Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2010:BK8836

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
12-01-2010
Datum publicatie
13-01-2010
Zaaknummer
08/00606
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2010:BK8836
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

MMA. Voldoende verdenking? Vooropgesteld dient te worden dat verdenking van overtreding van de Opiumwet kan worden aangenomen o.b.v. anoniem aan de politie verstrekte informatie (vgl. HR LJN BC1367). De beantwoording van de vraag of dergelijke informatie toereikend is voor de toepassing van art. 9.1.b Opiumwet is in belangrijke mate afhankelijk van aan de feitenrechter voorbehouden weging en waardering van de omstandigheden van het geval. Het oordeel van de feitenrechter kan derhalve daarom in cassatie slechts in beperkte mate worden getoetst. Het Hof heeft vastgesteld dat de anonieme informatie i.c. was vervat in een melding van 24-03-06 i.h.k.v. "Meld Misdaad Anoniem" en een soortgelijke melding die betrekkelijk kort daarvoor, in januari 2006, was gedaan. Het Hof heeft geoordeeld dat deze meldingen voldoende aanwijzingen opleverden die een redelijk vermoeden van schuld aan een strafbaar feit a.b.i. de Opiumwet rechtvaardigden. Door het gevoerde verweer op die grond te verwerpen heeft het Hof niet blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting. Zijn oordeel is evenmin onbegrijpelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2010, 163
NJB 2010, 235

Uitspraak

12 januari 2010

Strafkamer

nr. 08/00606

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Amsterdam van 21 januari 2008, nummer 23/005013-06, in de strafzaak tegen:

[Verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1974, wonende te [woonplaats].

1. Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. J.F. van der Brugge, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Knigge heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2. Beoordeling van het eerste middel

2.1. Het middel klaagt over het oordeel van het Hof dat ten tijde van het binnentreden in de woning van de verdachte een redelijk vermoeden van schuld bestond aan een bij de Opiumwet strafbaar gesteld feit.

2.2. Onder 1 is bewezenverklaard dat de verdachte:

"in de periode van 1 januari 2006 tot en met 29 maart 2006 te Amsterdam tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk heeft geteeld 315 hennepplanten."

2.3. De bestreden uitspraak houdt onder meer in:

"De raadsman van de verdachte heeft vrijspraak van de feiten 1 primair en 2 bepleit. Daartoe heeft hij het volgende aangevoerd.

A. Het bewijsmateriaal is verkregen door middel van een onrechtmatige betreding van de woning van de verdachte waarin de hennepkwekerij is aangetroffen, aangezien er geen redelijk vermoeden van schuld aan enig strafbaar feit bestond dat binnentreden van de woning zonder toestemming van de verdachte rechtvaardigde. Het als gevolg van het binnentreden in de woning verkregen bewijsmateriaal mag daarom niet worden gebruikt.

(...)

Het hof verwerpt de verweren, gelet op het volgende.

Ad A. De politie is zonder toestemming van de verdachte op 29 maart 2006 binnengetreden in diens woning op het adres [a-straat 1] te Amsterdam en heeft toen de onderhavige hennepplanten aangetroffen. Blijkens een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal nummer 2006076735-1 van 29 maart 2006, opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 1], is de woning betreden naar aanleiding van een anonieme melding van 24 maart 2006 in het kader van "Meld Misdaad Anoniem", inhoudende dat in voormelde woning van de verdachte een hennepplantage was ondergebracht, en een eerdere, soortgelijke melding in de maand januari 2006. Deze meldingen, gedaan binnen een betrekkelijk korte periode, leverden voldoende aanwijzingen op die een redelijk vermoeden van schuld aan een strafbaar feit als bedoeld in de Opiumwet rechtvaardigden. De omstandigheid dat [verbalisant 1] voormeld voorafgaande aan het binnentreden van de woning op twee dagen de woning aan de buitenzijde heeft bekeken en daarbij niets opvallends heeft geconstateerd, doet daaraan niet af, mede in aanmerking genomen dat de politie ook geen aanwijzingen heeft gekregen die tegenstrijdig waren aan de inhoud van de anonieme meldingen."

2.4.1. Vooropgesteld dient te worden dat verdenking van overtreding van de Opiumwet kan worden aangenomen op basis van anoniem aan de politie verstrekte informatie (vgl. HR 11 maart 2008, LJN BC1367, NJ 2008, 328). De beantwoording van de vraag of dergelijke informatie toereikend is voor de toepassing van art. 9, eerste lid aanhef en onder b, Opiumwet is in belangrijke mate afhankelijk van aan de feitenrechter voorbehouden weging en waardering van de omstandigheden van het geval. Het oordeel van de feitenrechter daaromtrent kan derhalve in cassatie slechts in beperkte mate worden getoetst

2.4.2. Het Hof heeft vastgesteld dat de anonieme informatie in het onderhavige geval was vervat in een melding van 24 maart 2006 in het kader van "Meld Misdaad Anoniem" en een soortgelijke melding die betrekkelijk kort daarvoor, in januari 2006, was gedaan. Het Hof heeft geoordeeld dat deze meldingen voldoende aanwijzingen opleverden die een redelijk vermoeden van schuld aan een strafbaar feit als bedoeld in de Opiumwet rechtvaardigden. Door het gevoerde verweer op die grond te verwerpen heeft het Hof niet blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting. Zijn oordeel is evenmin onbegrijpelijk.

2.5. Het middel faalt.

3. Beoordeling van het tweede middel

Het middel kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4. Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren B.C. de Savornin Lohman, J.W. Ilsink, H.A.G. Splinter-van Kan en C.H.W.M. Sterk, in bijzijn van de griffier S.P. Bakker, en uitgesproken op 12 januari 2010.