Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2010:BK7082

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
09-02-2010
Datum publicatie
10-02-2010
Zaaknummer
08/04152
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2010:BK7082
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

ISD-maatregel. Art. 38m Sr. De HR herhaalt relevante overwegingen uit HR LJN AY8975. Het Hof heeft in voldoende mate tot uitdrukking gebracht dat verdachte in de vijf jaren voorafgaand aan feit 1 tenminste driemaal wegens een misdrijf onherroepelijk tot een vrijheidsbenemende straf is veroordeeld. De vaststelling van het Hof dat tenminste drie van de aan verdachte opgelegde gevangenisstraffen "vóór de thans te berechten feiten" zijn tenuitvoergelegd, is echter niet zonder meer begrijpelijk, nu niet valt uit te sluiten dat de desbetreffende gevangenisstraffen geheel of gedeeltelijk na het begaan van feit 1 zijn tenuitvoergelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2010, 323
NJB 2010, 454
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

9 februari 2010

Strafkamer

Nr. 08/04152

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Amsterdam van 5 september 2008, nummer 23/001781-08, in de strafzaak tegen:

[Verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1956, ten tijde van de betekening van de aanzegging gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting "Midden Holland, locatie De Geniepoort" te Alphen aan den Rijn.

1. Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. B.P. de Boer, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Knigge heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest, doch uitsluitend wat betreft de opgelegde maatregel en de bepaling dat ten aanzien van feit 3 geen straf of maatregel wordt opgelegd, tot zodanige beslissing als de Hoge Raad op grond van art. 440 Sv gepast zal voorkomen, en tot verwerping van het beroep voor het overige.

2. Beoordeling van het middel

2.1. Het middel klaagt over de opgelegde maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders.

2.2. Ten laste van de verdachte heeft het Hof bewezenverklaard dat hij:

"ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde:

op 8 januari 2008 te Amsterdam met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een winkel heeft weggenomen potten koffie, waarde 26,76 euro, toebehorende aan [benadeelde partij], vestiging [a-straat 1];

ten aanzien van het onder 3 tenlastegelegde:

op 24 mei 2007 te Zaandijk, gemeente Zaanstad, opzettelijk beledigend een ambtenaar, te weten [verbalisant 1], adspirant van politie, gedurende en ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, te weten het verzorgen van arrestanten in Zaandijk in diens tegenwoordigheid mondeling heeft toegevoegd de woorden "klootzakken" en "homo's" en "kankerlijers" en "mongolen".

2.3. Het proces-verbaal van de terechtzitting in het hoger beroep houdt in:

"De voorzitter houdt de verdachte het hem betreffend Uittreksel Justitiële Documentatie van 8 augustus 2008 voor.

De raadsvrouw merkt op over een ouder exemplaar te beschikken.

De jongste raadsheer geeft de raadsvrouw een de verdachte betreffend Uittreksel Justitiële Documentatie van 8 augustus 2008.

De advocaat-generaal deelt mede dat uit het door haar zojuist aan het hof overgelegde overzicht van 18 augustus 2008 betreffende "openstaande onherroepelijke vrijheidsstraffen" blijkt dat de verdachte tenminste drie van de aan hem opgelegde gevangenisstraffen reeds heeft uitgezeten, zodat vaststaat dat de straffen vóór de thans te berechten feiten zijn tenuitvoergelegd. Voorts deelt zij mede dat uit voornoemd stuk tevens blijkt dat minder dan vier maanden aan onherroepelijke vonnissen open staan."

2.4. Het Hof heeft ten aanzien van de oplegging van de maatregel overwogen:

"Voor het onder 1 bewezenverklaarde feit is voorlopige hechtenis toegelaten en blijkens eerdergenoemd de verdachte betreffend Uittreksel Justitiële Documentatie van 8 augustus 2008 is de verdachte in de vijf jaren voorafgaand aan het begaan van het onderhavige misdrijf meermalen eerder onherroepelijk veroordeeld tot onder meer gevangenisstraffen. Uit de door de advocaat-generaal ter terechtzitting in hoger beroep gedane mededeling en het daarbij door haar overgelegde overzicht van 18 augustus 2008 betreffende "openstaande onherroepelijke vrijheidsstraffen", blijkt dat de verdachte tenminste drie van de aan hem opgelegde gevangenisstraffen reeds heeft uitgezeten, zodat vaststaat dat de straffen vóór de thans te berechten feiten zijn tenuitvoergelegd. Tevens blijkt uit voornoemd stuk dat minder dan vier maanden aan onherroepelijke vonnissen open staan.

Op grond van de vele veroordelingen wegens het plegen van onder meer vermogensdelicten en gelet op de persoon van de verdachte zoals gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting houdt het hof er ernstig rekening mee dat de verdachte wederom een misdrijf zal begaan. Gelet op de aard van de door de verdachte veelvuldig gepleegde feiten eist de veiligheid van personen en goederen oplegging van de ISD-maatregel.

(...)

Nu ten aanzien van het onder 1 bewezenverklaarde de ISD-maatregel wordt opgelegd, zal ten aanzien van het onder 3 bewezenverklaarde geen straf of maatregel worden opgelegd."

2.5. Art. 38m, eerste lid, Sr luidt:

"De rechter kan op vordering van het openbaar ministerie de maatregel opleggen tot plaatsing van een verdachte in een inrichting voor stelselmatige daders, indien:

1° het door de verdachte begane feit een misdrijf betreft waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten;

2° de verdachte in de vijf jaren voorafgaand aan het door hem begane feit ten minste driemaal wegens een misdrijf onherroepelijk tot een vrijheidsbenemende straf of maatregel, een vrijheidsbeperkende maatregel of een taakstraf is veroordeeld, het feit is begaan na tenuitvoerlegging van deze straffen of maatregelen en er voorts ernstig rekening mede moet worden gehouden dat de verdachte wederom een misdrijf zal begaan, en

3° de veiligheid van personen of goederen het opleggen van de maatregel eist."

2.6. De rechter die de in art. 38m Sr bedoelde maatregel oplegt, zal in de motivering van zijn beslissing ervan blijk dienen te geven zich ervan te hebben vergewist dat aan alle in die bepaling gestelde voorwaarden is voldaan. Meer in het bijzonder zal hij met zoveel woorden tot uitdrukking dienen te brengen dat de voorwaarden als bedoeld in het eerste lid onder 2º en 3º zijn vervuld (vgl. HR 14 november 2006, LJN AY8975, NJ 2007, 221).

2.7. Het Hof heeft vastgesteld a) dat de verdachte in de vijf jaren voorafgaand aan het onder 1 bewezenverklaarde feit "meermalen" onherroepelijk is veroordeeld tot onder meer gevangenisstraffen en b) dat tenminste drie van de aan hem opgelegde gevangenisstraffen "vóór de thans te berechten feiten" (De Hoge Raad leest: feit 1) zijn tenuitvoergelegd.

Daarmee heeft het Hof in voldoende mate tot uitdrukking gebracht dat de verdachte in de vijf jaren voorafgaand aan feit 1 tenminste driemaal wegens een misdrijf onherroepelijk tot een vrijheidsbenemende straf is veroordeeld. De daarop gerichte klacht faalt.

Zoals in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 11 is uiteengezet is de hiervoor onder b genoemde vaststelling van het Hof echter niet zonder meer begrijpelijk, nu niet valt uit te sluiten dat de desbetreffende gevangenisstraffen geheel of gedeeltelijk na het begaan van feit 1 zijn tenuitvoergelegd. Voor zover het middel daarover klaagt is het gegrond.

3. Slotsom

Nu de Hoge Raad geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, brengt hetgeen hiervoor is overwogen mee dat het tweede middel geen bespreking behoeft en als volgt moet worden beslist.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de opgelegde maatregel en de bepaling dat ten aanzien van feit 3 geen straf of maatregel wordt opgelegd;

wijst de zaak terug naar het Gerechtshof te Amsterdam, opdat de zaak in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan;

verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de vice-president F.H. Koster als voorzitter, en de raadsheren B.C. de Savornin Lohman en J.W. Ilsink, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.J. Verhoeven, en uitgesproken op 9 februari 2010.