Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2010:BK6357

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
16-02-2010
Datum publicatie
16-02-2010
Zaaknummer
09/02258
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2010:BK6357
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Verjaring. Vooropgesteld wordt dat in geval van verandering van wetgeving m.b.t. de verjaring naar hedendaagse rechtsopvatting in strafzaken als uitgangspunt geldt dat deze verandering direct van toepassing is, met dien verstande dat een reeds voltooide verjaring wordt geëerbiedigd (vgl. HR LJN BK1998). Nu uit de stukken niet blijkt dat gedurende 6 jaar voorafgaand aan 1-1-06 (toen art. 72 Sr is gewijzigd) een daad van vervolging is verricht, moet het ervoor worden gehouden dat de verjaring van de tlgde feiten niet vóór 1-1-06 is gestuit. De in art. 70.2° Sr bepaalde verjaringstermijn van 6 jr is dus vervuld, zodat het recht tot strafvordering is vervallen. De HR verklaart de OvJ in zoverre niet-ontvankelijk in de vervolging.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht
Wetboek van Strafrecht 70
Wetboek van Strafrecht 72
Wetboek van Strafrecht 326
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2010, 342
NJ 2010, 232 met annotatie van M.J. Borgers
NBSTRAF 2010/98
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16 februari 2010

Strafkamer

Nr. 09/02258

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een bij verstek gewezen arrest van het Gerechtshof te Arnhem van 29 maart 1999, nummer 21/002234-97, in de strafzaak tegen:

[Verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1964, ten tijde van de betekening van de aanzegging gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting "Achterhoek, locatie Ooyerhoek" te Zutphen.

1. Geding in cassatie

1.1. Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. B.P. de Boer, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Machielse heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak voor zover het betreft de beslissingen ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde, behoudens voor zover het hof het vonnis van de rechtbank heeft vernietigd, en de strafoplegging, tot niet-ontvankelijkverklaring van de officier van justitie in de vervolging terzake van dat feit en tot terugwijzing van de zaak naar het hof te Arnhem omdat de zaak voor wat betreft de strafoplegging op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.

1.2. De raadsman heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.

2. Beoordeling van het eerste middel

2.1. Het middel klaagt dat het recht tot strafvordering voor het onder 1 tenlastegelegde door verjaring is vervallen.

2.2.1. Bij inleidende dagvaarding is aan de verdachte onder 1 tenlastegelegd dat:

"verdachte in of omstreeks de hierna te noemen maand(en), in elk geval (telkens) in of omstreeks het tijdvak van 1 januari 1995 tot 11 september 1995, in de hierna te noemen gemeente(n), in elk geval (telkens) in Nederland, samen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen (telkens) door het aannemen van een valse naam en/of van een valse hoedanigheid en/of door een (of meer) listige kunstgre(e)p(en) en/of door een samenweefsel van verdichtsels, elk van de hierna te noemen personen, althans de hierna te noemen persoon, heeft bewogen tot het aangaan van een schuld, te weten tot het afsluiten van contract waarbij die persoon aan het hierna genoemde bedrijf en/of aan hem, verdachte en/of zijn mededader(s), de opdracht gaf met het in het contract genoemde geldbedrag te speculeren op de/een valuta- en/of goederentermijnmarkt(en) en/of tot de afgifte van de/het hierna te noemen geldbedrag(en), althans (telkens) een bedrag van enige duizenden guldens;

verdachte en/of zijn mededader(s) hebben/heeft toen daar (telkens) met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - opzettelijk valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid elk van die hierna te noemen personen, althans die persoon,

- meegedeeld dat hij/zij werkte(n) voor of namens het bedrijf [A] te [plaats], en/of dat dit bedrijf belegde op de valuta- en/of goederentermijnmarkten en/of zich aan hem/haar voorgesteld als (respectievelijk) [alias 1 verdachte ] en/of [alias 2 verdachte], en/of

- verteld dat op eenvoudige wijze geld was te verdienen op de valuta- en/of goederentermijnmarkten, en/of

- aan de hand van een of meer rekenvoorbeelden laten zien dat zij/hij met een geringe investering veel geld kon verdienen, en/of

- verteld dat hij/zij tien of vijftien, althans een aantal, dagen na het afsluiten van een contract in het geheel geen risico zou lopen, en/of

- verteld dat, indien op korte termijn belegd zou worden, de kans groot zou zijn dat er grote winsten behaald konden worden, waardoor elk van die personen, althans die persoon (telkens) werd bewogen tot het aangaan van de bovenomschreven schuld en/of tot de bovenomschreven afgifte;

maand(en): april 1995 en/of mei 1995,

gemeente: [plaats],

persoon: [benadeelde partij 1],

bedrag(en): f.6.000,- en/of f.8.000,- (dossier Al);

maand(en): januari 1995 en/of februari 1995,

gemeente: [plaats],

persoon: [benadeelde partij 2],

bedrag(en): f.10.000,- en/of f.30.000,- (dossier A2);

maand(en): maart 1995 en/of april 1995,

gemeente: [plaats],

persoon: [benadeelde partij 3],

bedrag(en): f.8.000,- (dossier A3);

maand(en): januari 1995, februari 1995 en/of maart 1995,

gemeente: [plaats],

persoon: [benadeelde partij 4],

bedrag(en): f.5.000,- (dossier A4);

maand(en): april 1995 en/of mei 1995,

gemeente: [plaats],

persoon: [benadeelde partij 5],

bedrag(en): f.8.000,- (dossier A5);

maand(en): januari 1995 en/of februari 1995,

gemeente: [plaats],

persoon: [benadeelde partij 6],

bedrag(en): f.10.925,64 (dossier A6);

maand(en): mei 1995 en/of juni 1995,

gemeente: [plaats],

persoon: [benadeelde partij 7],

bedrag(en): f.8.800,- (dossier A7);

en/of

maand(en): april 1995 en/of mei 1995,

gemeente: [plaats],

persoon: [benadeelde partij 8],

bedrag(en): f.16.000,- (dossier A8)."

2.2.2. Het tenlastegelegde is strafbaar gesteld bij art. 326 (oud) Sr. Op oplichting was ten tijde van de tenlastegelegde feiten een gevangenisstraf gesteld van ten hoogste drie jaren. Sinds de inwerkingtreding op 1 februari 2006 van de wet van 22 december 2005, Stb. 2006, 11, is op oplichting een gevangenisstraf gesteld van ten hoogste vier jaren.

2.3. Bij de beoordeling van het middel moet het volgende worden vooropgesteld. In geval van verandering van wetgeving met betrekking tot de verjaring geldt naar hedendaagse rechtsopvatting in strafzaken als uitgangspunt dat deze verandering direct van toepassing is, met dien verstande dat een reeds voltooide verjaring wordt geëerbiedigd (vgl. HR 29 januari 2010, LJN BK1998).

2.4.1. Het eerste lid van art. 72 Sr luidde tot 1 januari 2006:

"Elke daad van vervolging stuit de verjaring, mits die daad de vervolgde bekend of hem betekend zij."

2.4.2. Nu uit de stukken van het geding niet blijkt dat gedurende zes jaar voorafgaand aan 1 januari 2006 een daad van vervolging is verricht, moet het ervoor worden gehouden dat de verjaring van de tenlastegelegde feiten niet vóór 1 januari 2006 is gestuit. De in art. 70, aanhef en onder 2°, (oud) Sr bepaalde verjaringstermijn van zes jaar is dus vervuld, zodat het recht tot strafvordering is vervallen.

2.5. De Hoge Raad zal, met vernietiging van de bestreden uitspraak in zoverre, de Officier van Justitie alsnog niet-ontvankelijk verklaren in de vervolging ter zake van het onder 1 tenlastegelegde.

3. Slotsom

Nu de Hoge Raad geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, brengt hetgeen hiervoor is overwogen mee dat de overige middelen geen bespreking behoeven en als volgt moet worden beslist.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de bestreden uitspraak wat betreft de beslissingen ter zake van het onder 1 tenlastegelegde alsmede de strafoplegging en de beslissingen op de vorderingen van de benadeelde partijen;

verklaart de Officier van Justitie niet-ontvankelijk in de vervolging wat betreft het onder 1 tenlastegelegde;

wijst de zaak terug naar het Gerechtshof te Arnhem opdat de zaak wat betreft de strafoplegging opnieuw wordt berecht en afgedaan;

verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren J. de Hullu en W.F. Groos, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken op 16 februari 2010.