Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2010:BK8611

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
07-05-2010
Datum publicatie
07-05-2010
Zaaknummer
08/04358
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2010:BK8611
In cassatie op : ECLI:NL:GHARN:2008:BE9244, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Art. 222 Gemeentewet. Baatbelasting. Herinrichting van de binnenstad van de gemeente Breda. Geen wezenlijke verandering van het geheel van voorzieningen naar aard, inrichting of omvang.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Belastingblad 2010/796 met annotatie van M.R.P. de Bruin
BNB 2010/231 met annotatie van G.J. van Leijenhorst
FED 2010/72 met annotatie van G. GROENEWEGEN
V-N 2010/23.21 met annotatie van Redactie
FutD 2010-1171
NTFR 2010/1214 met annotatie van mr. dr. G. Groenewegen
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Nr. 08/04358

7 mei 2010

Arrest

gewezen op het beroep in cassatie van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Breda te Breda (hierna: het College) tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Arnhem van 27 augustus 2008, nr. 07/00191, betreffende na te melden aan X6 B.V. te Z3 (hierna: belanghebbende) opgelegde aanslag in een baatbelasting van de gemeente Breda.

1. Het geding in feitelijke instanties

Aan belanghebbende is ter zake van het genot krachtens eigendom, bezit of beperkt recht van de onroerende zaak J-straat 2 te Q een aanslag in de baatbelasting binnenstad van de gemeente Breda opgelegd ten bedrage van ƒ 294.841,30, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van het hoofd van de afdeling belastingen van de bestuursdienst van de gemeente Breda (hierna: het hoofd) is gehandhaafd.

Het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch heeft het tegen die uitspraak ingestelde beroep ongegrond verklaard.

2. Het eerste en tweede geding in cassatie

De uitspraak van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch is op het beroep van belanghebbende bij arrest van de Hoge Raad van 8 augustus 2003, nr. 36769, LJN AE2304, BNB 2003/339, vernietigd, met verwijzing van het geding naar het Gerechtshof te 's-Gravenhage ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dat arrest. De uitspraak van laatstgenoemd hof is op het beroep van belanghebbende bij arrest van de Hoge Raad van 4 mei 2007, nr. 42457, LJN AZ0355, BNB 2007/233, vernietigd, met verwijzing van het geding naar het Gerechtshof te Arnhem (hierna: het Hof) ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dat arrest.

Het Hof heeft het beroep gegrond verklaard en de uitspraak van het hoofd alsmede de aanslag vernietigd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

3. Het derde geding in cassatie

Het College heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend.

De Advocaat-Generaal R.E.C.M. Niessen heeft op 26 november 2009 geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep in cassatie.

Het College heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.

4. Beoordeling van het middel

4.1.1. Blijkens onderdeel 4.1 onder (a.1) van het arrest van de Hoge Raad van 4 mei 2007, nr. 42457, LJN AZ0355, BNB 2007/233, kan een wijziging of vervanging van een bestaande voorziening het tot stand brengen van een voorziening in de zin van artikel 222, lid 1, van de Gemeentewet (hierna: de Wet) inhouden, mits zulks in een verbetering van de bestaande voorziening resulteert.

Het Hof heeft dienaangaande overwogen dat slechts de verbeterde onderdelen van bestaande voorzieningen als voorzieningen in de zin van artikel 222, lid 1, van de Wet zijn aan te merken. Het eerste en tweede onderdeel van het middel komen onder meer hiertegen op.

4.1.2. De middelonderdelen betogen terecht dat ook een wijziging of vervanging van een voorziening die slechts in een verbetering van een gedeelte van een bestaande voorziening resulteert, dan wel slechts in beperkte mate tot verbetering van een bestaande voorziening heeft geleid, als een voorziening in de zin van artikel 222, lid 1, van de Wet is aan te merken.

Dat laat overigens onverlet dat de mate waarin de kosten van die voorziening door middel van een baatbelasting kunnen worden verhaald, is beperkt tot de aan de verbetering toe te rekenen kosten, op de wijze die is omschreven in onderdeel 4.1 onder (b) van vorenvermeld arrest.

4.2.1. Het Hof heeft vervolgens onder 4.12 overwogen dat van een wezenlijke verandering van het geheel van de voorzieningen naar inrichting, aard of omvang in het onderhavige geval niet kan worden gesproken, hetgeen overeenkomstig onderdeel 4.1 onder (d.1) en (d.2) van vorenvermeld arrest het beoogde verhaal van de kosten door middel van een baatbelasting onmogelijk maakt. Hiertegen richt zich het derde onderdeel van het middel.

4.2.2. Anders dan het middelonderdeel betoogt heeft het Hof bij zijn oordeel, gelet op de formulering van het vervolg van 4.12, kennelijk het geheel van de voorzieningen in het heringerichte gebied, en dus niet enkel de verbeterde onderdelen van de bestaande voorzieningen, in de beschouwing betrokken.

Aldus verstaan geeft 's Hofs oordeel geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Voor het overige kan het, als verweven met waarderingen van feitelijke aard, in cassatie niet op juistheid worden getoetst. Het oordeel is ook niet onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd. Daarbij verdient opmerking dat het Hof, gelet op het karakter van de baatbelasting, bij de motivering van zijn oordeel over de verandering van het geheel van voorzieningen de nadruk mocht leggen op wijzigingen die tot een verbetering hebben geleid. Het derde middelonderdeel faalt derhalve.

4.3. Het onder 4.2.1 weergegeven oordeel van het Hof draagt zijn uitspraak zelfstandig. Het beroep in cassatie is mitsdien ongegrond. Voor zover onder 4.1.2 de eerste twee middelonderdelen gegrond zijn bevonden, kan dit derhalve niet tot cassatie leiden. Die onderdelen behoeven voor het overige geen bespreking.

5. Proceskosten

Het College zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie.

6. Beslissing

De Hoge Raad:

verklaart het beroep in cassatie ongegrond, en

veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Breda in de kosten van het geding in cassatie aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 644 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Dit arrest is gewezen door de vice-president J.W. van den Berge als voorzitter, en de raadsheren C. Schaap, J.W.M. Tijnagel, A.H.T. Heisterkamp en M.W.C. Feteris, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier A.I. Boussak-Leeksma, en in het openbaar uitgesproken op 7 mei 2010.

Van de gemeente Breda wordt ter zake van het door het College ingestelde beroep in cassatie een griffierecht geheven van € 448.