Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2010:BK4551

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
19-03-2010
Datum publicatie
19-03-2010
Zaaknummer
08/02813
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2010:BK4551
In cassatie op : ECLI:NL:GHLEE:2008:BD3126, (Gedeeltelijke) vernietiging met verwijzen
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Inkomstenbelasting, artikel 3.54 Wet IB 2001, criteria voor staking bij verplaatsing agrarische onderneming, onvoldoende gemotiveerd waarom de identiteit van de onderneming verloren is gegaan, verwijzing.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJB 2010, 747
BNB 2010/214 met annotatie van P.H.J. Essers
FED 2010/97 met annotatie van I.C.M. den Hollander
V-N 2010/15.19 met annotatie van Redactie
FutD 2010-0741 met annotatie van Fiscaal up to Date
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Nr. 08/02813

19 maart 2010

Arrest

gewezen op het beroep in cassatie van X te Z, Duitsland (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Leeuwarden van 30 mei 2008, nr. 53/07, betreffende een voorlopige aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen.

1. Het geding in feitelijke instanties

Aan belanghebbende is voor het jaar 2004 een voorlopige aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd.

De Rechtbank te Leeuwarden (nr. AWB 06/1006) heeft het tegen die uitspraak ingestelde beroep gegrond verklaard, de uitspraak van de Inspecteur vernietigd en de aanslag verminderd.

De Inspecteur heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof.

Het Hof heeft de uitspraak van de Rechtbank vernietigd en het beroep ongegrond verklaard. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.

De Advocaat-Generaal R.E.C.M. Niessen heeft op 10 november 2009 geconcludeerd tot gegrondverklaring van het beroep in cassatie.

De Staatssecretaris heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.

3. Beoordeling van de klachten

3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

3.1.1. Belanghebbende dreef in 2004 met haar echtgenoot in maatschapsverband een melkveehouderij in Q.

3.1.2. Tot het ondernemingsvermogen behoorden in 2004 onder meer 45.21.25 hectare gronden in eigendom en (erf)pacht, 431.858 kilo melkquotum (waarvan 75.000 kilo geleased), machines, inventaris en vee.

3.1.3. In 2004 hebben belanghebbende en haar echtgenoot (hierna gezamenlijk ook: de echtgenoten) 203.000 kilo van het melkquotum verkocht. Met deze verkoop is een boekwinst gerealiseerd van € 268.909. Belanghebbende heeft het haar toekomende deel van de boekwinst gedoteerd aan een herinvesteringsreserve (hierna: de HIR) in de zin van artikel 3.54 Wet inkomstenbelasting 2001 (hierna: de Wet). In 2005 zijn de onroerende zaken in Nederland verkocht, met uitzondering van 10 hectare grasland en is de rest van het melkquotum verkocht.

3.1.4. Op 1 mei 2005 zijn de echtgenoten verhuisd naar Z, Duitsland (afstand ten opzichte van Q 95 km). Hier wordt door de echtgenoten wederom een melkveehouderij geëxploiteerd.

3.1.5. De onderneming wordt in Duitsland (hierna ook: de Duitse onderneming) uitgeoefend op 56 hectare gronden in eigendom en pacht en in Nederland op 10 hectare grasland. In Duitsland beschikken de echtgenoten over 704.000 kilo melkquotum, waarvan 225.000 kilo geleased. De machines en de koeien zijn overgebracht van het bedrijf in Q naar het bedrijf in Duitsland. In Duitsland is het aantal koeien vervolgens verdubbeld.

3.1.6. De melk die wordt geproduceerd binnen de melkveehouderij in Duitsland is in 2005 geleverd aan een Duitse melkfabriek.

3.2. Voor het Hof was in geschil of belanghebbende ter zake van de verkoop van het melkquotum in 2004 een HIR kon vormen.

3.3. Het Hof heeft dienaangaande geoordeeld dat de verkoop van het melkquotum in 2004 het begin was van de staking van de Nederlandse onderneming en dat de Duitse onderneming niet kan worden beschouwd als voortzetting van de Nederlandse onderneming. Daaraan doet volgens het Hof niet af dat de machines, het vee en een deel van de grond van de Nederlandse onderneming worden aangewend in de Duitse onderneming, omdat de Duitse onderneming (de grond, het melkquotum en het aantal koeien) aanzienlijk groter is, gelegen is op een relatief grote afstand ten opzichte van de Nederlandse onderneming en een andere afnemer van de melk kent.

3.4.1. Dit oordeel wordt onder meer bestreden met de klacht dat - kort gezegd - de door het Hof van belang geachte veranderingen van omstandigheden niet de conclusie kunnen dragen dat de onderneming is gestaakt.

3.4.2. Bij de beoordeling van de klacht moet worden vooropgesteld dat de verplaatsing door een ondernemer van zijn bedrijfsuitoefening niet leidt tot staking van zijn onderneming indien de identiteit van de onderneming niettegenstaande verplaatsing ervan wezenlijk dezelfde is gebleven. Of daarvan sprake is moet worden beoordeeld aan de hand van de factoren die tezamen en in hun onderling verband beschouwd de identiteit van de desbetreffende onderneming bepalen.

In een geval als het onderhavige (een agrarische onderneming) valt dan te denken aan factoren zoals de aard van het vervaardigde product, de wijze waarop en de middelen waarmee dat product wordt geproduceerd (de aard en de oppervlakte van de in gebruik zijnde grond, de benodigde stallen, de overige bedrijfsmiddelen, de levende have, (het opleidingsniveau van) de in de onderneming werkzame personen, de mate van automatisering, de wijze van financiering, enzovoorts), het wettelijke kader dat geldt voor de desbetreffende bedrijfsuitoefening (zoals melkquota en mestquota en andere milieu- of gezondheidsvoorschriften) en de mate waarin dat wordt gehandhaafd, alsmede de voor de onderneming relevante marktomstandigheden (betreffende inkoop van veevoer en dergelijke respectievelijk de afzet van het product).

3.4.3. In het licht van het hiervoor overwogene is zonder nadere motivering, die ontbreekt, niet begrijpelijk 's Hofs oordeel dat - niettegenstaande het feit dat belanghebbende op de nieuwe locatie een melkveehouderij uitoefent met gebruikmaking van bedrijfsmiddelen en melkvee die zij heeft meegenomen - de groei van de onderneming, de afstand tot de oude locatie en de andere afnemer van melk zulke wezenlijke veranderingen hebben gebracht dat zij de identiteit van de onderneming verloren hebben doen gaan. De hiervoor in 3.4.1 genoemde klacht slaagt.

3.5. De overige klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien artikel 81 van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu deze klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

3.6. Op grond van het hiervoor in 3.4 overwogene kan 's Hofs uitspraak niet in stand blijven. Verwijzing moet volgen.

4. Proceskosten

De Minister van Financiën zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie.

Door het verwijzingshof zal worden beoordeeld of aan belanghebbende voor de kosten van het geding voor het Hof en de Rechtbank een vergoeding dient te worden toegekend.

5. Beslissing

De Hoge Raad:

verklaart het beroep in cassatie gegrond,

vernietigt de uitspraak van het Hof,

verwijst het geding naar het Gerechtshof te Amsterdam ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dit arrest,

gelast dat de Staat aan belanghebbende vergoedt het door deze ter zake van de behandeling van het beroep in cassatie verschuldigd geworden griffierecht ten bedrage van € 107, en

veroordeelt de Minister van Financiën in de kosten van het geding in cassatie aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 966 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Dit arrest is gewezen door de vice-president D.G. van Vliet als voorzitter, en de raadsheren C.B. Bavinck, A.R. Leemreis, E.N. Punt en J.A.C.A. Overgaauw, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 19 maart 2010.