Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2010:BK5619

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
26-01-2010
Datum publicatie
26-01-2010
Zaaknummer
08/05244
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2010:BK5619
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Salduz-verweer. De klacht dat het Hof – in strijd met het recht op een eerlijk proces a.b.i. art. 6 EVRM – een verklaring die verdachte bij de politie heeft afgelegd zonder dat hij daaraan voorafgaand in de gelegenheid was gesteld een advocaat te raadplegen, bij de bewijsvoering heeft betrokken, kan niet voor het eerst in cassatie worden aangevoerd, aangezien de beoordeling daarvan een onderzoek van feitelijke aard zou vergen (vgl. HR LJN BH3084).

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafvordering
Wetboek van Strafvordering 359a
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
VA 2011/3 met annotatie van M.L.C.C. de Bruijn-Lückers
RvdW 2010, 249
NJB 2010, 337
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

26 januari 2010

Strafkamer

nr. 08/05244

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Arnhem van 26 juni 2008, nummer 21/000130-08, in de strafzaak tegen:

[Verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1986, ten tijde van de betekening van de aanzegging uit anderen hoofde gedetineerd de Penitentiaire Inrichting "Achterhoek, locatie Ooyerhoek" te Zutphen.

1. Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben mr. B.P. de Boer en mr. A.J. van der Velden, beiden advocaat te Amsterdam, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Aben heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2. Beoordeling van het middel

2.1. Het middel behelst de klacht dat het Hof - in strijd met het recht op een eerlijk proces als bedoeld in art. 6 EVRM - de verklaring die de verdachte op 27 augustus 2007 bij de politie heeft afgelegd zonder dat hij voorafgaand aan het verhoor in de gelegenheid was gesteld een advocaat te raadplegen, bij de bewijsvoering heeft betrokken.

2.2. Uit de stukken blijkt niet dat deze klacht aan het Hof is voorgelegd. Zo een verweer kan niet voor het eerst in cassatie worden gevoerd, aangezien de beoordeling daarvan een onderzoek van feitelijke aard zou vergen (vgl. HR 30 juni 2009, LJN BH3084, NJ 2009, 351).

2.3. Het middel faalt.

3. Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren H.A.G. Splinter-van Kan en C.H.W.M. Sterk, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken op 26 januari 2010.