Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2010:BK6149

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
02-02-2010
Datum publicatie
03-02-2010
Zaaknummer
08/00808 B
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2010:BK6149
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Beklag. De aan het middel ten grondslag liggende opvatting dat het Hof in zijn motivering geen f&o mocht betrekken op grond waarvan het Hof eraan twijfelde dat klager rechthebbende was, zonder dat klager al tijdens de behandeling van de zaak expliciet te confronteren met die f&o, vindt geen steun in het recht. Dat dit standpunt afwijkt van het standpunt van de Advocaat-Generaal bij het Hof, noopte het Hof ook niet tot een nadere motivering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJB 2010, 397
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

2 februari 2010

Strafkamer

Nr. 08/00808 B

Hoge Raad der Nederlanden

Beschikking

op het beroep in cassatie tegen een beschikking van het Gerechtshof te Amsterdam van 14 november 2007, nummer RK 920/07, op een klaagschrift als bedoeld in art. 552a van het Wetboek van Strafvordering, ingediend door:

[Klager], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1945, wonende te [woonplaats].

1. Geding in cassatie

1.1. Het beroep is ingesteld door de klager. Namens deze heeft mr. N. van Schaik, advocaat te Utrecht, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Machielse heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

1.2. De raadsman heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.

2. Beoordeling van het middel

2.1. Het middel klaagt over de motivering van de ongegrondverklaring van het beklag.

2.2. De bestreden beschikking houdt, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, in:

"1. Inhoud van het klaagschrift

Bij klaagschrift van 14 augustus 2005, ingekomen ter griffie van de rechtbank te Utrecht op 16 augustus 2005, heeft de klager verzocht om teruggave van een in beslag genomen auto, merk Mercedes met het kenteken [AA-00-BB].

2. Feiten en procesgang.

Voormelde auto is op 27 juli 2005 in beslag genomen onder de zoon van klager, te weten [betrokkene 1].

De rechtbank te Utrecht heeft bij beschikking van 1 december 2005 het beklag ongegrond verklaard. Daartegen heeft klager beroep in cassatie ingesteld, waarna de Hoge Raad bij beschikking van 12 juni 2007 de beschikking van de rechtbank heeft vernietigd en de zaak heeft verwezen naar het hof te Amsterdam.

Het hof heeft kennis genomen van de stukken van de strafzaak onder bovengenoemd parketnummer en heeft op 3 oktober 2007 in openbare raadkamer de advocaat-generaal, klager en diens advocaat gehoord. De zoon van klager is als getuige gehoord.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot gegrond verklaring van het beklag. De in beslag genomen auto is inmiddels echter door BOOM verkocht. De opbrengst van de verkoop van de auto dient aan klager te worden gegeven volgens de advocaat-generaal.

3. Beoordeling.

Klager heeft gesteld eigenaar van de Mercedes te zijn.

Hij heeft daartoe onder meer -zakelijk weergegeven- aangevoerd dat hij deze Mercedes ten behoeve van een bekende in Marokko heeft aangeschaft, dat deze Mercedes vanaf 31 januari 2005 tot 27 juli 2005 op zijn naam heeft gestaan en dat de Mercedes op 27 juli 2005 op naam van zijn zoon is gezet aangezien deze de Mercedes in Marokko daadwerkelijk zou invoeren. Klager heeft geen factuur van de aankoop kunnen overleggen en gesteld de Mercedes contant te hebben afgerekend. Wel heeft klager een aantal bescheiden overgelegd, waaronder een in het Arabisch gesteld schriftelijk stuk, gedateerd 4 augustus 2004 met vertaling, waarin is vermeld dat klager van [betrokkene 2] een bedrag van 30 miljoen centimes heeft ontvangen om voor hem een Mercedes uit Nederland te kopen. Naar klager en zijn zoon ter terechtzitting hebben verklaard komt dit overeen met een bedrag van ongeveer 33.000 euro. Tevens zijn een rekening motorrijtuigenbelasting, een verzekeringspolis en reparatienota's betreffende de Mercedes op naam van klager overgelegd alsmede bankafschriften waaruit blijkt dat de verzekeringspremie en motorrijtuigenbelasting via de bankrekening van klager zijn voldaan.

Hier staat tegenover dat uit het proces-verbaal van regiopolitie Utrecht genummerd 05-012144C kan worden afgeleid dat in de bewuste periode de zoon van klager, [betrokkene 1], regelmatig gebruiker was van de Mercedes en dat [betrokkene 1] in de periode van juni en juli 2005 diverse telefoongesprekken voert waarin [betrokkene 1] zich voordoet als eigenaar van de Mercedes, zowel naar autobedrijven als naar familieleden als naar derden. Met name in een telefoongesprek op 19 juni 2005 wordt door [betrokkene 1] met zoveel woorden tegenover een persoon genaamd [betrokkene 3] bevestigd dat, hoewel de auto op naam van klager staat, deze van hem, [betrokkene 1], is. Ook valt uit voornoemd proces-verbaal af te leiden dat klager eerder een auto die in gebruik was bij [betrokkene 1] op zijn naam heeft gehad.

Op grond van het voorgaande kunnen twijfels rijzen omtrent de door klager gestelde eigendom. Het door klager overgelegde in het Arabisch gestelde schriftelijk stuk met vertaling doet hier niet aan af, nu enerzijds de authenticiteit daarvan door het hof onvoldoende kan worden beoordeeld en anderzijds op grond daarvan een aantal vragen rijzen. Zo is niet zonder meer duidelijk waarom voornoemd bedrag niet bancair is overgemaakt, maar in contanten met alle risico's van verlies en diefstal van dien, waarom deze overhandiging van geld is betaald begin augustus 2004, pas 31 januari 2005 de aankoop wordt gedaan en tot eind juli 2005 deze auto door een ander dan [betrokkene 2], te weten [betrokkene 1], zou mogen worden gebruikt met alle renteverlies van dien. Evenmin is duidelijk hoe de financiële aspecten rondom kostbare verrichtingen aan deze auto zijn geregeld tussen klager en [betrokkene 2].

Alles afwegend kan op grond van het voorgaande niet worden gezegd dat het buiten redelijke twijfel is dat klager als derde/niet-beslagene als eigenaar van de Mercedes moet worden beschouwd, zodat als volgt moet worden beslist."

2.3. Aan het middel ligt naar de kern genomen de opvatting ten grondslag dat, mede in aanmerking genomen dat ook het Openbaar Ministerie van oordeel was dat de klager als rechthebbende kon worden aangemerkt, het Hof in zijn motivering van de ongegrondverklaring van het beklag geen feiten en omstandigheden mocht betrekken op grond waarvan het Hof eraan twijfelde dat de klager rechthebbende was, zonder de klager al tijdens de behandeling van de zaak expliciet te confronteren met die feiten en omstandigheden. Die opvatting vindt echter geen steun in het recht. De omstandigheid dat de beschikking op dit punt afwijkt van het standpunt dat de Advocaat-Generaal dienaangaande heeft ingenomen bij de behandeling van het klaagschrift, noopte het Hof niet tot een bredere motivering.

2.4. Het middel faalt.

3. Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Deze beschikking is gegeven door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren J. de Hullu en W.F. Groos, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, in raadkamer en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 2 februari 2010.