Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2010:BK8947

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
02-02-2010
Datum publicatie
03-02-2010
Zaaknummer
08/03504
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2010:BK8947
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Getuigenverzoek. Nu het Hof op het ttz. gedane verzoek niet heeft beslist heeft dit nietigheid tot gevolg.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2010, 282
NJB 2010, 398
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

2 februari 2010

Strafkamer

Nr. 08/03504

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Amsterdam van 29 januari 2008, nummer 23/006336-05, in de strafzaak tegen:

[Verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1968, ten tijde van de betekening van de aanzegging zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande.

1. Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. B.Th. Nooitgedagt, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Vegter heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2. Beoordeling van het tweede middel

2.1. Het middel klaagt dat het Hof heeft verzuimd te beslissen op het ter terechtzitting gedane verzoek tot het horen van twee getuigen.

2.2. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:

"hij op 1 november 2002 te Diemen als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een personenauto, BMW, daarmede rijdende over de weg, de Ouddiemerlaan, zich zodanig, te weten aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend, heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor een ander, genaamd [slachtoffer], zwaar lichamelijk letsel werd toegebracht, te weten een verwonding aan haar kin tengevolge waarvan zij een blijvend litteken heeft bekomen, bestaande dat gedrag hieruit:

hij, verdachte, reed toen aldaar als bestuurder van die personenauto over de Ouddiemerlaan, komende uit de richting van de Rode Kruislaan en gaande in de richting van de Diemerpolderweg;

hij, verdachte, is toen met die personenauto niet uitsluitend de voor hem bestemde rijstrook van die weg blijven volgen, doch is met die personenauto gedeeltelijk op de rijstrook bestemd voor het hem tegemoetkomende verkeer gaan rijden;

aldus rijdende, bij nadering van een hem op de rijstrook voor het tegemoetkomend verkeer tegemoetkomende bestelbus, Fiat, is hij, verdachte, met die door hem bestuurde personenauto niet uitgeweken voor die hem tegemoetkomende bestelbus, doch is met die door hem bestuurde personenauto in botsing gekomen met die hem tegemoetkomende bestelbus, door welk verkeersongeval aan [slachtoffer] voornoemd, die zich als passagier in die bestelbus bevond, vorenomschreven letsel werd toegebracht,

zulks terwijl hij, verdachte, op 2 november 2002 te Amsterdam, na het plegen van bovenomschreven feit niet heeft voldaan aan een bevel gegeven krachtens artikel 163, 6e lid van de Wegenverkeerswet 1994,

immers heeft hij, verdachte, als degene tegen wie verdenking was gerezen als bestuurder van die personenauto te hebben gehandeld in strijd met artikel 8 van de Wegenverkeerswet 1994 en van wie het aannemelijk was dat het verlenen van medewerking aan een ademonderzoek, als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder a van genoemde Wet, voor hem om bijzondere geneeskundige redenen onwenselijk was, nadat hij de door een opsporingsambtenaar aan hem gevraagde toestemming tot het verrichten van een bloedonderzoek als bedoeld in artikel 8, tweede lid aanhef onder b van genoemde Wet, niet had verleend, geen gevolg gegeven aan een aan hem gegeven bevel van een hulpofficier van justitie zich aan dat bloedonderzoek te onderwerpen en geen medewerking daaraan verleend."

2.3. Blijkens de ter terechtzitting in hoger beroep van 15 januari 2008 overgelegde pleitnotities heeft de raadsman aldaar onder meer het volgende aangevoerd:

"5. Voorts dienen als getuigen te worden gehoord de arts en de verpleegkundige die [verdachte] in het ziekenhuis hebben behandeld, zulks op grond van de verklaring van [verdachte] d.d. 11 december 2002, waarbij [verdachte] aangeeft geen alcohol te hebben gedronken, alsmede voorts [verdachte] aangeeft de bloedproef in het ziekenhuis niet te hebben geweigerd, (zie het ten deze gestelde in de laatste alinea van de 2e pagina van de desbetreffende verklaring), waaruit blijkt dat de hulpofficier is weggelopen en de hoofdverpleegkundige en de arts nog achter de Officier van Justitie zijn aangelopen, waarna de hoofdverpleegkundige bij [verdachte] is teruggekomen en aan [verdachte] heeft medegedeeld dat de Hulp Officier van Justitie niet meer terug wilde komen. Het vorenstaande is van belang, aangezien hiermee niet kan worden gesproken van het weigeren van een bloedproef door [verdachte] en [verdachte] hiervoor is veroordeeld door de rechtbank."

2.4. Het proces-verbaal van die terechtzitting houdt onder meer het volgende in:

"Naar aanleiding van punt 5 van de pleitnotities houdt de voorzitter de verklaringen voor die door verpleegkundige [getuige 1] en verbalisant H.T. van Haarlem op 17 maart 2005 bij de rechter-commissaris van de rechtbank te Amsterdam zijn afgelegd. Voorts deelt de voorzitter mede dat de arts waar de raadsman op doelt volgens de stukken niet kon worden getraceerd."

2.5. Het onder 2.3 weergegeven verzoek is een verzoek tot het horen van twee getuigen als bedoeld in art. 315 in verbinding met art. 328 Sv, zodat een uitdrukkelijke beslissing op dit verzoek was vereist. Noch de processen-verbaal van de terechtzittingen in hoger beroep noch het bestreden arrest houdt een beslissing in op dit verzoek. Dat verzuim heeft ingevolge art. 330 in verbinding met art. 415 Sv nietigheid tot gevolg.

2.6. Het middel is terecht voorgesteld.

3. Slotsom

Hetgeen hiervoor is overwogen brengt mee dat de bestreden uitspraak niet in stand kan blijven, de overige middelen geen bespreking behoeven en als volgt moet worden beslist.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de bestreden uitspraak;

wijst de zaak terug naar het Gerechtshof te Amsterdam, opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.

Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren J. de Hullu en W.F. Groos, in bijzijn van de waarnemend griffier L.J.J. Okker-Braber, en uitgesproken op 2 februari 2010.