Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2010:BK4463

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
19-02-2010
Datum publicatie
19-02-2010
Zaaknummer
08/02056
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2010:BK4463
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Ruilverkaveling. Bezwaren tegen lijst der geldelijke regelingen. Art. 212 Landinrichtingswet (oud) schrijft niet voor dat deze lijst een gespecificeerde opgave bevat van kosten van landinrichting die art. 222 lid 4 ten laste van de gezamenlijke eigenaren brengt. Informatieverschaffing door landinrichtingscommissie.

Wetsverwijzingen
Landinrichtingswet 212
Landinrichtingswet 222
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2010, 330
NJ 2010, 114
JWB 2010/73
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

19 februari 2010

Eerste Kamer

08/02056

EE/TT

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

1. [Eiser 1],

wonende te [woonplaats],

2. [Eiseres 2],

wonende te [woonplaats], Zwitserland,

3. [Eiseres 3],

wonende te [woonplaats],

4. [Eiser 4],

wonende te [woonplaats],

EISERS tot cassatie,

advocaten: mr. J.A.M.A. Sluysmans en mr. J.J. van de Gouw,

t e g e n

DE LANDINRICHTINGSCOMMISSIE VOOR DE RUILVERKAVELING "HAAKSBERGEN",

zetelende te Zwolle,

VERWEERSTER in cassatie,

advocaat: mr. M.W. Scheltema.

Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als [eiser] c.s. en de Landinrichtingscommissie.

1. Het geding in feitelijke instantie

[Eiser] c.s. hebben in de ruilverkaveling "Haaksbergen" bij brieven van 24 oktober en 5 december 2005 als reclamant bezwaar gemaakt tegen de lijst der geldelijke regelingen. Deze bezwaren zijn op 19 februari en 1 maart 2007 behandeld door de Landinrichtingscommissie. Die behandeling heeft ten aanzien van een aantal bezwaren niet tot overeenstemming tussen partijen geleid. Ook de rechter-commissaris, die deze bezwaren heeft behandeld op 21 augustus 2007, heeft ten aanzien daarvan geen overeenstemming tussen partijen kunnen bewerkstelligen, waarna hij partijen heeft verwezen naar de zitting van de rechtbank Almelo.

De rechtbank heeft de bezwaren behandeld ter terechtzitting van 17 december 2007 en bij vonnis van 19 maart 2008 [eiser] c.s. niet ontvankelijk verklaard in de bezwaren nummers 1, 2, 10 en 21, bezwaar nummer 16 gegrond verklaard en de overige bezwaren ongegrond verklaard.

Het vonnis van de rechtbank is aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen het vonnis van de rechtbank hebben [eiser] c.s. beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Landinrichtingscommissie heeft ten aanzien van onderdeel V van het cassatieberoep geconcludeerd tot referte en voor het overige tot verwerping.

De zaak is voor [eiser] c.s. toegelicht door hun advocaat mr. Sluysmans, en voor de Landinrichtingscommissie door haar advocaat en mede door mr. R.T. Wiegerink, advocaat bij de Hoge Raad.

De conclusie van de Advocaat-Generaal L. Timmerman strekt tot verwerping.

De advocaten van [eiser] c.s. hebben bij brief van 4 december 2010 op die conclusie gereageerd.

3. Beoordeling van het middel

3.1 De Hoge Raad stelt voorop dat de Landinrichtingswet (hierna: Liw) met ingang van 1 januari 2007 is ingetrokken en vervangen door de Wet inrichting landelijk gebied. Op grond van de overgangsbepaling van art. 95 lid 2 van deze wet is de Landinrichtingswet in de onderhavige zaak, die een landinrichtingsproject betreft waarin reeds voor 1 januari 2007 toepassing is gegeven aan art. 198 Liw, evenwel van toepassing gebleven.

3.2 Onderdeel I betreft bezwaar 9 van [eiser] c.s., dat betrekking heeft op de ontwatering die volgens [eiser] c.s. schade heeft toegebracht aan hun bosperceel als gevolg van verdroging. De rechtbank heeft geoordeeld dat [eiser] c.s. de gestelde waardedaling als gevolg van mogelijke verdroging niet, althans onvoldoende, aannemelijk hebben gemaakt, en heeft het bezwaar ongegrond verklaard. Het onderdeel klaagt dat dit oordeel onbegrijpelijk is nu de rechtbank niet is ingegaan op de bevindingen in een rapport van KIWA, waarnaar [eiser] c.s. hebben verwezen. De klacht faalt, nu de rechtbank niet gehouden was in te gaan op de bevindingen van het rapport van KIWA, waarnaar [eiser] c.s. hebben verwezen. Die verwijzing betrof, blijkens de nrs. 40-52 van de pleitnotities van 17 december 2007 van de gemachtigde van [eiser] c.s., slechts de opbrengstdepressie op een niet aan [eiser] c.s. toegedeeld perceel, die zodanig zou zijn dat de invloed daarvan ook op de aan [eiser] c.s. toegedeelde gronden merkbaar zou zijn en voor een schade zou zorgen die [eiser] c.s., zonder enige nadere toelichting, berekenden op € 21.681,--. Klaarblijkelijk, en niet onbegrijpelijk, is de rechtbank hierdoor niet overtuigd en heeft zij zich aangesloten bij de, door de rapportage van DHV ondersteunde, visie van de Landinrichtingscommissie dat de verlagingen van de grondwaterstand zo gering zijn dat het wortelstelsel van de bomen op het aan [eiser] c.s. toegedeelde bosperceel zich daaraan moeiteloos kan aanpassen zodat de situatie nauwelijks veranderd is.

3.3 Onderdeel IIA betreft de verwerping door de rechtbank (rov. 9) van het betoog van [eiser] c.s. (bezwaren 11, 20 en 22) dat in de lijst der geldelijke regelingen te hoge kosten van kavelaanvaardingswerkzaamheden aan de eigenaren in rekening zijn gebracht, nu meer werkzaamheden zijn uitgevoerd dan noodzakelijk en gerechtvaardigd was. De rechtbank achtte dit bezwaar ongegrond omdat de omvang van de uitgevoerde kavelaanvaardingswerkzaamheden bepaald wordt door het plan van toedeling, hetgeen volgens de rechtbank betekent dat die omvang in beginsel al vaststaat bij de vaststelling van het plan van toedeling, en bij de bezwarenbehandeling tegen de lijst der geldelijke regelingen niet langer aan de orde kan komen. Daarnaast oordeelde de rechtbank dat dit bezwaar als te algemeen geformuleerd moet worden verworpen, nu [eiser] c.s. niet hebben gewezen naar specifiek uitgevoerde werken in strijd met "de ingestemde plannen".

De hiertegen gerichte klachten van het onderdeel slagen. [Eiser] c.s. hebben blijkens de punten 59 en 60 van de pleitaantekeningen van hun gemachtigde, gewezen op de bij wege van kavelaanvaardingswerkzaamheden gekapte bomenrij die stond op de aan Tuchter toegedeelde gronden en daarbij benadrukt dat het ging om een bomenrij die in het landschapsplan als te handhaven was aangemerkt. In hun bezwaar 20 hebben zij aangevoerd dat die bomen in strijd met het landinrichtingsplan zijn gekapt. De rechtbank had dit bezwaar niet mogen verwerpen op grond van haar enkele oordeel dat de omvang van de kavelaanvaardingswerkzaamheden in beginsel al vaststaat bij de vaststelling van het plan van toedeling, maar had behoren te onderzoeken of het onderhavige plan van toedeling voorziet in deze door [eiser] c.s. aangewezen concrete kavelaanvaardingswerkzaamheden, waarbij mede van belang is wat het landinrichtingsplan in dat opzicht inhoudt.

3.4 In het kader van de bezwaren 11, 20 en 22 heeft de rechtbank voorts behandeld het bezwaar van [eiser] c.s. dat de schade behoort te worden vergoed die zij lijden door waardevermindering van hun eigendommen doordat het landschap als gevolg van het kappen van bomen en het opruimen van houtwallen minder aantrekkelijk is geworden. De rechtbank heeft dit bezwaar verworpen omdat, aldus de rechtbank, de schade, voor zover reëel, niet voor vergoeding via de lijst der geldelijke regelingen in aanmerking komt omdat dit geen schade is die is ontstaan door een waardeverschil tussen een ingebracht perceel en een verkregen perceel of door werkzaamheden die zijn uitgevoerd op het eigen perceel. Terecht komt onderdeel IIB hiertegen op, nu de lijst der geldelijke regelingen wel degelijk behoort te voorzien in vergoeding of verrekening van waardevermindering als gevolg van kavelaanvaardingswerkzaamheden als door [eiser] c.s. aan de orde gesteld, ook indien die waardevermindering gevolg is van kavelaanvaardingswerkzaamheden die uitgevoerd zijn op andere percelen dan die van de reclamant. Het slagen van de onderdelen IIA en IIB brengt mee dat onderdeel III geen behandeling behoeft.

3.5 Onderdeel IV klaagt dat de rechtbank niet is ingegaan op hetgeen [eiser] c.s. ter zitting hebben aangevoerd met betrekking tot bezwaar 13. Het onderdeel kan wegens gebrek aan feitelijke grondslag niet tot cassatie leiden nu de rechtbank, in cassatie onbestreden, geoordeeld heeft dat dit bezwaar ongegrond is omdat het betrekking heeft op ontwikkelingen die hebben plaatsgevonden na de peildatum van de vaststelling van het plan van toedeling, waarvan de Landinrichtingscommissie, naar het oordeel van de rechtbank terecht, is uitgegaan.

3.6 Onderdeel V betreft bezwaar 16 betreffende de post ontsluiting. [Eiser] c.s. achten de waardering voor ontsluiting bij inbreng met 20 punten niet gerechtvaardigd, nu in de toedelingssituatie de veel te smalle en onverharde ontsluiting van vier kavels niet vergelijkbaar is met de inbrengsituatie. De rechtbank oordeelde dit bezwaar gegrond. Het onderdeel klaagt dat de rechtbank niettemin heeft nagelaten op grond van art. 216, aanhef en onder c, in verbinding met art. 185 lid 4 Liw de lijst der geldelijke regelingen te wijzigen en in plaats daarvan heeft geoordeeld dat de Landinrichtingscommissie dient te zorgen voor een deugdelijke met de inbrengsituatie vergelijkbare ontsluiting, zonder dienaangaande in het dictum enige veroordeling op te nemen. De klacht is gegrond. In de procedure waarin de bezwaren tegen de lijst der geldelijke regelingen worden behandeld gaat het om eventuele wijzigingen van die lijst en behoren gegronde bezwaren tegen die lijst niet uit te monden in een aanwijzing aan de landinrichtingscommissie om alsnog te zorgen voor kavelaanvaardings- of andere werkzaamheden. Dat kan anders zijn indien de reclamant instemt met een aanbod van de landinrichtingscommissie om alsnog bepaalde, voldoende duidelijk omschreven, werkzaamheden te doen verrichten, maar de rechtbank heeft dienaangaande niets vastgesteld.

3.7 Onderdeel VI betreft de bezwaren 18 en 19 die zich richten tegen de terinzagelegging van de lijst der geldelijke regelingen nu daarin volgens [eiser] c.s. geen sluitende verantwoording van de kosten is gegeven. De klacht gaat ervan uit dat die lijst mede een gespecificeerde opgave behoort te bevatten van alle posten die als kosten ten laste van de gezamenlijke eigenaren komen door middel van de in art. 223 lid 1 Liw bedoelde omslag. De klacht is ongegrond omdat dit uitgangspunt onjuist is. Art. 212 Liw schrijft niet voor dat de lijst der geldelijke regelingen een gespecificeerde opgave bevat van de kosten van landinrichting die art. 222 lid 4 ten laste van de gezamenlijke eigenaren brengt. Wel kunnen de eigenaren gedurende de periode van terinzagelegging van de lijst der geldelijke regelingen van de landinrichtingscommissie verlangen dat die informatie verschaft omtrent de kosten die ten grondslag liggen aan de lijst der geldelijke regelingen, en kunnen die eigenaren eventuele bezwaren tegen die lijst mede baseren op de stelling dat de voor rekening van de gezamenlijke eigenaren komende kosten onjuist zijn berekend (HR 20 november 2009, nr. 08/00168, LJN BJ7315, NJ 2009, 582).

4. Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt het vonnis van de rechtbank Almelo van 19 maart 2008;

verwijst het geding naar het gerechtshof te Arnhem ter verdere behandeling en beslissing;

veroordeelt de Landinrichtingscommissie in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [eiser] c.s. begroot op € 370,63 aan verschotten en € 2.600,-- voor salaris.

Dit arrest is gewezen door de vice-president D.H. Beukenhorst als voorzitter en de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, J.C. van Oven, W.A.M. van Schendel en C.A. Streefkerk, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer W.A.M. van Schendel op 19 februari 2010.