Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2010:BK3571

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
29-01-2010
Datum publicatie
29-01-2010
Zaaknummer
08/02245
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2010:BK3571
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Executierecht. De schade waarvoor de Staat ex 480 lid 3 Rv. hoofdelijk aansprakelijk is, omvat mede de marktconforme rente die deurwaarder, in wiens handen de executieopbrengst is gestort, over de door hem bij een bewaarder als bedoeld in art. 480 lid 2 Rv. te storten netto-opbrengst behoort te bedingen.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 480
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOR 2010/170
RvdW 2010, 213
RAV 2010, 40
NJ 2011/236 met annotatie van A.I.M. van Mierlo
NJB 2010, 332
JWB 2010/21
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

29 januari 2010

Eerste Kamer

08/02245

EE/IS

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

DE STAAT DER NEDERLANDEN, (Ministerie van Justitie),

zetelende te 's-Gravenhage,

EISER tot cassatie,

advocaat: mr. J.W.H. van Wijk,

t e g e n

1. de rechtspersoon naar Engels recht LEHMAN BROTHERS INTERNATIONAL (EUROPE),

gevestigd te Londen, Verenigd Koninkrijk,

2. AMSTERDAM TRADE BANK N.V.,

gevestigd te Amsterdam,

3. de rechtspersoon naar Luxemburgs recht EAST-WEST UNITED BANK SA,

gevestigd te Luxemburg, Luxemburg,

4. de rechtspersoon naar vreemd recht SKIAN MANAGEMENT SA,

gevestigd te Nassau, Bahamas,

5. de rechtspersoon naar vreemd recht TRADEX ENTERPRISES LTD,

gevestigd te Tortola, British Virgin Islands,

6. INGOSUR B.V.,

gevestigd te 's-Gravenhage,

7. STICHTING GEELVINCK HINLOPEN HUIS,

gevestigd te Amsterdam,

VERWEERDERS in cassatie,

advocaat: aanvankelijk mr. H.J.A. Knijff, thans mr. R.A.A. Duk.

Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als de Staat en Lehman Brothers c.s.

1. Het geding in feitelijke instantie

Lehman Brothers c.s. hebben bij exploot van 21 december 2006 de Staat gedagvaard voor de rechtbank 's-Gravenhage en gevorderd, kort gezegd, de Staat te veroordelen aan Lehman Brothers c.s. te betalen een bedrag van € 443.082,17, met rente en kosten, althans een zoveel lager bedrag als de rechtbank gerechtvaardigd acht.

De Staat heeft de vordering bestreden.

De rechtbank heeft, na bij tussenvonnis van 4 april 2007 een comparitie van partijen te hebben gelast, bij vonnis van 13 februari 2008 Lehman Brothers c.s. in de gelegenheid gesteld een akte te nemen terzake hetgeen in rov 4.11 van dat vonnis is overwogen.

Bij beschikking van 28 april 2008 heeft de rechtbank verstaan dat tegen het vonnis van 13 februari 2008 sprongcassatie is toegestaan.

De vonnissen van 13 februari 2008 en 28 april 2008 van de rechtbank zijn aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen het vonnis van de rechtbank van 13 februari 2008 heeft de Staat beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

Lehman Brothers c.s. hebben geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

De zaak is voor de Staat toegelicht door zijn advocaat en mr. K. Teuben, advocaat bij de Hoge Raad, en voor Lehman Brothers c.s. door mr. G. Ruardy en mr. R.M. Hermans, advocaten te Amsterdam.

De conclusie van de Advocaat-Generaal J.L.R.A. Huydecoper strekt tot verwerping.

De advocaat van de Staat heeft bij brief van 27 november 2009 op die conclusie gereageerd.

3. Beoordeling van het middel

3.1 In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

(i) Lehman Brothers c.s. zijn gezamenlijk gerechtigd tot de opbrengst van de executieverkoop van aandelen Amsterdam Trade Bank N.V.

(ii) Ten behoeve van deze executie werd in 2000 gerechtsdeurwaarderskantoor Touber, Van der Velden & Kassies (hierna: TVK) ingeschakeld. De (onderhandse) executieverkoop vond plaats op 19 december 2000, en de daarop volgende levering van de aandelen op 20 maart 2001. De opbrengst, een bedrag van € 2.850.000,--,

is door de executiekoper op of omstreeks 20 maart 2001 gestort in handen van TVK. Na voldoening van de executiekosten resteerde een nettobedrag van € 2.803.049,60 (hierna: de executieopbrengst), dat op een kwaliteitsrekening ten name van TVK is gestort.

(iii) Lehman Brothers c.s. konden het aanvankelijk niet eens worden over de verdeling van de executieopbrengst. Bij beschikking van de fungerend president van de rechtbank te Amsterdam is een rechter-commissaris benoemd voor wie tot verdeling zou worden overgegaan. Vervolgens zijn renvooiprocedures gevoerd, die eindigden bij vonnissen van 31 maart 2004. TVK was van dit alles op de hoogte.

(iv) Bij brief van 11 mei 2005 hebben Lehman Brothers c.s. aan de rechter-commissaris bericht dat zij overeenstemming hadden bereikt over de verdeling van de executieopbrengst. De rechter-commissaris heeft de door hen voorgestelde verdeling goedgekeurd en vastgelegd in bevelschriften tot betaling.

(v) Vervolgens bleek dat TVK de op zijn derdengeldenrekening bewaarde gelden ten gunste van zichzelf had verbruikt. Op 21 december 2005 is TVK failliet verklaard.

(vi) De Staat heeft, ingevolge zijn hoofdelijke aansprakelijkheid op de voet van art. 480 Rv., Lehman Brothers c.s. schadeloos gesteld door voldoening van het hiervoor in (ii) genoemde bedrag. Dit is omstreeks april 2006 aan de rechthebbenden uitbetaald conform de verdelingspercentages die door de rechter-commissaris waren goedgekeurd.

(vii) Lehman Brothers c.s. hebben daarnaast echter ook aanspraak gemaakt op betaling door de Staat van een redelijke rente (van ten minste 3%) die de bank bij wie TVK de hiervoor in (ii) genoemde kwaliteitsrekening aanhield, zou hebben vergoed indien TVK de opbrengst op die rekening zou hebben laten staan. De Staat heeft deze renteschade niet vergoed.

3.2 In dit geding hebben Lehman Brothers c.s. gevorderd dat de Staat op de voet van art. 480 lid 3 Rv. zal worden veroordeeld ook deze renteschade aan hen te vergoeden.

De rechtbank heeft de vordering toewijsbaar geacht omdat die rente behoort tot het aan Lehman Brothers c.s. toekomende in de zin van art. 480 lid 2 Rv.

3.3 Het hiertegen gerichte middel stelt aan de orde de vraag of tot de verplichtingen van de deurwaarder waarop art. 480 lid 3 Rv. ziet, mede behoort een verplichting om in het belang van de schuldeisers of beperkt gerechtigden een marktconforme rente te bedingen van de bewaarder als bedoeld in art. 480 lid 2 Rv., in elk geval wanneer het gaat om een netto-executieopbrengst die een aanzienlijk bedrag beloopt terwijl voorzienbaar is dat dit bedrag niet spoedig aan de rechthebbende(n) kan worden uitgekeerd. De bewoordingen waarin art. 480 Rv. is gesteld, geven geen uitsluitsel over de beantwoording van die vraag.

3.4 Aan de wetsgeschiedenis van deze bepaling kan het volgende worden ontleend:

"Het nieuwe tweede lid vervangt het huidige art. 474 lid 2 in dier voege dat de opbrengst niet ter griffie moet worden gestort, maar bij een bewaarder als bedoeld in art. 445, bijv. bij een bank, hetgeen een praktischer oplossing is.

(...)

Het derde lid bevat een soortgelijke regel als art. 3.9.4.16 [thans: art. 3:270] lid 6 inhoudt voor de notaris die het verhypothekeerde goed heeft verkocht. Wat daar voor de notaris is bepaald, dient ook te gelden voor de deurwaarder. Ook hier schrijft de wet immers in het algemeen belang voor dat de door de executie verkregen gelden aan de met deze executie belaste functionaris moeten worden toevertrouwd in het belang van allen die bij de executie betrokken zijn." (Parl. Gesch. Wijziging Rv. e.a.w. (Inv. 3, 5 en 6), blz. 198).

In de eerste alinea van dit citaat wordt verwezen naar art. 445 Rv. Deze bepaling, die op de onderhavige executie overigens niet rechtstreeks toepasselijk is, geeft een regeling voor het geval bij inbeslagneming gereed geld wordt gevonden. Indien de rechthebbenden niet anders zijn overeengekomen dient de met de executie belaste deurwaarder dit geld in gerechtelijke bewaring te geven aan een bank.

3.5 Ingevolge art. 856 lid 1 Rv. geschiedt de gerechtelijke bewaring op voorwaarden die door de bewaarder gewoonlijk voor zaken van dezelfde soort worden overeengekomen. Indien de deurwaarder geld in gerechtelijke bewaring geeft aan een bank, betekent dit dat de deurwaarder ten behoeve van de rechthebbenden de gebruikelijke rente moet bedingen over het in bewaring gegeven bedrag.

3.6 Die verplichting heeft uitwerking gevonden in de op 15 juli 2001 in werking getreden Gerechtsdeurwaarderswet en de ter uitvoering daarvan dienende Regeling rente bijzondere rekeningen gerechtsdeurwaarders.

Art. 19 van de Gerechtsdeurwaarderswet, dat geheel ontleend is aan art. 25 Wet op het notarisambt, bepaalt in lid 1 dat de bank onder welke de executieopbrengst is gestort, de over de gelden gekweekte rente toevoegt aan het saldo van de bijzondere rekening. Art. 19 lid 7 houdt in dat bij ministeriële regeling regels worden gesteld voor de wijze van berekening van de gestorte gelden.

In aansluiting hierop is in art. 1 van de Regeling rente bijzondere rekeningen gerechtsdeurwaarders bepaald dat de rente die wordt gekweekt op het aandeel van een rechthebbende op de bijzondere rekening zo snel mogelijk, doch uiterlijk tegelijk met het aandeel, aan de rechthebbende wordt uitgekeerd. Art. 2 van deze Regeling schrijft voor de rente te berekenen aan de hand van het in het normale economische verkeer gebruikelijke rentepercentage. In de toelichting is onder meer vermeld:

"Daarbij geldt als uitgangspunt dat de rente die wordt gekweekt over de gelden die de gerechtsdeurwaarder ten behoeve van derden onder zich heeft, daadwerkelijk aan de rechthebbenden wordt afgedragen en dat de gerechtsdeurwaarder in beginsel financieel voordeel noch financieel nadeel ondervindt van de rente die aan het saldo wordt toegevoegd. (...) Verder past hem als beroepsmatig opererende opdrachtnemer bij het beheer van de hem toevertrouwde gelden de zorgvuldigheid om met de kredietinstelling een rente te bedingen die in het normale economische verkeer gebruikelijk is. Dat geldt met name bij hogere bedragen die in korte tijd aanzienlijke rente genereren en bij bedragen die langere tijd worden beheerd." (Toelichting op de Regeling rente bijzondere rekeningen gerechtsdeurwaarders, Stcrt. 12 juli 2001, nr. 132, blz. 12).

3.7 Weliswaar zijn de Gerechtsdeurwaarderswet en de Regeling rente bijzondere rekeningen gerechtsdeurwaarders in werking getreden enkele maanden nadat de storting van de onderhavige executieopbrengst bij een bank had plaatsgevonden, maar mede gelet op hetgeen hiervoor in 3.5 is overwogen, moet worden aangenomen dat de daarin gegeven regeling strookt met de rechtsovertuiging zoals die reeds ten tijde van de storting was gevestigd.

3.8 De hiervoor in 3.3 gestelde vraag moet dus bevestigend worden beantwoord. Het middel stuit hierop in al zijn onderdelen af.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

verwerpt het beroep;

veroordeelt de Staat in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van Lehman Brothers c.s. begroot op € 6.052,34 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris.

Dit arrest is gewezen door de vice-president J.B. Fleers als voorzitter en de raadsheren J.C. van Oven, W.A.M. van Schendel, F.B. Bakels en W.D.H. Asser, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer E.J. Numann op 29 januari 2010.