Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2010:BK4155

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
12-01-2010
Datum publicatie
12-01-2010
Zaaknummer
07/11892
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2010:BK4155
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Putatief noodweer. HR herhaalt de relevante overwegingen uit HR LJN BI3895. Gelet op de door het Hof vastgestelde ernst van de aanranding, had het Hof zijn oordeel dat niet is voldaan aan de eis van proportionaliteit nader moeten motiveren.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht
Wetboek van Strafrecht 41
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NS 2010, 52
NBSTRAF 2010/52
RvdW 2010, 161
NJB 2010, 236
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

12 januari 2010

Strafkamer

nr. 07/11892

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 14 augustus 2007, nummer 22/001509-07, in de strafzaak tegen:

[Verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1986, wonende te [woonplaats].

1. Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. H. Sytema, advocaat te 's-Gravenhage, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Jörg heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot verwijzing van de zaak naar een aangrenzend hof teneinde opnieuw te worden berecht en afgedaan.

2. Beoordeling van het middel

2.1. Het middel richt zich tegen de verwerping door het Hof van het beroep op putatief noodweer.

2.2.1. Ten laste van de verdachte heeft het Hof bewezenverklaard dat:

"hij op 25 augustus 2006 te 's-Gravenhage opzettelijk een persoon (te weten [verbalisant 1]) (met kracht) op het voorhoofd heeft geslagen waardoor deze letsel heeft bekomen en pijn heeft ondervonden."

2.2.2. Deze bewezenverklaring steunt - voor zover voor de beoordeling van het middel van belang - op de volgende bewijsmiddelen:

a. een proces-verbaal van politie, opgemaakt door de opsporingsambtenaren [verbalisant 2] en [verbalisant 1], voor zover inhoudende als relaas van de verbalisanten dan wel een van hen:

"Op 25 augustus 2006 omstreeks 04:00 uur bevond ik, verbalisant [verbalisant 2], mij in uniform gekleed en met solo mountainbikesurveillance belast op de openbare weg de Spuistraat te Den Haag. Ik, verbalisant [verbalisant 1], bevond mij toevalligerwijze eveneens op die locatie, maar ik was in burger gekleed en met onopvallende surveillance belast.

Ik, verbalisant [verbalisant 1], zag en hoorde dat er een groep van 40 onrustige personen over het Spui kwam aangelopen, komende vanuit de richting van de Grote Marktstraat en gaande in de richting van de Spuistraat c.q. het Buitenhof. Enkele leden van bedoelde groep manifesteerden zich luidruchtig en ordeverstorend door herhaaldelijk "ADO hooligans" te schreeuwen en wild met de armen te zwaaien.

Wij, verbalisanten, zagen dat genoemde groep ter hoogte van de Spuistraat een ander groepje personen insloot door hier in een cirkelformatie omheen te gaan staan. Alvorens wij konden interveniëren sloeg binnen enkele seconden de vlam in de pan, toen de leden van de omsingelende en uitdagende groep personen kennelijk opzettelijk en met kracht begonnen in te slaan en te schoppen op de leden van de omsingelde groep personen. Er ontstond een massale vechtpartij.

Ik, verbalisant [verbalisant 1], had mij tussen de vechtenden begeven en had gezien dat één van de uit ongeveer 40 personen bestaande groep personen deel uitmakende jongen een ander mij onbekend gebleven persoon kennelijk opzettelijk en met kracht herhaaldelijk had geslagen en geschopt. Ik besloot deze verdachte aan te houden en pakte hem daartoe krachtig vast. De door mij aangehouden verdachte bleek later genaamd te zijn [betrokkene 1].

Terwijl ik, verbalisant [verbalisant 1], de door mij aangehouden verdachte [betrokkene 1] met beide handen vast hield, zag ik dat enkele bij de vechtpartij betrokken jongemannen mij omringden, een gevechtshouding aannamen en mij enkele malen kennelijk opzettelijk en met kracht trachtten te schoppen en/of slaan met de kennelijke bedoeling [betrokkene 1] te ontzetten. Ik zag dat bedoelde jongemannen mij bleven belagen.

Ik, verbalisant [verbalisant 1], zag en voelde ondertussen dat het tegen mij aangewende, eerder omschreven geweld onverkort doorgang bleef vinden en hoorde dat sommige belagers naar mij riepen "Laat onze vriend los". Ik heb hierop de verdachte nog steviger vast gepakt omdat bedoelde belagers kennelijk opzettelijk en met kracht aan mijn kleding alsook de door mij aangehouden verdachte [betrokkene 1] begonnen te trekken en ik hoorde dat hierdoor mijn jas scheurde.

Ik voelde dat één van mijn belagers op enig moment naar mij toe wist te springen en mij kennelijk opzettelijk en met kracht een vuistslag in het gelaat gaf. Door deze vuistslag voelde ik, verbalisant [verbalisant 1], een hevige pijn in mijn gelaat en moest ik de aangehouden verdachte loslaten.

De verdachte die mij de vuistslag had weten te geven en die enkele minuten later op mijn aanwijzing kon worden aangehouden bleek genaamd te zijn: [verdachte]."

b. de verklaring van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep, voor zover inhoudende:

"Het tenlastegelegde gebeurde op 25 augustus 2006 's nachts om 04.00 uur. Ik was met acht vrienden in de discotheek [A] te Den Haag. We waren van plan naar huis te gaan. Toen we buiten discotheek [A] kwamen, zagen we dat er een opstootje was tussen twee jongens. Dat waren [betrokkene 1] en nog een jongen. Ik heb gevraagd wat er aan de hand was.

Tot tweemaal toe heb ik geprobeerd de ruzie te sussen, maar de vechtpartij liep uit de hand. [Betrokkene 1] werd belaagd door andere jongens. Vervolgens escaleerde de vechtpartij. Mijn groep bestond uit acht jongens. De andere groep bestond uit zes jongens. [Betrokkene 1] deed niets. Er werd geduwd en getrokken. Ik dacht dat ze [betrokkene 1] moesten hebben, dus ik wilde hem beschermen. Op een gegeven moment werd [betrokkene 1] van achteren gegrepen door een persoon. Ik gaf de jongen een klap in het gezicht."

2.2.3. Een door de raadsvrouwe van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep gevoerd verweer is door het Hof als volgt samengevat en verworpen:

"Strafbaarheid van de verdachte

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsvrouw van de verdachte aangevoerd dat de verdachte heeft gehandeld uit putatief noodweer.

Het hof verwerpt dit verweer. Naar zijn oordeel heeft de verdachte in de hectiek van de situatie weliswaar in redelijkheid in de veronderstelling kunnen verkeren dat er sprake was van een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding van zijn vriend. Op grond van het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep is evenwel niet aannemelijk geworden dat de door de verdachte gekozen reactie noodzakelijk was. Nu de vriend van de verdachte door het slachtoffer slechts werd vastgegrepen - en niet

geslagen - had de verdachte op een andere, minder ingrijpende wijze dienen te reageren, bijvoorbeeld door te trachten het slachtoffer van zijn vriend af te houden. Er is ook overigens geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar."

2.3. Het Hof heeft feitelijk vastgesteld dat de verdachte in redelijkheid kon en mocht menen dat sprake was van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van zijn vriend [betrokkene 1]. Nu het middel de juistheid van deze vaststelling niet bestrijdt, moet daarvan in cassatie worden uitgegaan.

2.4. Vooropgesteld moet worden dat indien door of namens de verdachte een beroep is gedaan op (putatief) noodweer, de rechter zal moeten onderzoeken of de voorwaarden voor de aanvaarding van dat verweer zijn vervuld. Die houden naar luid van art. 41, eerste lid, Sr in dat het begane feit was geboden door de noodzakelijke verdediging van eigen of eens anders lijf, eerbaarheid of goed tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding, waaronder onder omstandigheden mede is begrepen een onmiddellijk dreigend gevaar voor zo een aanranding. De vraag of een gedraging geboden is door de noodzakelijke verdediging - waarmee onder meer de proportionaliteitseis tot uitdrukking wordt gebracht - van eigen of eens anders lijf, eerbaarheid of goed leent zich niet voor beantwoording in algemene zin. Bij de beslissing daaromtrent komt mede betekenis toe aan de waardering van de feitelijke omstandigheden van het geval. Deze proportionaliteitseis strekt ertoe om niet ook dan een gedraging straffeloos te doen zijn indien zij - als verdedigingsmiddel - niet in redelijke verhouding staat tot de ernst van de aanranding (vgl. HR 8 september 2009, LJN BI3895).

2.5. Het Hof heeft kennelijk geoordeeld dat niet is voldaan aan die eis van proportionaliteit.

Gelet evenwel op de door het Hof vastgestelde ernst van de (door de verdachte veronderstelde) aanranding van [betrokkene 1] door [verbalisant 1], had het Hof zijn oordeel dat de verdachte op een minder ingrijpende wijze had dienen te reageren, nader dienen te motiveren. Wat betreft die aanranding heeft het Hof immers blijkens de gebezigde bewijsmiddelen vastgesteld dat (i) [verbalisant 1] [betrokkene 1] krachtig vasthield, (ii) [verbalisant 1] hem niet losliet ondanks de omstandigheid dat naar [verbalisant 1] werd geroepen "laat onze vriend los" en ondanks de omstandigheid dat [verbalisant 1] zo krachtig aan zijn kleding werd getrokken dat zijn jas scheurde en (iii) [verbalisant 1] in reactie hierop [betrokkene 1] nog steviger vastpakte. Het bestreden arrest lijdt daarom aan een motiveringsgebrek.

2.6. Het middel is gegrond.

3. Slotsom

Hetgeen hiervoor is overwogen brengt mee dat de bestreden uitspraak niet in stand kan blijven en als volgt moet worden beslist.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de bestreden uitspraak;

wijst de zaak terug naar het Gerechtshof te 's-Gravenhage, opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.

Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren H.A.G. Splinter-van Kan en C.H.W.M. Sterk, in bijzijn van de waarnemend griffier L.J.J. Okker-Braber, en uitgesproken op 12 januari 2010.