Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2010:BK5516

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
02-03-2010
Datum publicatie
03-03-2010
Zaaknummer
08/01871
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2010:BK5516
In cassatie op : ECLI:NL:GHSHE:2007:BB6839, (Gedeeltelijke) vernietiging met terugwijzen
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Afwijzing getuigenverzoek. Appelschriftuur. Fax. Een op de voet van art. 410.3 Sv door verdachte bij schriftuur gedane opgave van te horen getuigen wordt ingevolge die bepaling aangemerkt als een opgave i.d.z.v. art. 263.2 Sv. Nu een opgave in laatstbedoelde zin ook per fax kan worden gedaan (vgl. HR LJN BA2282), moet ook t.a.v. een bij appelschriftuur gedane opgave van te horen getuigen worden geoordeeld dat deze bij fax kan worden gedaan. Indien het Hof heeft geoordeeld dat het hier getuigen betrof die niet bij appelschriftuur a.b.i. art. 410 Sv waren opgegeven, zodat bij de afwijzing het noodzaakcriterium van toepassing was, is dat oordeel niet zonder meer begrijpelijk. Indien het Hof heeft aangenomen dat de getuigen wel bij appelschriftuur waren opgegeven, heeft het bij de afwijzing een onjuiste maatstaf gehanteerd. Nu het hier niet gaat om getuigen a.b.i. art. 418.2. Sv kon het Hof ingevolge art. 418.1 Sv die getuigen immers slechts afwijzen op de in het 1e lid van art. 288 Sv genoemde gronden. Daartoe behoort niet de door het Hof gehanteerde maatstaf of de noodzaak tot het horen van de verzochte getuigen is gebleken.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafvordering
Wetboek van Strafvordering 263
Wetboek van Strafvordering 410
Wetboek van Strafvordering 418
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
SR-Updates.nl updates
NJ 2010, 145
RvdW 2010, 397
NJB 2010, 606
NBSTRAF 2010/123
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

2 maart 2010

Strafkamer

nr. 08/01871

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 23 oktober 2007, nummer 20/010034-05, in de strafzaak tegen:

[Verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1944, wonende te [woonplaats].

1. Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben mr. G. Meijers, advocaat te Amsterdam, en mr. P.J.M. Brouwers, advocaat te Maastricht, ieder bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schrifturen zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Vegter heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest en tot terugwijzing van de zaak naar het Hof teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.

2. Beoordeling van het eerste door mr. Meijers voorgestelde middel

2.1. Het middel klaagt dat het Hof een verzoek van de verdediging om een drietal personen als getuigen te doen oproepen ten onrechte, althans ondeugdelijk gemotiveerd heeft afgewezen.

2.2.1. Bij de aan de Hoge Raad gezonden stukken bevindt zich een faxbericht van de raadsman aan de strafgriffie van de Rechtbank van 21 juli 2005. Dit bericht luidt als volgt:

"Edelachtbare Heer/Vrouwe

Vandaag verstrijkt de termijn voor het indienen van het schriftuur ex. 410 WvSv. Heden deelde uw griffie mede dit schriftuur ook per telefax te kunnen ontvangen (...)."

Op dit faxbericht is een stempel geplaatst dat vermeldt: "Griffie Rechtbank Roermond Afd. Strafzaken Ingek. 21 juli 2005", waarna een paraaf volgt.

2.2.2. Dat faxbericht behelst een opgave van getuigen, onder wie [betrokkene 6], [betrokkene 7] en [betrokkene 8].

2.3.1. Het Hof heeft ter terechtzitting van 12 december 2006 het onderzoek in de onderhavige zaak aangevangen en de beslissing op voormeld verzoek aangehouden tot de terechtzitting van 9 januari 2007.

2.3.2. Het proces-verbaal van de terechtzitting van 9 januari 2007 houdt onder meer het volgende in:

"De voorzitter deelt mede dat reeds op de vorige terechtzitting d.d. 12 december 2006 is bepaald dat de zaak vandaag niet inhoudelijk zal worden behandeld, doch dat het hof heden een beslissing zal geven op de ter terechtzitting van 12 december 2006 zijdens verdachte gedane verzoeken, alsmede het verdere verloop van het strafproces zal bepalen.

De voorzitter deelt hierop als beslissing van het hof mede:

(...)

dat het verzoek zijdens verdachte tot het horen van de volgende personen als getuigen wordt afgewezen:

- [betrokkene 6], advocaat [G],

- [betrokkene 7], accountant van [H] GmbH in 1999 en

- [betrokkene 8], notaris,

nu, mede gelet op het horen van de andere getuigen, de noodzaak daarvan onvoldoende is gebleken."

2.4. Een op de voet van art. 410, derde lid, Sv door een verdachte bij schriftuur gedane opgave van te horen getuigen wordt ingevolge die bepaling aangemerkt als een opgave in de zin van art. 263, tweede lid, Sv. Nu een opgave in laatstbedoelde zin ook per fax kan worden gedaan (vgl. HR 5 juni 2006, LJN BA2282), moet ook ten aanzien van een bij appelschriftuur gedane opgave van te horen getuigen worden geoordeeld dat deze bij fax kan worden gedaan.

2.5. Indien het Hof heeft geoordeeld dat het hier getuigen betrof die niet bij appelschriftuur als bedoeld in art. 410 Sv waren opgegeven, zodat bij de afwijzing het noodzaakcriterium van toepassing was, is dat oordeel in het licht van hetgeen hiervoor onder 2.2 en 2.4 is overwogen niet zonder meer begrijpelijk.

Indien het Hof heeft aangenomen dat de getuigen wel bij appelschriftuur waren opgegeven, heeft het bij de afwijzing een onjuiste maatstaf gehanteerd. Nu het hier niet gaat om getuigen als bedoeld in art. 418, tweede lid, Sv kon het Hof ingevolge art. 418, eerste lid, Sv die getuigen immers slechts afwijzen op de in het eerste lid van art. 288 Sv genoemde gronden. Daartoe behoort niet de door het Hof gehanteerde maatstaf of de noodzaak tot het horen van de verzochte getuigen is gebleken.

De bestreden uitspraak lijdt dus in dit opzicht aan een motiveringsgebrek.

2.6. Het middel is terecht voorgesteld.

3. Slotsom

Hetgeen hiervoor is overwogen brengt mee dat de bestreden uitspraak niet in stand kan blijven, de overige middelen geen bespreking behoeven en als volgt moet worden beslist.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de bestreden uitspraak;

wijst de zaak terug naar het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch, opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.

Dit arrest is gewezen door de vice-president F.H. Koster als voorzitter, en de raadsheren J.W. Ilsink en W.M.E. Thomassen, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.J. Verhoeven, en uitgesproken op 2 maart 2010.