Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2010:BK6328

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
02-02-2010
Datum publicatie
03-02-2010
Zaaknummer
08/02915
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2010:BK6328
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Rechtsmacht. Ingevolge art. 2 Sr is de NL strafwet toepasselijk op ieder die zich in NL aan enig strafbaar feit schuldig maakt. Indien naast in ook buiten NL gelegen plaatsen kunnen gelden als plaats waar een strafbaar feit is gepleegd, is o.g.v. de hiervoor genoemde wetsbepaling vervolging van dat strafbare feit in NL mogelijk, ook t.a.v. de van dat strafbare feit deel uitmakende gedragingen die buiten NL hebben plaatsgevonden (vgl. HR LJN ZD1413). Op grondslag van de tll., die inhoudt dat de gedragingen behoudens te Amsterdam en/of Utrecht en/of Oosterbeek, althans (elders) in NL, tevens in België te Antwerpen zijn begaan, heeft het Hof terecht geoordeeld dat de NL strafwet daarop van toepassing is.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2010, 273
NJ 2010, 89
NJB 2010, 403
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

2 februari 2010

Strafkamer

nr. 08/02915

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 16 juni 2008, nummer 22/005889-07, in de strafzaak tegen:

[Verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1976, ten tijde van de betekening van de aanzegging gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting "Tilburg" te Tilburg.

1. Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. A.J. Sol, advocaat te Terneuzen, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Machielse heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, doch uitsluitend voor wat betreft de strafoplegging, tot verlaging van de opgelegde straf en tot verwerping van het beroep voor het overige.

2. Beoordeling van het tweede middel

2.1. Het middel klaagt over de verwerping door het Hof van een ter terechtzitting in hoger beroep gevoerd verweer dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk in de vervolging ter zake van feit 3 moet worden verklaard.

2.2. Aan de verdachte is onder 3 tenlastegelegd dat:

"hij in/op of omstreeks na te noemen periode(n) en/of data, in elk geval in of omstreeks de periode van 1 augustus 2002 tot en met 23 december 2002 te Amsterdam en/of Utrecht en/of Oosterbeek, in elk geval (elders) in Nederland en/of in België te Antwerpen, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, en/althans alleen, een ander, genaamd [slachtoffer] (telkens) door geweld of een andere feitelijkheid of door bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid heeft gedwongen dan wel door misbruik van uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht of door misleiding heeft bewogen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met of voor (een) derde(n) tegen betaling, dan wel onder voornoemde omstandigheden enige handeling heeft ondernomen waarvan hij, verdachte, en/of diens mededader(s) wist(en) of redelijkerwijs moest(en) vermoeden dat die ander ([slachtoffer]) zich daardoor tot het verrichten van die (seksuele) handelingen beschikbaar stelde

en/of

(telkens) heeft aangeworven en/of mede genomen met het oogmerk [slachtoffer] in een ander land, te weten België, ertoe te brengen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met (of voor) (een) derde(n) tegen betaling

en/of

(telkens) opzettelijk voordeel heeft getrokken uit seksuele handelingen van [slachtoffer] met (of voor) (een) derde(n) tegen betaling, terwijl hij, verdachte, en/of diens mededader(s) wist(en) of redelijkerwijs moest(en) vermoeden dat [slachtoffer] zich onder lid 1 sub 1 van artikel 250a Wetboek van Strafrecht genoemde omstandigheden beschikbaar stelde tot het plegen van die handelingen

en/of

(telkens) [slachtoffer] door geweld of een andere feitelijkheid of door bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid heeft gedwongen dan wel door misbruik van uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht of door misleiding heeft bewogen hem, verdachte, en/of diens mededader(s) uit de opbrengst van haar ([slachtoffer]) seksuele handelingen met (of voor) een derde te bevoordelen,

immers:

heeft/hebben hij, verdachte, en/of diens mededader(s) in of omstreeks de periode van 1 augustus 2002 tot en met 13 september 2002 opzettelijk

- die bovengenoemde [slachtoffer] vanuit Nederland meegenomen naar een hotel in Antwerpen en/of

- tegen [slachtoffer] gezegd (zakelijk weergegeven) dat ze een mooi meisje was en/of dat zij de ware voor hem, verdachte, was en dat zij ([verdachte] en [slachtoffer]) bij elkaar hoorden en niet meer bij elkaar weg zouden gaan en/of

- (vervolgens) [slachtoffer] meegenomen naar de prostitutie-zone te Antwerpen en/of haar ([slachtoffer]) daar voorgesteld aan een prostituee (welke haar, [slachtoffer], in zou werken) en/of

- voor haar ([slachtoffer]) (werk)kleding aangeschaft en/of gekocht en/of betaald en/of haar een raam aangewezen (voor het bedrijven van prostitutie) en/of

- in de nabijheid van dat raam in Antwerpen verbleven teneinde toezicht op [slachtoffer] te kunnen uitoefenen en/of

- [slachtoffer] (telkens) verdovende middelen (onder andere cocaïne, XTC-pillen en/of speed (amfetamine) gegeven en/of

- het door [slachtoffer] in de prostitutie te Antwerpen verdiende geld aan hem, verdachte, en/of diens mededader(s) (telkens) laten afgeven en/of

heeft hij, verdachte, en/of diens mededader(s) in of omstreeks de periode van 14 september 2002 tot en met 9 oktober 2002 opzettelijk

- [slachtoffer] vanuit Antwerpen meegenomen naar Amsterdam en/of

- [slachtoffer] in Amsterdam naar een "raamverhuur"- bedrijf gebracht, althans daarmee in contact gebracht teneinde haar ([slachtoffer]) een kamer/raam te laten huren en/of

- in de nabijheid van die kamer/dat raam in Amsterdam verbleven teneinde toezicht op [slachtoffer] te kunnen uitoefenen en/of

- het paspoort van [slachtoffer] heeft afgenomen/ ingenomen en/of

- [slachtoffer] (telkens) tegen/op het lichaam geslagen en/of gestompt en/of tegen haar ([slachtoffer]) gezegd dat zij elke dag (in de prostitutie) moest werken en/of

- het door [slachtoffer] in de prostitutie te Amsterdam verdiende geld aan hem, verdachte, en/of diens mededader(s) (telkens) laten afgeven

en/of

heeft hij, verdachte, en/of diens mededader(s) in of omstreeks de periode van 10 oktober 2002 tot en met 1 november 2002 opzettelijk

- [slachtoffer] te Oosterbeek met kracht in een auto getrokken en/of geduwd en/of (daarbij) (zakelijk weergegeven) zeggende dat hij altijd wist waar zij ([slachtoffer]) zat dan dat hij haar altijd zou kunnen vinden en/of [slachtoffer] (vervolgens, wederom) naar Amsterdam gebracht om in de prostitutie te gaan werken en/of

- [slachtoffer] (telkens) tegen/op het lichaam geslagen en/of gestompt (indien [slachtoffer] niet wenste te werken als prostituee) en/of

- [slachtoffer] (telkens) verdovende middelen (onder andere cocaïne, XTC-pillen en/of speed (amfetamine) gegeven en/of

- in de nabijheid van die kamer/dat raam in Amsterdam verbleven teneinde toezicht op [slachtoffer] te kunnen uitoefenen

en/of

heeft hij, verdachte, en/of diens mededader(s) in of omstreeks de periode van 6 november 2002 tot en met 23 december 2002 opzettelijk

- [slachtoffer] naar Utrecht gebracht om haar aldaar in de prostitutie te laten werken en/of

- [slachtoffer] in Utrecht een kamer (voor de prostitutie) laten huren en/of

- in de nabijheid van die kamer/dat raam in Utrecht verbleven teneinde toezicht op [slachtoffer] te kunnen uitoefenen."

2.3. Het Hof heeft het in het middel bedoelde verweer in het bestreden arrest als volgt samengevat en verworpen:

"Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in zijn vervolging van de verdachte ter zake van het onder 3 tenlastegelegde

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman van de verdachte, overeenkomstig zijn aan het hof overgelegde pleitnotities, aangevoerd dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk in zijn vervolging van de verdachte dient te worden verklaard ter zake van het onder 3 tenlastegelegde, voor zover het betreft de beschuldiging dat de verdachte dat feit in België heeft begaan.

Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

Artikel 5, eerste lid, 2°, (oud) van het Wetboek van Strafrecht bepaalt dat de Nederlandse strafwet toepasselijk is op de Nederlander die zich buiten Nederland schuldig maakt aan een feit hetwelk door de Nederlandse strafwet als misdrijf wordt beschouwd en waarop door de wet van het land waar het begaan is, straf is gesteld.

Het hof stelt vast dat in casu aan genoemde voorwaarden is voldaan, zodat het gevoerde verweer wordt verworpen.

Het openbaar ministerie is dan ook ontvankelijk in zijn vervolging van de verdachte."

2.4. Ingevolge art. 2 Sr is de Nederlandse strafwet toepasselijk op ieder die zich in Nederland aan enig strafbaar feit schuldig maakt.

Indien naast in ook buiten Nederland gelegen plaatsen kunnen gelden als plaats waar een strafbaar feit is gepleegd, is op grond van de hiervoor genoemde wetsbepaling vervolging van dat strafbare feit in Nederland mogelijk, ook ten aanzien van de van dat strafbare feit deel uitmakende gedragingen die buiten Nederland hebben plaatsgevonden (vgl. HR 27 oktober 1998, LJN ZD1413, NJ 1999, 221).

2.5. Op grondslag van de tenlastelegging, die - zoals hiervoor onder 2.2 is weergegeven - inhoudt dat de gedragingen behoudens te Amsterdam en/of Utrecht en/of Oosterbeek, althans (elders) in Nederland, tevens in België te Antwerpen zijn begaan, heeft het Hof - wat er zij van de daaraan ten grondslag gelegde motivering - terecht geoordeeld dat de Nederlandse strafwet daarop van toepassing is.

2.6. Het voorgaande brengt mee dat de tegen 's Hofs oordeel gerichte motiveringsklacht geen bespreking behoeft. Het middel faalt.

3. Beoordeling van de overige middelen

De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4. Ambtshalve beoordeling van de bestreden uitspraak

De verdachte bevindt zich in voorlopige hechtenis. De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan zestien maanden zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de aan de verdachte opgelegde gevangenisstraf van 36 maanden.

5. Slotsom

Nu geen van de middelen tot cassatie kan leiden, terwijl de Hoge Raad geen andere dan de hiervoor onder 4 genoemde grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, brengt hetgeen hiervoor is overwogen mee dat als volgt moet worden beslist.

6. Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf;

vermindert deze in die zin dat deze 34 maanden beloopt;

verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de vice-president F.H. Koster als voorzitter, en de raadsheren J.W. Ilsink en M.A. Loth, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.J. Verhoeven, en uitgesproken op 2 februari 2010.