Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2010:BK4406

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
12-01-2010
Datum publicatie
12-01-2010
Zaaknummer
08/02292
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2010:BK4406
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Art. 359.2 Sv. U.o.s. Hetgeen bij pleidooi is aangevoerd kan bezwaarlijk anders worden verstaan dan als een standpunt dat duidelijk, door argumenten geschraagd en voorzien van een ondubbelzinnige conclusie ten overstaan van het Hof naar voren is gebracht. Het Hof is in zijn arrest van dit uitdrukkelijk onderbouwde standpunt afgeweken, maar heeft, in strijd met art. 359.2 Sv niet in het bijzonder de redenen opgegeven die daartoe hebben geleid. Dat verzuim heeft ingevolge art. 359.8 Sv nietigheid tot gevolg.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2010, 167

Uitspraak

12 januari 2010

Strafkamer

Nr. 08/02292

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 2 oktober 2007, nummer 22/003438-06, in de strafzaak tegen:

[Verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1940, wonende te [woonplaats].

1. Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. J.P.C.M. van Es, advocaat te 's-Gravenhage, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Jörg heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest en tot terugwijzing van de zaak naar het Gerechtshof te 's-Gravenhage, teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.

2. Beoordeling van het middel

2.1. Het middel klaagt onder meer dat het Hof in strijd met de tweede volzin van art. 359, tweede lid, Sv heeft verzuimd in het bijzonder de redenen op te geven waarom het is afgeweken van een ter terechtzitting in hoger beroep namens de verdachte ingenomen uitdrukkelijk onderbouwd standpunt.

2.2. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:

"1.

hij in de periode van 1 april 2000 tot en met 30 juni 2000 te 's-Gravenhage tezamen en in vereniging met een ander (te weten: [betrokkene 1]) meermalen, (telkens) in strijd met de waarheid enig gegeven heeft verzwegen voor de Dienst Sociale Zaken en Werkgelegenheidsprojecten van de gemeente 's-Gravenhage, immers hebben hij, verdachte, en die ander (telkens) opzettelijk verzwegen dat hij, verdachte, en die ander een gezamenlijke huishouding voerden op het adres [a-straat 1] te [plaats], zulks (telkens) met het oogmerk om voor zichzelf en/of voor degene voor wie hij optrad bijstand en/of hogere bijstand ingevolge de Algemene bijstandswet te verkrijgen en/of te behouden.

2.

hij in de periode van 1 juli 2000 tot en met 31 juli 2004 te 's-Gravenhage tezamen en in vereniging met een ander (te weten: [betrokkene 1]) meermalen, (telkens) in strijd met een hem en die ander bij of krachtens wettelijk voorschrift opgelegde verplichting, te weten de informatieplicht vermeld in artikel 65 van de Algemene bijstandswet, opzettelijk heeft nagelaten tijdig de benodigde gegevens te verstrekken, immers hebben hij, verdachte, en die ander (telkens) opzettelijk nagelaten aan de Dienst Sociale Zaken en Werkgelegenheidsprojecten van de gemeente 's-Gravenhage te melden dat hij, verdachte, en die ander (in voornoemde periode) een gezamenlijke huishouding voerden op het adres [a-straat 1] te [plaats], zulks terwijl deze feiten konden strekken en hebben gestrekt tot bevoordeling van zichzelf en die ander, terwijl hij, verdachte, en die ander (telkens) wisten dat die gegevens van belang waren voor de vaststelling van verdachtes en/of eens anders recht op een verstrekking en/of tegemoetkoming krachtens de Algemene bijstandswet en Wet werk en bijstand en voor de duur en hoogte van die verstrekking en tegemoetkoming."

2.3. Deze bewezenverklaring steunt onder meer op de volgende bewijsmiddelen:

a. een aangifte van de Dienst Sociale Zaken en Werkgelegenheidsprojecten van de gemeente 's-Gravenhage van 10 september 2004, opgemaakt door [betrokkene 4], voor zover inhoudende:

"Als zodanig bevoegd tot het doen van aangifte van het verzuim van de mededelingsplicht ingevolge de Algemene bijstandswet / Wet Werk en Bijstand, namens de dienst Sociale Zaken en Werkgelegenheidsprojecten, van de gemeente Den Haag, wordt van een zodanig feit aangifte gedaan door: [betrokkene 4].

Bij of krachtens de Abw/WWB werd op verzoek een uitkering verstrekt aan:

Naam:[verdachte]

Voornaam:[verdachte]

Geboortedatum:[geboortedatum] 1940

Geboorteplaats:[geboorteplaats]

Naam:[betrokkene 1]

Voornaam:[betrokkene 1]

Geboortedatum:[geboortedatum] 1942

Geboorteplaats:[geboorteplaats]

Om het recht op voortzetting van de uitkering vast te stellen moesten betrokkenen in het kader van heronderzoeken, periodiek voor gesprekken bij de dSZW verschijnen.

Hierbij werden door de sociaal bijstandsambtenaar vragen gesteld met betrekking tot de gezins-, arbeids-, vermogens- en inkomensomstandigheden. De daarop door betrokkenen verstrekte informatie is vastgelegd in heronderzoekformulieren.

Uit onderzoek van het politiekorps Haaglanden is gebleken dat betrokkenen al vijf jaar een gezamenlijke huishouding voerden zonder dit aan de dSZW te melden.

Uit vorenstaande is vast komen te staan dat betrokkenen onjuiste gegevens aan de dSZW hebben verstrekt. Door de valselijk opgemaakte inlichtingen- en heronderzoekformulieren kennelijk als echt en onvervalst te gebruiken is er enig nadeel voor de dSZW ontstaan. Betrokkenen hebben eveneens in strijd met de waarheid enig gegeven verzwegen, kennelijk met het oogmerk geheel dan wel gedeeltelijk bijstand te verkrijgen dan wel te behouden. Indien door betrokkenen de juiste informatie zou zijn verstrekt was de uitkering in deze vorm niet verleend.

Door de gezamenlijke huishouding niet mee te delen hebben betrokkenen in de periode van 1 januari 2000 tot 1 augustus 2004 de dSZW benadeeld."

b. een proces-verbaal van politie, voor zover inhoudende als verklaring van de verdachte:

"Ik ontvang sedert een groot aantal jaren een uitkering van de dSZW in het kader van de ABW naar de norm van een alleenstaande.

Een jaar of 5 geleden heb ik een ongeluk gehad. Hierbij heb ik mijn been verloren. Na het ongeluk ben ik feitelijk ingetrokken bij mijn ex-echtgenote [betrokkene 1] aan de [a-straat 1] in [plaats]. Ik slaap daar in de voorkamer, daar staat een bed voor mij. Ook mijn kleding ligt aan de [a-straat]. Zij verzorgt mij. Ik beken dat ik tegenover de dSZW heb verzwegen dat ik feitelijk woonachtig was aan het adres van mijn ex-vrouw.

U toont mij formulieren van de dSZW die u aanvraagformulieren noemt. Ik herken deze formulieren. Ik vulde hier in strijd met de waarheid in dat ik als alleenstaande woonachtig was aan de [b-straat 1] te [plaats]. Ik weet dat door dit alles de dSZW is benadeeld."

c. een inlichtingenformulier van 20 april 2000 en heronderzoeksformulieren uitkeringen van 19 april 2001, 2 april 2002 en 22 maart 2003, telkens gevoegd bij de inhoudsrapportage uitkeringsfraude.

d. een proces-verbaal van politie, voor zover inhoudende als verklaring van [betrokkene 1]:

"[Verdachte] heeft zo'n vijf jaar geleden een ongeluk gehad. Daarbij is hij zijn been verloren. Na het ongeluk is [verdachte] weer bij mij komen wonen. Ik verzorg hem helemaal. Ik weet dat ik dit moest melden aan de dSZW. Ik heb dit alleen niet gedaan."

e. de verklaring van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep, voor zover inhoudende:

"In 1998 ben ik in een verpleegtehuis opgenomen. Op 20 maart 2000 ben ik uit het revalidatiecentrum ontslagen. In 2004 ben ik wederom opgenomen in een verzorgingshuis."

2.4. Blijkens de aan het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep gehechte pleitnota heeft de raadsman aldaar onder meer het volgende aangevoerd:

"1. Bewezenverklaring van strafbare feiten

[Verdachte] is van mening dat de politierechter ten onrechte is gekomen tot een bewezen verklaring van de tenlastegelegde feiten.

1.1 Bewijsoverwegingen politierechter

In de bewijsoverwegingen geeft de politierechter aan dat verdachten, hoewel zij ter terechtzitting anders hebben verklaard, zij in hun respectievelijke verklaringen bij de politie zonder enige terughoudendheid hebben verklaard dat zij bij elkaar woonden nadat [verdachte] bij een ongeluk een been had verloren.

Op grond daarvan en de verklaring van de ex-echtgenote: [betrokkene 1], dat zij [verdachte] zou hebben verzorgd heeft de politierechter bewezen geacht dat sprake was van een gezamenlijke huishouding als bedoeld in artikel 3.1 Algemene Bijstandswet in de tenlastegelegde perioden.

1.2. Afgelegde verklaringen [verdachte] en [betrokkene 1]

Voor wat betreft de verklaringen van [verdachte] en [betrokkene 1] bij de politie op 5 juli 2004 kan worden opgemerkt dat de structuur van beide verklaringen dezelfde is en dat ook bewoordingen die worden gebruikt ten dele exact overeenkomen. De verklaringen, die binnen één uur na elkaar op papier zijn gekomen, wekken sterk de indruk door de betreffende rechercheurs van politie te zijn geredigeerd. Naar zeggen van cliënt is door de recherche ook druk uitgeoefend dat [verdachte] met de betreffende verklaring accoord diende te gaan.

De betreffende verklaringen sporen echter aantoonbaar niet met de werkelijkheid. [Verdachte] is in september 1998 bij een auto ongeval betrokken geweest waarbij hij een been heeft verloren. [Verdachte] is na het genoemde auto ongeval in september 1998 eerst enige tijd in een ziekenhuis opgenomen geweest.

Daarna heeft [verdachte] in een verpleegtehuis verbleven van november 1998 tot 20 maart 2000. Dit blijkt ook op diverse plaatsen in het bijstandsdossier.

Derhalve kunnen reeds vanwege die reden niet juist zijn de verklaringen d.d. 5 juli 2004 van [verdachte] en [betrokkene 1] in het proces-verbaal dat [verdachte] "na het ongeluk feitelijk zou zijn ingetrokken bij [betrokkene 1]".

[Verdachte] heeft bovendien reeds op 9 december 2003 bij gelegenheid van het huisbezoek van de dienst Sociale Zaken en Werkgelegenheidsprojecten aan het adres [a-straat 1] te [plaats] (pandenproject) een verklaring van een andere strekking afgelegd: te weten, namelijk dat hij niet feitelijk woonachtig was op het adres [a-straat 1] te [plaats] maar dat hij op dat adres alleen verpleegd werd. [Verdachte] ging volgens zijn verklaring echter altijd weer naar zijn eigen woning aan de [b-straat 1] te [plaats] terug.

[Verdachte] is lichamelijk ernstig gehandicapt na een auto ongeval in september 1998. Bovendien is [verdachte] lijdende aan andere medische aandoeningen. [Verdachte] was afhankelijk van verzorging/verpleging door Thuiszorg.

Na het stopzetten van thuiszorg was [verdachte] voor zijn verzorging aangewezen geweest op familieleden c.q. een van zijn dochters, nota bene op advies van de toenmalig bijstandsmedewerkster. Ook voor zijn sociale contacten was [verdachte] aangewezen op zijn dochters.

In verband hiermee verbleef [verdachte] overdag vaker op het adres van [betrokkene 1]. [Verdachte] verbleef echter 's nachts, uitzonderingen daargelaten, altijd in zijn eigen woning aan de [b-straat 1]. [Verdachte] werd op dagen dat hij op het adres van [betrokkene 1] zou verblijven opgehaald door de toenmalige partner van een van zijn dochters: [betrokkene 3].

[Betrokkene 3] bracht [verdachte] ook weer terug naar zijn eigen woning aan de [b-straat]. Ter terechtzitting van de politierechter op 18 mei 2006 hebben zowel [verdachte] als ook [betrokkene 1] een verklaring van dergelijke strekking gegeven en zijn daarmee teruggekomen op de verklaring die bij de politie op schrift is gesteld op 5 juli 2004.

Ook ter terechtzitting van uw Gerechtshof van 1 mei jl. heeft cliënt verklaard dat er van samenwoning geen sprake was.

1.3 Getuigenverklaringen ten overstaan van de raadsheer-commissaris.

Op 3 juli jl. hebben de getuigenverhoren ten overstaan van de raadsheer-commissaris mr. Van Oven en in aanwezigheid van de advocaat-generaal plaatsgevonden.

De ex-echtgenote [betrokkene 1] heeft zich op haar verschoningsrecht beroepen en heeft geweigerd verdere vragen te beantwoorden.

De dochter van [verdachte], [betrokkene 2], daarentegen heeft een uitvoerige verklaring afgelegd ten overstaan van de raadsheer-commissaris.

De verklaring van [betrokkene 2] voor zover van belang voor de telastegelegde feiten komt er op neer dat, zoals zij zelf ook met zoveel woorden stelt, van daadwerkelijke samenwoning tussen [verdachte] en de ex-echtgenote van cliënt, de moeder van [betrokkene 2] in de periode van januari 2000 tot en met juli 2004 geen sprake is geweest. Vanwege het ernstige auto ongeval dat appellant is overkomen, in verband waarmee verzorging noodzakelijk was, in de periode nadat appellant uit het verzorgingstehuis was gekomen op aanraden en enkel door het optreden van [betrokkene 2] verzorging van appellant plaatsgevonden.

Aanvankelijk heeft [betrokkene 2] nog getracht haar vader op zijn eigen adres aan de [b-straat 1] te verzorgen, dit bleek echter niet mogelijk en voor [betrokkene 2] belastend omdat zij de kans liep haar ex [betrokkene 3] tegen het lijf te lopen. In verband hiermee heeft de verzorging van appellant door [betrokkene 2] en ook door de Thuiszorg plaatsgevonden op het adres van [betrokkene 1]: de [a-straat 1] te [plaats].

Appellant kwam dan volgens de verklaring van [betrokkene 2] iedere dag naar het adres [a-straat 1] door haar verzorgd te worden. Hij werd dan meestal door [betrokkene 3] gebracht en later de betreffende dag weer teruggebracht naar zijn eigen woning aan de [b-straat 1]. Het kwam ook wel voor dat appellant met de taxi kwam of werd teruggebracht naar zijn eigen woning.

Alleen als appellant zo ziek was dat hij niet terug kon gaan dan bleef hij wel eens in de woning van [betrokkene 1] aan de [a-straat 1] slapen. Hij sliep in dat geval in een bed op de eerste etage van [betrokkene 2]. Een enkele keer is het wel voorgekomen dat [verdachte] vanwege ernstige ziekte langer verbleef in de woning van [betrokkene 1], echter met het enkele doel om op die manier verzorging van appellant door [betrokkene 2] mogelijk te maken.

De getuige heeft verder nog verklaard dat in de periode dat appellant op het adres [a-straat 1] kwam om verzorgd te worden in het geheel geen contact is geweest tussen appellant en [betrokkene 1]. [Betrokkene 1] wilde eigenlijk in het geheel niet dat appellant in haar woning kwam, alleen door toedoen van [betrokkene 2] die niet wilde dat haar vader aan zijn lot zou worden overgelaten, is dat wel gebeurd. Behalve op het adres [a-straat 1] verbleef appellant overdag verder regelmatig bij de sociëteit [A] en ook wel in de sociëteit bij het [B].

Gelet op de verklaring van de getuige [betrokkene 2] kan naar mening van appellant niet worden volgehouden dat er sprake is geweest van samenwoning tussen appellant en [betrokkene 1]. [Betrokkene 1] wilde in het geheel niets met appellant te maken hebben. De enige reden dat hij op het adres [a-straat 1] kwam is dat dochter [betrokkene 2] ervoor heeft gezorgd dat haar vader op dat adres door haar verzorgd kon worden. Voor het overgrote deel van de tijd verbleef [verdachte] alleen overdag op het adres [a-straat 1] om daar verzorgd te worden en ging hij later op de dag terug naar zijn eigen woning aan de [b-straat 1] te [plaats].

De verklaringen van [betrokkene 2] zijn overeenkomstig hetgeen appellant ook heeft verklaard op de eerdere terechtzitting van uw Hof en tevens in overeenstemming van met de verklaringen door [verdachte] (en overigens ook [betrokkene 1]) afgelegd op de terechtzitting van de politierechter, er is geen sprake geweest van samenwoning.

1.4 Gezamenlijke huishouding in de zin van de Algemene bijstandswet

Uiteraard is voor de bewezen verklaring van beide tll strafbare feiten van belang of kan worden aangenomen dat sprake is geweest van een situatie dat [verdachte] en [betrokkene 1] een gezamenlijke huishouding voerden in de zin van (artikel 3) van de Algemene bijstandswet, zoals die ten tijde in geding luidde.

Op grond daarvan is in de eerste plaats van belang of moet worden aangenomen dat [verdachte] en [betrokkene 1] hun hoofdverblijf op hetzelfde adres hadden.

In de jurisprudentie van de hoogste rechter in bijstandszaken, de Centrale Raad van Beroep, moet uit feitelijke omstandigheden worden afgeleid of twee personen hun hoofdverblijf op hetzelfde adres hebben. Van belang in het onderhavige geval is dat in dit geval vast staat dat [verdachte] en [betrokkene 1] in de periode in geding ieder over eigen woonruimte beschikten. Volgens jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep hoeft het aanhouden van afzonderlijke woonruimten op zich niet in de weg te staan aan het hebben van hoofdverblijf in dezelfde woning.

Dan zal echter wel redelijkerwijs aannemelijk moeten zijn dat desondanks toch een feitelijke situatie van samenwoning bestaat en dat feitelijk geen gebruik wordt gemaakt van de woning van de partner. In het onderhavige geval maakte [verdachte] nu juist wel (vrijwel) altijd gebruik van zijn eigen woning aan de [b-straat 1] te [plaats].

[Verdachte] meent dat enkel op grond van de verklaringen van hem en van [betrokkene 1] als verdachte door de politie gehoord in het onderhavige geval, niet kan worden aangenomen dat [verdachte] feitelijk geen gebruik maakte van zijn eigen woning in de periode in geding.

Verder is er noch door de sociale recherche, noch door de dienst Sociale Zaken en Werkgelegenheidsprojecten zelf enig ander onderzoek gedaan. In het bijzonder is ook nagelaten een onderzoek in te stellen naar het feitelijke gebruik dat [verdachte] maakte van zijn eigen woning aan de [b-straat 1] te [plaats].

1.5 Gezamenlijke huishouding i.c. tevens van belang of wederzijdse zorgrelaties over en weer hebben bestaan

De politierechter heeft verder miskend dat voor de bewezen verklaring van het voeren van een gezamenlijke huishouding (c.q. voor het aannemen van strafbaarheid in het onderhavige geval) in verband met de omstandigheid dat appellant en [betrokkene 1] reeds sedert vele jaren gescheiden waren, niet slechts van belang kan worden geacht of appellant en [betrokkene 1] in de periode waarop de tenlastegelegde feiten zien hun hoofdverblijf op het zelfde adres hadden (hetgeen zowel appellant als ook [betrokkene 1] overigens ter terechtzitting van de politierechter hebben betwist), maar bovendien of kan worden aangenomen dat appellant en [betrokkene 1] wederzijds in elkaars verzorging hebben voorzien, hetgeen echter (zeker) niet het geval is geweest.

Inmiddels heeft de Centrale Raad van Beroep jurisprudentie gewezen waaruit blijkt dat in het kader van de bijstandswetgeving huwelijkse relaties op één lijn moeten worden gesteld met niet huwelijkse relaties en dat op grond van artikel 26 van het Internationale verdrag voor Burgerlijke en Politieke rechten (Bupo verdrag) bij de toepassing van artikel 3 lid 4 en onder a van de WWB (artikel 3 lid 4 onder a Abw) voor wat betreft de temporele werkingssfeer geen onderscheid mag worden gemaakt tussen huwelijkse en niet huwelijkse relatievormen.

Nu in artikel 3 lid 4 onder a WWB het voor de verlening van bijstand als gehuwd worden aangemerkt is gekoppeld aan een periode van 2 jaar, behoort dit te gelden voor ex-gehuwden wier relatie langer dan 2 jaar daarvoor door echtscheiding is ontbonden. Van belang in dit geval is dat het huwelijk tussen [verdachte] en [betrokkene 1] reeds op 22 maart 1983 door echtscheiding is ontbonden, derhalve meer dan 24 jaar geleden.

In verband hiermee is [verdachte] van mening dat voor de aanwezigheid van een gezamenlijke huishouding in het onderhavige geval, behalve het hoofdverblijf houden op hetzelfde adres tevens van belang is of [verdachte] en [betrokkene 1] in de periode van belang geacht kunnen worden wederzijds in elkaars verzorging te hebben voorzien (artikel 3 lid 3 Abw).

Daarvan is zoals gezegd (evenmin) sprake geweest en daarover is in ieder geval in het geheel niets vastgesteld. [Verdachte] meent dat de omstandigheid dat in het onderhavige geval uit de relatie tussen [verdachte] en [betrokkene 1] kinderen zijn geboren in het onderhavige geval ten tijde dat de tenlastegelegde feiten zich zouden hebben voorgedaan, voor de bijstandsverlening geen reële betekenis meer toekomt. Immers waren [verdachte] en [betrokkene 1] sedert zeer lange tijd gescheiden en de kinderen in kwestie ver meerderjarig, zodat alleen op grond daarvan geen wederzijdse verzorgingsrelaties meer kunnen worden aangenomen.

(...)

3. Conclusie

In verband met het hiervoor genoemde verzoekt [verdachte] uw Gerechtshof het vonnis van de politierechter te vernietigen en rechtsprekende in hoger beroep [verdachte] alsnog vrij te spreken van de hem tenlastegelegde feiten."

2.5. Hetgeen bij pleidooi is aangevoerd kan bezwaarlijk anders worden verstaan dan als een standpunt dat duidelijk, door argumenten geschraagd en voorzien van een ondubbelzinnige conclusie ten overstaan van het Hof naar voren is gebracht. Het Hof is in zijn uitspraak van dit uitdrukkelijk onderbouwde standpunt afgeweken, maar heeft, in strijd met art. 359, tweede lid, Sv niet in het bijzonder de redenen opgegeven die daartoe hebben geleid. Dat verzuim heeft ingevolge art. 359, achtste lid, Sv nietigheid tot gevolg.

2.6. De klacht is gegrond.

3. Slotsom

Hetgeen hiervoor is overwogen brengt mee dat de bestreden uitspraak niet in stand kan blijven, het middel voor het overige geen bespreking behoeft en als volgt moet worden beslist.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de bestreden uitspraak;

wijst de zaak terug naar het Gerechtshof te 's-Gravenhage, opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.

Dit arrest is gewezen door de vice-president F.H. Koster als voorzitter, en de raadsheren B.C. de Savornin Lohman en J.W. Ilsink, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.J. Verhoeven, en uitgesproken op 12 januari 2010.