

Ten aanzien van belanghebbende is bij beschikking de waarde van de onroerende zaak a-straat 1 te Z voor het tijdvak 1 januari 2005 tot en met 31 december 2006 vastgesteld.

Na door belanghebbende daartegen gemaakt bezwaar heeft de heffingsambtenaar bij uitspraak de beschikking gehandhaafd.

De Rechtbank te Zwolle-Lelystad (nr. AWB 06/706) heeft het tegen die uitspraak ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof.

Het Hof heeft de uitspraak van de Rechtbank vernietigd, het beroep gegrond verklaard, de uitspraak van de heffingsambtenaar vernietigd en de vastgestelde waarde verminderd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld.

Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Almere (hierna: het College) heeft een verweerschrift ingediend. Het College heeft tevens incidenteel beroep in cassatie ingesteld.

Het beroepschrift in cassatie en het geschrift waarbij incidenteel beroep in cassatie is ingesteld, zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit.

Belanghebbende heeft in het principale beroep een conclusie van repliek ingediend en het incidentele beroep beantwoord.

Het College heeft in het principale beroep een conclusie van dupliek ingediend en in het incidentele beroep een conclusie van repliek.

Belanghebbende heeft in het incidentele beroep een conclusie van dupliek ingediend.

3. Uitgangspunten in cassatie

3.1. Belanghebbende is eigenaar en gebruiker van een grondkavel van 16 m2, een waterkavel van 251 m2 en een woonark. De woonark heeft een inhoud van 650 m3, en bestaat uit een drijvende betonnen constructie met een houten opbouw. De woonark ligt vast door middel van twee metalen beugels die elk zijn bevestigd rond een meerpaal. Deze meerpalen zijn vast verankerd in de bodem van de waterkavel waarop de woonark zich bevindt. De woonark is aangesloten op de gemeentelijke riolering en op nutsvoorzieningen.

3.2. Voor het Hof was primair in geschil of de woonark deel uitmaakt van een samenstel van gebouwde en ongebouwde eigendommen in de zin van artikel 16, aanhef en letter d, van de Wet WOZ, en daardoor betrokken kan worden in de heffing van onroerendezaakbelastingen. Het Hof heeft die vraag bevestigend beantwoord.

3.3. Vervolgens heeft het Hof de waarde van het object, inclusief woonark, vastgesteld. Het Hof heeft dit gedaan in goede justitie, omdat de heffingsambtenaar onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat de door hem in aanmerking genomen waarde niet te hoog is, en belanghebbende de door hem verdedigde waarde evenmin aannemelijk heeft gemaakt.

4. Beoordeling van de in het principale beroep aangevoerde klachten

4.1. Het Hof heeft terecht vooropgesteld dat het onderscheid tussen roerende en onroerende zaken ook voor de toepassing van de Wet WOZ en de heffing van onroerendezaakbelastingen wordt beheerst door het bepaalde in artikel 3:3 van het Burgerlijk Wetboek (vgl. HR 7 juni 2002, nr. 36759, LJN AE3831, BNB 2002/283). Het Hof is terecht ervan uitgegaan dat dit ook heeft te gelden voor drijvende woningen. Voor zover de klachten zich daartegen richten, falen zij.

4.2. Het Hof heeft vervolgens geoordeeld, onder verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 20 september 2002, nr. 37128, LJN AE7857, BNB 2002/374, dat de onderhavige woonark is verenigd met de grond, aangezien deze door middel van beugels is verbonden met in de bodem verankerde meerpalen. De tegen dit oordeel gerichte klachten slagen. Het gaat hier om een zaak die blijkens zijn constructie bestemd is om te drijven en drijft, zodat sprake is van een schip in de zin van artikel 8:1 BW. Een schip is in het algemeen een roerende zaak. Een verbinding tussen een schip en de onder dat schip gelegen bodem die toelaat dat het schip met de waterstand mee beweegt, kan niet leiden tot het oordeel dat het schip met de bodem is verenigd in de zin van artikel 3:3, lid 1, BW. Klaarblijkelijk is in het onderhavige geval sprake van een dergelijke verbinding, zodat de woonark niet met de onder die ark gelegen bodem is verenigd in de zojuist bedoelde zin.

4.3. 's Hofs uitspraak kan niet in stand blijven. Verwijzing moet volgen voor een onderzoek of de onderhavige woonark is verbonden met de oever op een dusdanige wijze dat sprake is van vereniging met die grond in de zin van artikel 3:3, lid 1, BW. Opmerking verdient daarbij dat uit het arrest van de Hoge Raad van 22 juli 1988, nr. 25546, LJN AA7150, BNB 1988/282, NJ 1989, 257, volgt dat zo'n vereniging in ieder geval niet kan worden aangenomen enkel op grond van een verbinding door middel van kabels en de aansluiting op nutsleidingen en riolering.

4.4.1. Indien het in 4.3 bedoelde vraagpunt bevestigend wordt beantwoord, dient het verwijzingshof tevens te onderzoeken of de vereniging met de oever duurzaam is. Het Hof heeft in het onderhavige geval een duurzame verbinding afgeleid uit onder meer de volgende omstandigheden: (i) de plaatsing van de woonark was enkel mogelijk door het tijdelijk doorbreken van een dijk, (ii) de ark is gelegen aan een grondkavel (parkeerplaats) van belanghebbende en op een waterkavel van belanghebbende, (iii) de ark is gelegen in een woonwijk, (iv) hij is gelegen tussen lage bruggen en kan daardoor niet in zijn geheel worden weggesleept naar een andere locatie, en (v) de entree op het bovendek van de ark heeft een specifieke aansluiting op de wandelpromenade aan de wal.

4.4.2. Voor zover de klachten zich richten tegen dit oordeel slagen zij, aangezien de in 4.4.1 vermelde omstandigheden betrekking hebben op de omgeving van de woonark, en niet zijn aan te merken als naar buiten kenbare bijzonderheden van aard en inrichting van de woonark zelf (vgl. HR 17 november 2006, nr. 41434, LJN AZ2377, BNB 2007/50).

4.5. Indien het verwijzingshof tot de slotsom komt dat de woonark geen onroerende zaak is, zal het een oordeel moeten geven ten aanzien van de waarde van het object exclusief woonark.

5. Beoordeling van de in het incidentele beroep aangevoerde klacht

5.1. De klacht in het incidentele beroep voert, onder verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van

6 oktober 2006, nr. 41037, LJN AY9493, BNB 2007/28, aan dat het Hof nader had moeten motiveren waarom het de waarde van het object (inclusief woonark) in goede justitie heeft bepaald op € 260.000.

5.2. Deze klacht, die alleen van belang is indien het verwijzingshof tot de slotsom komt dat de woonark onroerend is, faalt. Waardebepaling in goede justitie leent zich slechts in beperkte mate voor motivering. Het Hof heeft zijn beslissing gemotiveerd onder verwijzing naar hetgeen over en weer door partijen is aangevoerd. Gelet op het debat van partijen over de waarde van het object en de - beperkte - beschikbare feitelijke gegevens, was het Hof kennelijk, en niet onbegrijpelijk, van oordeel dat een verdere onderbouwing niet goed mogelijk was. Onder die omstandigheden was het Hof niet gehouden zijn schatting nader te motiveren.

6. Proceskosten

Wat betreft het principale cassatieberoep van belanghebbende en het incidentele cassatieberoep van het College zal het College worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie.

Door het verwijzingshof zal worden beoordeeld of aan belanghebbende voor de kosten van het geding voor het Hof en van het geding voor de Rechtbank een vergoeding dient te worden toegekend.

7. Beslissing

De Hoge Raad:

verklaart het incidentele beroep in cassatie van het College ongegrond,

verklaart het principale beroep in cassatie van belanghebbende gegrond,

vernietigt de uitspraak van het Hof,

verwijst het geding naar het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dit arrest,

gelast dat de gemeente Almere aan belanghebbende vergoedt het door deze ter zake van de behandeling van het beroep in cassatie verschuldigd geworden griffierecht ten bedrage van € 106, en

veroordeelt het College in de kosten van het geding in cassatie aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 2576 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Dit arrest is gewezen door de vice-president J.W. van den Berge als voorzitter, en de raadsheren C. Schaap, J.W.M. Tijnagel, A.H.T. Heisterkamp en M.W.C. Feteris, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier A.I. Boussak-Leeksma, en in het openbaar uitgesproken op 15 januari 2010.