Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2010:BK8146

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
19-03-2010
Datum publicatie
19-03-2010
Zaaknummer
08/03241
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2010:BK8146
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Procesrecht. Verzoek tot bevelen voorlopig getuigenverhoor om opheldering te verkrijgen over vervanging van voltallige meervoudige kamer hangende geding, dat is uitgemond in eindvonnis waartegen cassatieberoep is ingesteld. Aan toewijsbaarheid verzoek staat mogelijkheid om tegen de einduitspraak een rechtsmiddel aan te wenden niet in de weg. Verzoekster lijdt in zoverre geen schade als gevolg van beweerd onrechtmatig handelen van gerechtsbestuur dat met de uitkomst van het geding, als de daartegen aan te wenden rechtsmiddelen zijn uitgeput, de onderlinge rechtsverhouding tussen de procespartijen (bij dat geding) vastligt. Indien de door verzoekster gestelde gang van zaken juist is, betekent dit evenwel een ernstige schending van het mede door art. 6 EVRM gegarandeerde fundamentele recht op een eerlijk proces. In een op die schending gebaseerde procedure zou, als genoegdoening voor die schending, een daartoe strekkende verklaring voor recht kunnen worden gevorderd.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 187
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2010, 435
NJ 2010, 172
NJB 2010, 737
JWB 2010/108
JBPR 2010/42 met annotatie van H.L.G. Wieten
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

19 maart 2010

Eerste Kamer

08/03241

EE

Hoge Raad der Nederlanden

Beschikking

in de zaak van:

CHIP(S)HOL HOLDING III B.V.,

gevestigd te Wassenaar,

VERZOEKSTER tot cassatie,

advocaat: mr. B.T.M. van der Wiel,

t e g e n

DE STAAT DER NEDERLANDEN (rechtbank Haarlem),

zetelende te 's-Gravenhage,

VERWEERDER in cassatie,

advocaat: mr. G.J.H. Houtzagers.

Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als Chipshol en de Staat.

1. Het geding in feitelijke instanties

Met een op 27 maart 2007 ter griffie van de rechtbank 's-Gravenhage ingediend verzoekschrift heeft Chipshol zich gewend tot die rechtbank en verzocht, kort gezegd, een voorlopig getuigenverhoor te bevelen omtrent de in het inleidend verzoekschrift onder 11-28 genoemde feiten.

De Staat heeft het verzoek bestreden.

De rechtbank heeft bij beschikking van 16 juli 2007 het verzoek van Chipshol afgewezen.

Tegen deze beschikking heeft Chipshol hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te 's-Gravenhage.

Bij beschikking van 8 mei 2008 heeft het hof de bestreden beschikking bekrachtigd.

De beschikking van het hof is aan deze beschikking gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen de beschikking van het hof heeft Chipshol beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Staat heeft verzocht het beroep te verwerpen.

De zaak is voor Chipshol toegelicht door haar advocaat en mr. P.A. Fruytier, advocaat bij de Hoge Raad, en voor de Staat door haar advocaat en mr. S.M. Kingma, advocaat bij de Hoge Raad.

De conclusie van de Advocaat-Generaal E.M. Wesseling-van Gent strekt tot vernietiging van de beschikking van het gerechtshof te 's-Gravenhage van 8 mei 2008 en tot verwijzing.

De advocaat van de Staat heeft bij brief van 7 januari 2010 op die conclusie gereageerd.

3. Beoordeling van het middel

3.1 In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

(i) Chipshol heeft op de voet van art. 50 van de Luchtvaartwet bij de rechtbank Haarlem een schadevergoedingsprocedure tegen Luchthaven Schiphol N.V. (hierna: de Luchthaven) aanhangig gemaakt. Bij vonnis van 12 januari 2005, gewezen door mrs. A.C. Monster, J.C.M. Swinkels en W. Veldhuijzen van Zanten, heeft de rechtbank overwogen dat de Luchthaven de door Chipshol ten gevolge van het bouwverbod geleden schade moet vergoeden en dat de rechtbank behoefte heeft aan deskundige voorlichting over de omvang van de schade.

Drie deskundigen hebben vervolgens onderzoek verricht en daarover gerapporteerd.

(ii) Naast voormelde procedure heeft Chipshol bij de rechtbank Haarlem op de voet van art. 6:162 BW een procedure aangespannen tegen Luchtverkeersleiding Nederland (hierna: LVNL). In die procedure heeft op 18 september 2006 ten overstaan van mr. Monster, voornoemd, een comparitie van partijen plaatsgevonden.

Ook in deze procedure is een deskundigenonderzoek gelast.

(iii) In de zaak tegen de Luchthaven vonden op 15 januari 2007 de slotpleidooien plaats. Kort voor dit pleidooi bleek Chipshol dat de voltallige meervoudige kamer onder voorzitterschap van mr. Monster was vervangen door drie nieuwe rechters.

(iv) Chipshol heeft tegen deze vervanging tevergeefs geprotesteerd bij de president van de rechtbank Haarlem. Vervolgens heeft Chipshol een verzoek tot wraking van de drie nieuwe rechters ingediend. Dat verzoek is bij beslissing van de wrakingskamer van de rechtbank Haarlem van 28 maart 2007 afgewezen.

(v) In de procedure tegen de Luchthaven is inmiddels eindvonnis gewezen waartegen beide partijen cassatieberoep hebben ingesteld, waarop door de Hoge Raad bij arrest van 19 februari 2010, nrs. 08/01502 en 08/01550, LJN BK4476, is beslist.

(vi) Ook in de onder (ii) vermelde procedure zijn de drie rechters die de zaak behandelden door andere rechters vervangen.

3.2 Chipshol heeft aan haar hiervoor in 1 vermelde verzoek tot het houden van een voorlopig getuigenverhoor ten grondslag gelegd dat zij door de vervanging van de drie rechters in haar procesbelang is geschaad en dat (het bestuur van) de rechtbank Haarlem aldus art. 6 EVRM heeft geschonden, althans jegens haar onzorgvuldig heeft gehandeld. Volgens Chipshol moet in het bijzonder worden onderzocht of de vervanging van de gehele kamer op enigerlei wijze verband houdt met het optreden van die kamer. De rechtbank heeft het verzoek afgewezen en het hof heeft die beslissing bekrachtigd.

3.3 Het hof heeft geoordeeld dat Chipshol bij het bevelen van een voorlopig getuigenverhoor geen enkel rechtens te beschermen belang heeft omdat zij op de door haar aangevoerde gronden geen rechtsvordering tegen de Staat heeft. Dit laatste is in de gedachtegang van het hof het geval, omdat, samengevat

a. de schade die Chipshol van de Staat wil vorderen bestaat uit het verschil tussen de schadeloosstelling die door de vervangende kamer is toegewezen en de hogere schadeloosstelling die de oorspronkelijke kamer zou hebben vastgesteld,

b. tegen de uitspraak waarin de door de Luchthaven te betalen schadeloosstelling wordt vastgesteld cassatieberoep openstaat,

c. het gesloten stelsel van rechtsmiddelen meebrengt dat Chipshol de schadeloosstelling niet daarnaast óók langs de weg van een vordering uit onrechtmatige daad tegen de Staat kan vorderen, en

d. de rechter die de vordering uit onrechtmatige daad beoordeelt immers moet uitgaan van de juistheid van de schadeloosstelling zoals die na toepassing van het openstaande rechtsmiddel (cassatie in de procedure tegen de Luchthaven, en hoger beroep in de procedure tegen LVNL) is vastgesteld.

Het verzoek is daarom niet toewijsbaar, zodat de stelling van Chipshol dat de vervanging van de kamer verband houdt met de wijze waarop de drie rechters de zaak behandelden niet meer van belang is.

3.4 In de procedure tot het houden van een voorlopig getuigenverhoor ligt de toewijsbaarheid van de in te stellen vordering niet ter toetsing voor. Een voorlopig getuigenverhoor strekt in een geval als het onderhavige ertoe verzoeker de gelegenheid te bieden opheldering te verkrijgen omtrent de voor het eventueel aan te spannen geding van belang zijnde feiten, zulks teneinde hem in staat te stellen zijn positie beter te beoordelen. Over de precieze aard van de in te stellen vordering en, in voorkomend geval, de omvang van de geleden schade, behoeft de verzoeker zich niet uit te laten (vgl. HR 6 juni 2008, nr. R07/117, LJN BC3354, NJ 2008, 323). Voorzover hij zich daarover wel uitlaat, is hij daaraan in het na opheldering van de feiten ingestelde geding niet gebonden.

3.5 Chipshol wenst opheldering omtrent de vervanging van de rechters die belast waren met de behandeling van de zaken tegen de Luchthaven en tegen LVNL. Zij vermoedt, mede gelet op de tegenwerking die zij naar haar stelling van andere (semi)overheidsorganen heeft ondervonden, dat de vervanging te maken heeft met de wijze waarop de vervangen rechters de zaken behandelden. Volgens Chipshol is aldus sprake geweest van onrechtmatige beïnvloeding van de procedure door het gerechtsbestuur.

3.6 Aan de toewijsbaarheid van een op die grond gebaseerde vordering staat, anders dan volgens het hof het geval is (zie hiervoor in 3.3), niet in de weg dat Chipshol in de procedures tegen de Luchthaven en tegen LVNL een rechtsmiddel heeft kunnen instellen. Weliswaar heeft de (thans nog niet bekende) uitkomst van die procedures na aanwending van alle rechtsmiddelen te gelden als hetgeen waarop Chipshol jegens de Luchthaven en LVNL rechtens aanspraak kan maken, zodat zij in zoverre geen schade lijdt ten gevolge van het door haar gestelde onrechtmatig handelen van het gerechtsbestuur. Maar dat neemt niet weg dat de door Chipshol gestelde gang van zaken, indien deze zou komen vast te staan, een ernstige schending zou betekenen van haar door onder meer art. 6 EVRM gegarandeerde fundamentele recht op een eerlijk proces. In een op die schending gebaseerde procedure tegen de Staat zou Chipshol in elk geval, als genoegdoening voor deze schending, een daartoe strekkende verklaring voor recht kunnen vorderen.

Het hof heeft dan ook ten onrechte de afwijzing van het verzoek erop gegrond dat de eventueel in te stellen vordering niet toewijsbaar is en dat Chipshol om die reden geen belang bij haar verzoek heeft.

3.7 De op het voorgaande gerichte klachten van het middel slagen derhalve. Voor het overige behoeft het middel geen behandeling.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de beschikking van het gerechtshof te 's-Gravenhage van 8 mei 2008;

verwijst het geding naar het gerechtshof te Amsterdam ter verdere behandeling en beslissing;

veroordeelt de Staat in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van Chipshol begroot op € 371,07 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris.

Deze beschikking is gegeven door de vice-president D.H. Beukenhorst als voorzitter en de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, A. Hammerstein, W.A.M. van Schendel en C.A. Streefkerk, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer W.A.M. van Schendel op 19 maart 2010.