Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2010:BK8100

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
19-02-2010
Datum publicatie
19-02-2010
Zaaknummer
08/04307, 08/04308 en 08/04333
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2010:BK8100
Rechtsgebieden
Civiel recht
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Onteigeningsrecht. Ontvankelijkheid cassatieberoep bij een en dezelfde cassatiedagvaarding tegen vier in verschillende gedingen gewezen uitspraken die materiële en processuele samenhang vertonen; gewijzigd inrichtingsplan dat niet dusdanig afwijkt van het inrichtingsplan waarvan het onteigeningsplan is uitgegaan, dat noodzaak tot onteigening komt te ontbreken.

Wetsverwijzingen
Onteigeningswet
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2010, 332
NJ 2010, 116
Module Grondzaken 2010/161
JWB 2010/71
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

19 februari 2010

Eerste Kamer

08/04307, 08/04308 en 08/04333

EE/AS

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak 08/04307:

[A],

wonende te [woonplaats],

EISER tot cassatie,

advocaat: mr. J.A.M.A. Sluysmans,

t e g e n

DE STAAT DER NEDERLANDEN,

zetelende te 's-Gravenhage,

VERWEERDER in cassatie,

advocaat: mr. M.W. Scheltema,

in de zaak 08/04308:

[B],

wonende te [woonplaats],

EISER tot cassatie,

advocaat: mr. J.A.M.A. Sluysmans,

t e g e n

DE STAAT DER NEDERLANDEN,

zetelende te 's-Gravenhage,

VERWEERDER in cassatie,

advocaat: mr. M.W. Scheltema,

in de zaak 08/04333:

1. [C],

2. [D],

3. [E],

4. [F],

5. [G],

6. [A],

allen wonende te [woonplaats],

EISERS tot cassatie,

advocaat: mr. J.A.M.A. Sluysmans,

t e g e n

DE STAAT DER NEDERLANDEN,

zetelende te 's-Gravenhage,

VERWEERDER in cassatie,

advocaat: mr. M.W. Scheltema.

Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als [A], [B] en [C] c.s. en de Staat.

1. Het geding in feitelijke instantie

De Staat heeft bij exploten van 28 september 2007 en 1 oktober 2007 [betrokkene 1], [B] en [betrokkene 2] (in zijn hoedanigheid van derde ex art. 20 van de Onteigeningswet voor de erven van [betrokkene 3]) en [C] c.s. gedagvaard voor de rechtbank Rotterdam en gevorderd ten name van de Staat vervroegd uit te spreken de onteigening van een groot aantal percelen, zoals omschreven in de inleidende dagvaardingen waarvan [betrokkene 1] als bewindvoerder optreedt, respectievelijk [B] en de erven van [betrokkene 3] en [C] c.s. als eigenaar zijn aangewezen, en het bedrag van de schadeloosstelling vast te stellen.

[A] heeft bij incidentele conclusie tot tussenkomst, tevens conclusie van antwoord verzocht als tussenkomende partij te worden toegelaten. Bij tussenvonnis van 16 april 2008 heeft de rechtbank [A] als tussenkomende partij toegelaten.

Bij (eind)vonnissen van 10 september 2008 heeft de rechtbank onder meer de gevorderde onteigening vervroegd uitgesproken en het voorschot op de schadeloosstelling voor [C] c.s. vastgesteld, bepaald dat de Staat het bijkomend aanbod gestand doet, en drie deskundigen en een rechter-commissaris benoemd.

De vonnissen van 10 september 2008 zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit.

2. Het geding in cassatie

[A], [B] en [C] c.s. hebben tegen de vonnissen van de rechtbank van 10 september 2008 beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaardingen zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit.

De Staat heeft geconcludeerd tot verwerping van de beroep.

De zaak is voor [A], [B] en [C] c.s. toegelicht door hun advocaat en voor de Staat door zijn advocaat en mr. R.T. Wiegerink, advocaat bij de Hoge Raad.

De conclusie van de Advocaat-Generaal P.J. Wattel strekt tot verwerping van het beroep.

De advocaat van [B] en [C] c.s. heeft in de zaken onder rolnummer 08/04308 en 08/04333 bij brief van 4 januari 2010 op die conclusie gereageerd.

3. Uitgangspunten in cassatie

(i) De Staat heeft, onder aanbieding van schadeloosstellingen, op de voet van Titel VII (Onteigening in het belang van de landinrichting) van de Onteigeningswet (Ow) de vervroegde onteigening gevorderd van een groot aantal percelen te Ridderkerk, Heerjansdam en Zwijndrecht, zulks ten behoeve van de realisering van het Landinrichtingsplan voor de herinrichting van IJsselmonde-Oost.

(ii) Het Landinrichtingsplan zoals bedoeld in art. 86 Landinrichtingswet waarvoor wordt onteigend is opgesteld door de Landinrichtingscommissie IJsselmonde en is vastgesteld door het College van Gedeputeerde Staten van Zuid-Holland.

(iii) De voorgenomen onteigening is bij Koninklijk besluit (KB) goedgekeurd door de Kroon. Niet in geschil is dat het Landinrichtingsplan, zijn totstandkomingsprocedure, en de administratieve fase van de onteigening voldoen aan de wettelijke eisen.

(iv) Het Landinrichtingsplan is uitgewerkt in een - niet in de Landinrichtingswet of de Onteigeningswet geregeld - inrichtingsplan. Dat inrichtingsplan is nadien gewijzigd ten opzichte van hoe het luidde ten tijde van het onteigenings-KB.

Geen van de eisers tot cassatie heeft in de administratieve fase van de onteigeningsprocedure bezwaar gemaakt tegen de voorgenomen onteigening, tegen het Landinrichtingsplan of tegen het (oorspronkelijke) inrichtingsplan.

(v) De onteigeningen hebben betrekking op de onderdelen "Waalbos" en "Waaloever" van het Landinrichtingsplan. Het oorspronkelijke inrichtingsplan voorzag voor "Waalbos" en "Waaloever" in dichte bossen met open water. Volgens het na afgifte van het KB gewijzigde inrichtingsplan zullen de te onteigenen percelen worden ingericht met "bos, halfopen bos met begrazing, bloemrijk ruig terrein met struweel, rietbeplanting en water, ligweide, parkeerplaats en een botenhelling".

(vi) Het KB tot onteigening wees van bepaalde percelen [B] en [C] c.s. als eigenaren aan [A] was pachter van een aantal andere te onteigenen percelen. Die percelen stonden onder bewind van [betrokkene 1]. Het KB wees ter zake van deze percelen vier verschillende groepen eigenaren aan en de Staat heeft aan [betrokkene 1] vier afzonderlijke dagvaardingen betekend. Bij vier afzonderlijke vonnissen van 16 april 2008 heeft de rechtbank [A] op diens verzoek in die vier zaken laten tussenkomen.

(vii) Bij zes vonnissen van 10 september 2008 heeft de rechtbank de vervroegde onteigening uitgesproken van alle in deze cassatieprocedure betrokken percelen.

4. Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep in de zaak onder rolnummer 08/04307 van [A] tegen de Staat

4.1 [A] heeft één cassatiedagvaarding uitgebracht tegen de vier afzonderlijke vonnissen waarbij de vervroegde onteigening is uitgesproken van de desbetreffende percelen waarvan hij pachter was en aan hem telkens voorschotten op schadeloosstellingen zijn toegekend. Het bij die dagvaarding ingediende cassatiemiddel is in de vier zaken gelijkluidend.

4.2 De Staat heeft de vraag opgeworpen of dit cassatieberoep ontvankelijk is. Daartoe wordt aangevoerd dat weliswaar sprake is van vier op dezelfde dag, door dezelfde rechter en tussen dezelfde partijen uitgesproken vonnissen, maar dat betwijfeld kan worden of het hier gaat om 'vorderingen die gewoonlijk verenigd aan de rechter worden voorgelegd' als bedoeld in HR 7 maart 1980, nr. 11539, LJN AB7499, NJ 1980, 611. Van belang daarbij is, aldus de Staat, dat in het KB vier verschillende groepen eigenaren waren aangewezen en dat dit voor de Staat de reden heeft gevormd om vier dagvaardingen uit te brengen.

4.3 In het onderhavige geval, waarin al de te onteigenen, door [A] gepachte, percelen onder bewind stonden van dezelfde bewindvoerder die in de vier zaken de enige gedaagde was, verzet een goede procesorde zich niet tegen het bij een en hetzelfde exploot van dagvaarding instellen van beroep in cassatie tegen de in de vier verschillende gedingen gewezen uitspraken. Deze zaken vertonen een zodanig nauwe materiële en processuele samenhang, dat de enkele omstandigheid dat de Staat vier dagvaardingen heeft doen uitbrengen omdat in het KB vier verschillende groepen eigenaren waren aangewezen, niet in de weg staat aan de ontvankelijkheid van het cassatieberoep. De door de Staat opgeworpen vraag moet dus bevestigend worden beantwoord.

5. Beoordeling van het middel in de zaken onder rolnummer 08/04307, 08/04308 en 08/04333

5.1 De rechtbank heeft in de bestreden uitspraak de stelling van [A], [B] en [C] c.s. verworpen dat er als gevolg van de wijziging van het inrichtingsplan na afgifte van het onteigenings-KB geen geldige grondslag voor onteigening meer zou zijn. Dienaangaande heeft zij in alle zaken (in rov. 3.7 in de zaken met rolnummer 08/04308 ([B]) en 08/04333 ([C] c.s.) en in rov. 2.8 in de zaak onder rolnummer 08/04307 ([A])) het volgende overwogen.

"Het Landinrichtingsplan dat ten grondslag heeft gelegen aan het KB en de basis vormt voor de gevorderde vervroegde onteigening is, behoudens uitbreiding van te onteigenen percelen, niet gewijzigd. De bestemming voor de onderdelen Waalbos en Waaloever is nog steeds "aan te leggen bos en beplanting" en "recreatiegebied". De uitwerking van het Landinrichtingsplan in het inrichtingplan van de te onteigenen percelen is na de afgifte van het KB wel gewijzigd. Het grote dichte bos met open water is vervangen door bos, halfopen bos met begrazing, bloemrijk ruig terrein met struweel, rietbeplanting en water, een ligweide met parkeerplaats en een botenhelling. Anders dan door [eisers tot cassatie] betoogd, is de rechtbank van oordeel dat deze wijziging in de inrichting niet leidt tot de conclusie dat de onteigening niet meer geschiedt ter uitvoering van het Landinrichtingsplan. De gewijzigde inrichting behelst slechts een nadere uitwerking van de

- ongewijzigde - globale bestemming en betreft met name de aard van de beplanting, terwijl ook de nadere invulling van het recreatiegebied met naast bloemrijk ruig terrein met struweel, een ligweide, parkeerplaats en botenhelling niet kan worden aangemerkt als een essentiële wijziging in de planologie. Op grond hiervan kan dan ook niet worden gesteld dat de Staat in redelijkheid niet tot de noodzaak van onteigening had kunnen besluiten en zal - nu ook overigens de bij wet voorgeschreven termijnen en formaliteiten in acht zijn genomen - de gevorderde vervroegde onteigening van de [in geding zijnde percelen] worden toegewezen."

5.2 Het middel komt met rechts- en motiveringsklachten op tegen de hiervoor vermelde overwegingen.

In de onderdelen II - V, die zich voor gezamenlijke behandeling lenen, wordt naar de kern genomen betoogd dat de Staat niet had mogen worden ontvangen in zijn vordering tot vervroegde onteigening nu het inrichtingsplan op basis waarvan de Kroon bij het KB de onteigening heeft goedgekeurd nadien - in de ogen van eisers tot cassatie: wezenlijk - is veranderd, zodat de Kroon de noodzaak tot onteigening voor uitvoering van de nieuwe uitwerking niet heeft onderzocht en de administratieve procedure opnieuw had moeten worden doorlopen. In dit verband wordt in het bijzonder een beroep gedaan op HR 10 augustus 1994, nr. 1175, LJN AC1572, NJ 1996, 15, ten betoge dat, zoals in het in dit arrest berechte geval, ook in het onderhavige geval de onteigeningsrechter is gehouden te onderzoeken of het ten tijde van de vordering tot onteigening voorliggende plan hetzelfde is als het plan dat na onteigening zal worden uitgevoerd, en, zo dit niet het geval is, die rechter de onteigenende partij - behoudens indien het gaat om een verandering van ondergeschikte betekenis - niet-ontvankelijk zal moeten verklaren.

5.3 De rechtbank heeft - in cassatie onbestreden - het volgende vastgesteld.

Het Landinrichtingsplan dat ten grondslag ligt aan het onteigenings-KB en aan de vordering tot onteigening is, voor zover hier van belang, niet gewijzigd. De in het Landinrichtingsplan voorziene bestemming van de te onteigenen percelen ("aan te leggen bos en beplanting" en "recreatiegebied") is niet gewijzigd door de uitwerking daarvan in het inrichtingsplan en ook de wijziging van het oorspronkelijke inrichtingsplan heeft geen wijziging gebracht in die bestemming. Het gewijzigde inrichtingsplan vormt slechts een nadere uitwerking van de - ongewijzigde - globale bestemming. De onteigening geschiedt nog steeds ter uitvoering van het Landinrichtingsplan.

Anders dan in het arrest van de Hoge Raad waarop het middel zich in het bijzonder beroept - waarin het ging om een geval waarin de rechtbank was voorbijgegaan aan de stelling van de te onteigenen partij dat het bouwplan na het onteigenings-KB wat betreft de vorm van uitvoering en wat betreft de omvang van hetgeen wordt onteigend ingrijpend was gewijzigd - staat hier in cassatie vast dat het Landinrichtingsplan niet is gewijzigd en dat het gewijzigde inrichtingsplan uitwerkingen bevat die passen in de bestemming.

5.4 De rechtbank heeft niet miskend dat zij in het onderhavige geval had te onderzoeken of het gewijzigde inrichtingsplan zodanig afwijkt van het inrichtingsplan waarvan het onteigeningsbesluit is uitgegaan, dat de noodzaak tot onteigening is komen te ontbreken (vgl. HR 29 juni 1988, nr. 1091, LJN AD0386, NJ 1989, 52), maar heeft klaarblijkelijk met deze maatstaf voor ogen geoordeeld dat van zodanige afwijking geen sprake was omdat de uitwerking van het gewijzigde inrichtingsplan, dat nog steeds strookte met het Landinrichtingsplan, ondergeschikte punten betrof.

Dat oordeel geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is, in het licht van voormelde vaststellingen en mede in aanmerking genomen dat [A], [B] en [C] c.s. niet hebben gesteld dat en waarom het gewijzigde inrichtingsplan de noodzaak tot onteigening deed vervallen, niet onbegrijpelijk en is toereikend gemotiveerd.

Daarop stuiten de klachten van de onderdelen II - V af.

5.5 De klacht van onderdeel I kan niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu die klacht niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

6. Beslissing

De Hoge Raad:

verwerpt het beroep;

veroordeelt [A] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van de Staat begroot op € 374,34 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris;

veroordeelt [B] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van de Staat begroot op € 374,34 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris;

veroordeelt [C] c.s. in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van de Staat begroot op € 374,34 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris.

Dit arrest is gewezen door de vice-president J.B. Fleers als voorzitter en de raadsheren O. de Savornin Lohman, A. Hammerstein, W.A.M. van Schendel en C.A. Streefkerk, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer W.A.M. van Schendel op 19 februari 2010.