Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2010:BK4933

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
29-01-2010
Datum publicatie
29-01-2010
Zaaknummer
08/02574
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2010:BK4933
In cassatie op : ECLI:NL:GHARN:2008:BE8720, Niet ontvankelijk
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Pachtrecht. Cassatieberoep tegen uitspraak pachtkamer Gerechtshof Arnhem niet-ontvankelijk ex art. 134 (van de inmiddels vervallen) Pachtwet. Vordering tot vergoeding van schade als gevolg van schending pachtovereenkomst betrekkelijk tot een pachtovereenkomst als bedoeld in art. 128, aanhef en onder a, in verbinding met art. 130 Pachtwet. De op 1 september 2007 in werking getreden art. 1019j-1019v Rv., waarin cassatieberoep niet is uitgesloten, hebben geen gevolg voor rechtsmiddelen in voordien lopende zaken.

Wetsverwijzingen
Pachtwet 128
Pachtwet 130
Pachtwet 134
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 1019j
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 1019k
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 1019l
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 1019m
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 1019n
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 1019o
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 1019p
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 1019q
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 1019r
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 1019s
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 1019t
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 1019u
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 1019v
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2010, 225
Module Pacht en landelijk gebied 2010/89
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

29 januari 2010

Eerste Kamer

08/02574

EV/MD

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

[Eiseres],

wonende te [woonplaats],

EISERES tot cassatie,

advocaat: mr. P. Garretsen,

t e g e n

DE STAAT DER NEDERLANDEN (Ministerie van Financiën),

zetelende te 's-Gravenhage,

VERWEERDER in cassatie,

advocaat: mr. J.W.H. van Wijk.

Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als [eiseres] en de Staat.

1. Het geding in feitelijke instanties

De Staat heeft bij exploot van 18 mei 2006 [eiseres] gedagvaard voor de rechtbank 's-Gravenhage, pachtkamer, en gevorderd, kort gezegd, het op 25 juni 2002 door de Pachtkamer onder rolnummer 253984/02-641 tussen partijen gewezen vonnis te herroepen en, na herroeping van dat vonnis, [eiseres] alsnog niet-ontvankelijk te verklaren in haar vordering, althans deze haar te ontzeggen, met veroordeling van [eiseres] in de proceskosten van het geding in eerste aanleg, het eerste geding tot herroeping en het onderhavige herroepingsgeding.

[Eiseres] heeft de vordering bestreden en, in reconventie, gevorderd, kort gezegd, de Staat te veroordelen tot betaling van een bedrag van € 475.974,91, met rente en kosten.

De pachtkamer heeft bij vonnis van 14 februari 2007 in conventie en reconventie de vorderingen afgewezen en de proceskosten gecompenseerd.

Tegen dit vonnis heeft [eiseres] hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te Arnhem.

Nadat partijen hun zaak hebben doen bepleiten heeft het hof bij arrest van 25 maart 2008 het vonnis van de pachtkamer bekrachtigd.

Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen het arrest van het hof heeft [eiseres] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De Staat heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van [eiseres] in haar cassatieberoep, althans tot verwerping van het beroep. De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten en voor de Staat mede door mr. D. Stoutjesdijk, advocaat bij de Hoge Raad.

De conclusie van de Advocaat-Generaal L.A.D. Keus strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van [eiseres] in haar cassatieberoep.

3. Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep

3.1 Naar hiervoor onder 1 is vermeld, heeft [eiseres] - in de door de Staat bij exploot van 18 mei 2006 voor de rechtbank te 's-Gravenhage, pachtkamer, aanhangig gemaakte procedure tot herroeping van een eerder tussen partijen gewezen vonnis van de pachtkamer van die rechtbank - in reconventie gevorderd dat de Staat zal worden veroordeeld tot betaling van € 475.974,91, met rente en kosten. De rechtbank heeft de vorderingen in conventie en reconventie afgewezen en het hof heeft in het door [eiseres] ingestelde hoger beroep het vonnis bekrachtigd.

3.2 [Eiseres] heeft aan haar vordering in reconventie ten grondslag gelegd dat zij schade heeft geleden doordat zij het ten processe bedoelde, door haar van de Staat gepachte, perceel niet heeft kunnen gebruiken als gevolg van het door de Staat niet behoorlijk nakomen van op hem uit hoofde van de pachtovereenkomst rustende verplichtingen. Aldus is de vordering van [eiseres] betrekkelijk tot een pachtovereenkomst als bedoeld in art. 128, aanhef en onder a, in verbinding met art. 130 Pachtwet.

3.3 Ingevolge art. 134 Pachtwet zijn arresten en beschikkingen van de pachtkamer van het gerechtshof Arnhem niet vatbaar voor cassatie. Zoals de Hoge Raad heeft geoordeeld in zijn uitspraken van 19 december 2008 (nr. 08/00239, LJN BG3714, NJ 2009, 22) en 11 september 2009 (nr. 08/04390, LJN BI6942) hebben de op 1 september 2007 in werking getreden procesrechtelijke bepalingen voor pachtzaken (art. 1019j-1019v Rv.), waarin cassatieberoep niet is uitgesloten, geen gevolg voor eventuele rechtsmiddelen in voordien al lopende procedures.

In de onderhavige, per 1 september 2007 reeds lopende, procedure betreffende een pachtovereenkomst heeft de pachtkamer van het gerechtshof Arnhem derhalve in hoogste instantie geoordeeld. [Eiseres] kan dus niet in haar cassatieberoep worden ontvangen.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

verklaart [eiseres] niet-ontvankelijk in haar cassatieberoep;

veroordeelt [eiseres] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van de Staat begroot op € 374,34 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris.

Dit arrest is gewezen door de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, als voorzitter, W.A.M. van Schendel en C.A. Streefkerk, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer E.J. Numann op 29 januari 2010.