Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2010:BK6349

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
02-03-2010
Datum publicatie
03-03-2010
Zaaknummer
09/00244
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2010:BK6349
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Bewijs. Het Hof heeft de bewezenverklaring mede doen steunen op een p-v van de R-C inhoudende een verklaring van verdachte, afgelegd als getuige in de strafzaak tegen een medeverdachte, welk p-v deel uitmaakte van het dossier in de zaak van verdachte. Het gaat i.c. om een elders dan ttz. gedane opgave van verdachte i.d.z.v. art. 341.2 Sv. Een dergelijk opgave kan tot het bewijs meewerken als daarvan uit enig wettig bewijsmiddel blijkt. Uit hetgeen is overwogen volgt dat dat laatste hier het geval is, zodat, nu de korte inhoud van het desbetreffende p-v cfm. art. 301 jo. art. 415 Sv is meegedeeld, het het Hof vrijstond deze opgave tot het bewijs te doen meewerken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJ 2010, 148
RvdW 2010, 400
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

2 maart 2010

Strafkamer

Nr. 09/00244

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Amsterdam van 13 juni 2008, nummer 23/006192-07, in de strafzaak tegen:

[Verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1977, ten tijde van de betekening van de aanzegging gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting "Midden Holland, locatie De Geniepoort" te Alphen aan den Rijn.

1. Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. S.M. Krans, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Machielse heeft geconcludeerd tot verlaging van de opgelegde straf en tot verwerping van het beroep voor het overige.

2. Beoordeling van het eerste middel

Het middel kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

3. Beoordeling van het tweede middel

3.1. Het middel bevat de klacht dat het Hof ten onrechte de bewezenverklaring heeft doen steunen op een verklaring die de verdachte in de strafzaak van de medeverdachte als getuige heeft afgelegd.

3.2. Het Hof heeft de bewezenverklaring mede doen steunen op een proces-verbaal van de Rechter-Commissaris inhoudende een verklaring van de verdachte, afgelegd als getuige in de strafzaak tegen de medeverdachte [medeverdachte] welk proces-verbaal deel uitmaakte van het dossier in de zaak van de verdachte.

3.3. Het gaat hier om een elders dan ter terechtzitting gedane opgave van de verdachte in de zin van art. 341, tweede lid, Sv. Een dergelijk opgave kan tot het bewijs meewerken als daarvan uit enig wettig bewijsmiddel blijkt. Uit hetgeen hiervoor onder 3.2 is overwogen volgt dat dat laatste hier het geval is, zodat, nu de korte inhoud van het desbetreffende proces-verbaal op de voet van art. 301 in verbinding met art. 415 Sv is meegedeeld, het het Hof vrijstond deze opgave tot het bewijs te doen meewerken. Het middel faalt derhalve.

4. Ambtshalve beoordeling van de bestreden uitspraak

De verdachte bevindt zich in voorlopige hechtenis.

De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan zestien maanden zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de aan de verdachte opgelegde gevangenisstraf van drie jaren.

5. Slotsom

Nu geen van de middelen tot cassatie kan leiden, terwijl de Hoge Raad geen andere dan de hiervoor onder 4 genoemde grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, brengt hetgeen hiervoor is overwogen mee dat als volgt moet worden beslist.

6. Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf;

vermindert deze in die zin dat deze twee jaren en tien maanden beloopt;

verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren H.A.G. Splinter-van Kan en C.H.W.M. Sterk, in bijzijn van de waarnemend griffier L.J.J. Okker-Braber, en uitgesproken op 2 maart 2010.