Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2010:BK6071

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
09-04-2010
Datum publicatie
09-04-2010
Zaaknummer
09/01703
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2010:BK6071
In cassatie op : ECLI:NL:GHARN:2009:BI0784, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Vennootschapsbelasting. Art. 13, lid 1, Wet vpb 1969, art. 43 en 56 EG. Deelnemingskosten in verband met verkoop meerderheidsdeelnemingen gevestigd in niet tot de EG behorende landen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
BNB 2010/292 met annotatie van O.C.R. MARRES
V-N 2010/19.19 met annotatie van Redactie
FutD 2010-0919
NTFR 2010/904 met annotatie van dr. mr. D.S. Smit
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Nr. 09/01703

9 april 2010

Arrest

gewezen op het beroep in cassatie van X B.V. te Z (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Arnhem van 31 maart 2009, nr. 08/00041, betreffende een beschikking als bedoeld in artikel 20b, lid 1, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969.

1. Het geding in feitelijke instanties

De Inspecteur heeft, gelijktijdig met het vaststellen van de aanslag in de vennootschapsbelasting van belanghebbende voor het jaar 2002, het bedrag van het verlies van dat jaar bij beschikking vastgesteld. De beschikking is, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur gehandhaafd.

De Rechtbank te Arnhem (nr. AWB 06/2645) heeft het tegen die uitspraak ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof.

Het Hof heeft de uitspraak van de Rechtbank bevestigd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.

De Advocaat-Generaal P.J. Wattel heeft op 19 november 2009 geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep in cassatie.

3. Beoordeling van de middelen

3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan. Belanghebbende heeft in 2000 drie deelnemingen vervreemd. Het betrof belangen van 70,3, 100 en 100 percent in vennootschappen gevestigd in respectievelijk de Verenigde Staten, Canada en Taiwan. De bij de verkoop gemaakte (advies)kosten zijn aanvankelijk in rekening gebracht aan een met belanghebbende gelieerde vennootschap. In 2002 zijn de kosten voor een bedrag van € 8.255.740 doorberekend aan belanghebbende. In 2003 is aan belanghebbende nog een bedrag van € 1.285.480 doorberekend.

3.2. Voor het Hof was onder meer in geschil of de uit artikel 13, lid 1, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (tekst tot 2004, hierna: de Wet) voortvloeiende uitsluiting van de aftrek van vorengenoemde verkoopkosten in strijd is met artikel 56 EG. Het Hof heeft die vraag in ontkennende zin beantwoord. De middelen keren zich tegen dat oordeel.

3.3. Het Hof heeft geoordeeld dat belanghebbende een beslissende invloed op de besluiten van de betrokken deelnemingen kon uitoefenen en de activiteiten ervan kon bepalen. Uitgaande van dit in cassatie onbestreden oordeel heeft het Hof met juistheid overwogen dat de onderhavige toepassing van artikel 13, lid 1, van de Wet een beperking is die binnen de materiële werkingssfeer van artikel 43 EG valt, in aanmerking genomen dat deze regeling gelet op haar voorwerp - het voorkomen van dubbele belasting in deelnemingsverhoudingen - zowel onder artikel 43 EG (vrijheid van vestiging) als onder artikel 56 EG (vrijheid van kapitaalverkeer) kan vallen. In zulk een geval rechtvaardigt die beperking niet dat de maatregel waaruit zij voortvloeit, wordt getoetst aan de artikelen 56 EG tot en met 58 EG, ook niet indien het betreft kapitaalverkeer met derde landen. Vorenstaande uitleg van artikel 56 EG strookt met de rechtspraak van het Hof van Justitie (vergelijk de rechtspraak genoemd in HR 26 september 2008, nr. 43339, LJN BF2266, BNB 2009/24, en HvJ 4 juni 2009, KBC Bank NV en BRB NV, C-439/07 en C-499/07, V-N 2009/35.17, HvJ 18 juni 2009, Aberdeen, C-303/07, V-N 2009/31.11, HvJ 17 september 2009, Glaxo Wellcome, C-182/08, V-N 2009/47.20, en HvJ 21 januari 2010, SGI, C-311/08). De middelen falen derhalve.

4. Proceskosten

De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

5. Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.

Dit arrest is gewezen door de raadsheer P. Lourens als voorzitter, en de raadsheren C.B. Bavinck, J.A.C.A. Overgaauw, P.M.F. van Loon en M.A. Fierstra, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 9 april 2010.