Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2010:BK3526

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
22-06-2010
Datum publicatie
22-06-2010
Zaaknummer
08/02169 E
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2010:BK3526
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Bewijs milieudelicten door een rechtspersoon. 1. Handelen zonder vereiste vergunning. 2. Overtreding van vergunningsvoorschriften. Ad 1. De HR herhaalt de relevante overwegingen uit HR LJN AF7938 ten aanzien van de toerekening van een strafbare gedraging aan een rechtspersoon. Het hof heeft niet doen blijken of t.a.v. feit A aan genoemde criteria is voldaan en dat daaraan is voldaan kan ook uit de gebezigde bewijsmiddelen niet zonder meer worden afgeleid. De bewezenverklaring is dus in dit opzicht ontoereikend gemotiveerd. Ad 2. De in art. 18.18 Wm en art. 30a Wvo neergelegde verbodsbepalingen richten zich tot degene die de inrichting waaraan de vergunning is verbonden, drijft. T.a.v. feit B kan niet uit de bewijsvoering volgen dat verdachte als drijver van de inrichting kan worden aangemerkt nu daaruit niet zonder meer kan volgen dat verdachte feitelijk zeggenschap had over (alle) onder B bewezenverklaarde gedragingen, althans het in haar macht had de desbetreffende overtredingen van de vergunningsvoorschriften te beëindigen. De in dat verband door het Hof in aanmerking genomen f&o zijn daartoe ontoereikend waarbij in het oog springt dat het hof niets heeft vastgesteld omtrent verdachte enerzijds en X anderzijds gesloten privaatrechtelijke overeenkomst en de daarin opgenomen verplichtingen en afspraken. T.a.v. feit C heeft het hof uit de gebezigde bewijsmiddelen kunnen afleiden dat verdachte de vereiste (feitelijke) zeggenschap toekwam, nu zij de desbetreffende overtreding kon voorkomen en ook beëindigen.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafvordering
Wetboek van Strafvordering 51
Wet milieubeheer
Wet milieubeheer 8.1
Wet milieubeheer 8.18
Wet milieubeheer 8.20
Wet verontreiniging oppervlaktewateren
Wet verontreiniging oppervlaktewateren 1
Wet verontreiniging oppervlaktewateren 7
Wet verontreiniging oppervlaktewateren 30a
Uitvoeringsbesluit artikel 1, derde lid, Wet verontreiniging oppervlaktewateren
Uitvoeringsbesluit artikel 1, derde lid, Wet verontreiniging oppervlaktewateren 1
Uitvoeringsbesluit artikel 1, derde lid, Wet verontreiniging oppervlaktewateren 4
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2010/819
NJ 2010/476 met annotatie van N. Keijzer
NJB 2010, 1417
M en R 2010, 40K
NBSTRAF 2010/268
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

22 juni 2010

Strafkamer

Nr. 08/02169 E

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Amsterdam, Economische Kamer, van 6 februari 2007, nummer 23/001758-05, in de strafzaak tegen:

[Verdachte], gevestigd te [vestigingsplaats].

1. Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. W.J.W. van Eijk, advocaat te Rosmalen, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Vellinga heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest voor zover dit betreft het onder A en B bewezenverklaarde en in zoverre terugwijzing naar het Hof dan wel verwijzing naar een aangrenzend hof teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan, met verwerping van het beroep voor het overige.

2. Tenlastelegging, bewezenverklaring, bewijsvoering en wettelijk kader

2.1. Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:

"Zaak A

zij op of omstreeks 16 januari 2003 te Amsterdam, al dan niet opzettelijk, zonder vergunning een hoeveelheid kolen, in ieder geval een afvalstof en/of een verontreinigende en/of schadelijke stof, heeft gebracht in het water van de Amerikahaven, in ieder geval in enig oppervlaktewater, op andere wijze dan met behulp van een werk;

Zaak B

zij op of omstreeks 14 april 2003 te Amsterdam op het terrein van haar inrichting (een op- en overslagbedrijf van bulkgoederen gevestigd aan de [a-straat 1]), al dan niet opzettelijk, er (onder meer) geen zorg voor heeft gedragen dat

- de inrichting schoon werd gehouden en/of in goede staat van onderhoud verkeerde;

- de opslag van vaste en/of vloeibare gevaarlijke stoffen en/of gevaarlijke afvalstoffen voldeden aan het gestelde in de hoofdstukken 6, 7, 10 en 11 van de richtlijn CPR 15-1;

- overslag van goederen op het terrein met behulp van vaste en/of mobiele installaties op een zodanige wijze geschiedde dat geen stofverspreiding optrad die buiten een afstand van twee meter van de bron nog visueel waarneembaar was;

- op die delen van het terrein van de inrichting waar op- en overslag van afvalstoffen plaatsvonden waren voorzien van vloeistofdichte vloeren, zijnde een of meer gedraging(en) in strijd met voorschrift(en) 1.9 en/of 3.7 en/of 3.23 en/of 6.4 verbonden aan de door Gedeputeerde Staten van de provincie Noord-Holland, (op 22 januari 1998) voor deze inrichting verleende vergunning;

Zaak C

zij op of omstreeks 4 december 2003 te Amsterdam, al dan niet opzettelijk, (uit haar inrichting via lozingsput 2) afvalwater heeft geloosd (in het oppervlaktewater van de Aziëhaven), terwijl dat afvalwater in een willekeurig genomen steekmonster een of meer grenswaarden genoemd in voorschrift 5.1 van de voor die lozing afgegeven WVO-vergunning overschreed, zijnde (een) gedraging(en) in strijd met een of meer voorschriften van de voor die lozing (aan haar, verdachte, afgegeven) WVO-vergunning."

2.2. Daarvan is bewezenverklaard dat:

"Ten aanzien van het in zaak A tenlastegelegde:

zij op 16 januari 2003 te Amsterdam opzettelijk zonder vergunning een hoeveelheid kolen in het water van de Amerikahaven heeft gebracht, op andere wijze dan met behulp van een werk;

Ten aanzien van het in zaak B tenlastegelegde:

zij op 14 april 2003 te Amsterdam op het terrein van haar inrichting (een op- en overslagbedrijf van bulkgoederen gevestigd aan de [a-straat 1]) opzettelijk er geen zorg voor heeft gedragen dat:

- de inrichting schoon werd gehouden en in goede staat van onderhoud verkeerde;

- de opslag van vaste en/of vloeibare gevaarlijke stoffen en gevaarlijke afvalstoffen voldeed aan het gestelde in de hoofdstukken 6, 7, 10 en 11 van de richtlijn CPR 15-1;

- overslag van goederen op het terrein met behulp van een mobiele installatie op een zodanige wijze geschiedde dat geen stofverspreiding optrad die buiten een afstand van twee meter van de bron nog visueel waarneembaar was;

- die delen van het terrein van de inrichting waar op- en overslag van afvalstoffen plaatsvonden waren voorzien van vloeistofdichte vloeren,

zijnde gedragingen in strijd met voorschriften 1.9, 3.7, 3.23 en 6.4, verbonden aan de door Gedeputeerde Staten van de provincie Noord-Holland op 22 januari 1998 voor deze inrichting verleende vergunning.

Ten aanzien van het in zaak C tenlastegelegde:

zij op 4 december 2003 te Amsterdam uit haar inrichting via lozingsput 2 afvalwater heeft geloosd in het oppervlaktewater van de Aziëhaven, terwijl dat afvalwater in een willekeurig genomen steekmonster grenswaarden genoemd in voorschrift 5.1 van de voor die lozing afgegeven WVO-vergunning overschreed, zijnde een gedraging in strijd met een voorschrift van de voor die lozing aan haar verdachte afgegeven WVO-vergunning."

2.3. Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:

a. de verklaring van de vertegenwoordiger van de verdachte, [betrokkene 1], ter terechtzitting in hoger beroep, voor zover inhoudende:

"U houdt mij voor hetgeen in de zaak met parketnummer 13-085238-03 (zaak A) is tenlastegelegd. Het klopt dat op 16 januari 2003 op de wal van de vaarweg Amerikahaven te Amsterdam een stapel kolen lag, die te hoog was. Die kolen zijn over de rand gekieperd. Door regen is de berg kolen gaan schuiven en in het water van de Amerikahaven gevallen. Ik wist dat de berg kolen iets te hoog was.

U houdt mij voor hetgeen in de zaak met parketnummer 13-000477-03 (zaak B) is tenlastegelegd en hetgeen ik dienaangaande bij de politie en ter terechtzitting in eerste aanleg van 24 februari 2005 heb verklaard.

De dekschuiten in het water zijn eigendom van [verdachte] en zijn bedoeld voor het opslaan van schroot. Wij laden schroot in overleg met [A]. Het schroot is op de kade blijven liggen. Ik wist van de ontstane gevaarlijke situatie op 14 april 2003.

U houdt mij voor dat er voorts op 14 april 2003 te Amsterdam sprake was van een verzakte verharding van de kadewal. Dat klopt. De kade huren wij van het Gemeentelijk Havenbedrijf. Vanaf de eerste dag waren er problemen omdat de terugslagkleppen onder de waterlijn zitten. De grond is zeer slap en is gaan zakken. We hadden die "gammele" kade nodig, want we konden nergens anders heen.

Het klopt dat er op 14 april 2003 tussen bolder 14 en bolder 15 op de kade aan de Aziëhaven te Amsterdam sprake was van een ontbrekende dilitatievoeg. De kapotte voegen hebben we daarna volgespoten met schuim. Wij hebben de voegen tijdelijk volgespoten met schuim; nu zit er rubber tussen. Wij zijn ook nog bezig met de verharding van de kadewal.

U houdt mij voor dat ik op 14 april 2003 gevaarlijke stoffen heb opgeslagen. Dat was in de bedrijfshal van [B]. Het zou kunnen dat ik toegang heb tot die hal in verband met het feit dat mijn naam op de vergunning staat. Ik heb geen verbod om in die bedrijfshal te komen.

U houdt mij voor dat er op 14 april 2003 te Amsterdam vaten met gevaarlijke stoffen los op houten pallets stonden. Ja, dit betrof acht vaten met Natriumhydroxide ten behoeve van de waterzuiveringsinstallatie.

U houdt mij voor dat er op 14 april 2003 voorts sprake was van de opslag van afvalstoffen in de vorm van oude spoorbiels, zoals te zien is op fotobijlage 12 in het dossier. Ik heb die spoorbiels zien liggen. Ze hebben daar ongeveer een week gelegen.

U houdt mij voor dat er op 14 april 2003 voorts sprake was van stofverspreiding bij de overslag van goederen op het terrein. Dit was bij [A]. Ik wist dat dit dreigde te gebeuren. Als het schroot droog aankomt, heb je kans dat het stoft als je het kiept.

U houdt mij voor hetgeen in de zaak met parketnummer 13-084426-04 (zaak C) is tenlastegelegd en hetgeen ik dienaangaande ter terechtzitting in eerste aanleg van 24 februari 2005 heb verklaard. Ik voel me verantwoordelijk voor het feit dat er op 4 december 2003 te Amsterdam afvalwater is geloosd. Ik had de zekering eruit moeten halen."

b. de verklaring van de vertegenwoordiger van de verdachte, [betrokkene 1], ter terechtzitting in eerste aanleg, voor zover inhoudende:

"De magneetkraan zou komen zodat we het schroot van de ponton konden afhalen. Het schip was sneller klaar dan we verwacht hadden. De magneetkraan konden we pas dinsdag krijgen.

Wij zijn de vergunninghouder.

De kapotte voegen zijn een ouderdomsverschijnsel. De voegen hebben we nu volgespoten met schuim. De terugslagkleppen zijn allemaal vernieuwd. Het was een constructiefout bij de kadebouw. Er heeft een verharding plaatsgevonden. Alles is opnieuw geasfalteerd.

Het is juist dat acht vaten Natriumhydroxid bij ons in een bedrijfshal los op houten pallets stonden. De stukken steen waren van [B]. Ze lagen te wachten om te worden afgevoerd. De biels zijn gebruikt voor de oude keerwand. De biels zijn nu afgevoerd door [B].

Er is een lawine geweest. Een schip had gelost. Over de lading kolen heen was korstvorming gedaan zodat het niet zou stuiven. De onderlaag is gaan schuiven, waardoor een deel van de kolen over de muur heen in het water is gevallen. De berg kolen was vrij hoog. De muur was echter maar vier blokken hoog.

De waterzuiveringsinstallatie had niet aangezet moeten worden. Het water was niet goed schoon."

c. een proces-verbaal van politie, opgemaakt door de opsporingsambtenaren [verbalisant 1] en [verbalisant 2], voor zover inhoudende als relaas van de verbalisanten dan wel een van hen:

"Op 16 januari 2003 surveilleerden wij per politievaartuig. Wij zagen toen dat het oppervlaktewater van de vaarweg Amerikahaven, gelegen in de gemeente Amsterdam, verontreinigd was. Wij zagen dat op de wal van genoemd oppervlaktewater kolen lagen ter hoogte van de wallenkant evenals een hoeveelheid kolen op de kadebalken. Ook zagen wij dat het oppervlaktewater verkleuringen vertoonde, welke kenmerkend zijn voor een verontreiniging met kolen dan wel kolenstof. Wij zagen dat een deel van een berg kolen, gelegen op het bedrijventerrein behorende bij het bedrijf genaamd [C] B.V., met een hoogte van circa 12 meter, in het oppervlaktewater was terechtgekomen. Doordat deze berg kolen te dicht bij het water lag en gedeeltelijk was afgevloeid, was een deel van de berg in het oppervlaktewater geraakt.

Naar aanleiding van deze bevindingen gingen wij naar het perceel aan de [a-straat] ter hoogte van nummer [1] alwaar is gevestigd [C] B.V. Op 29 januari 2003 hoorde ik een persoon, directeur van genoemd bedrijf, die de volgende identiteitsgegevens opgaf: [betrokkene 1]. Hij verklaarde:

Ik wist dat het terrein vol met kolen lag. Door een samenloop van omstandigheden was de berg waarover wij het nu hebben, te hoog geworden. Hierdoor is de berg ingezakt en over de keermuur op de kade gelopen. De bewuste kolen zijn eigendom van [B] welke op ons terrein kolen behandelt en overslaat. Het is mij bekend dat wij echter als overslagbedrijf verantwoordelijk zijn voor het naleven van de regelgeving zoals genoemd in de vergunning die is afgegeven door de provincie. Wij hebben inmiddels de hoeveelheid kolen welke op de kade was geraakt, opgeruimd.

Door het bedrijf is een aantal maatregelen genomen om herhaling te voorkomen. Door de waterkwaliteitsbeheerder was geen vergunning verleend voor de gepleegde verontreiniging van het oppervlakte water."

d. het relaas van een Uitvoering Integrale milieucontrole bij [verdachte], voor zover inhoudende:

"Vanuit het Havenoverleg Amsterdam is [verdachte] aangewezen als integraal te controleren bedrijf. Bedrijfsgegevens: op- en overslag van bulkgoederen.

Op het gedeelte van het terrein dat in beheer is bij [B] B.V. vindt kolenveredeling plaats. Op het gedeelte van het terrein dat in beheer is bij [A] B.V. ([A]) vindt op- en overslag van staal- en shredderschroot plaats.

Deze beide bedrijven maken gebruik van de WM vergunning van [verdachte]

De controle is op 14 april 2003 gelijktijdig uitgevoerd door twee teams. Team 2 bestaande uit WM, WVO, Arbeidsinspectie en Politie heeft een rondgang gemaakt over het bedrijfsterrein, in de installaties en de werkplaatsen.

Op 2 plaatsen lagen dekschuiten in het water die niet ontdaan waren van verontreinigende stoffen als schroot en stof. Op het einde van de kade bevond zich over een lengte van circa 25 meter, schroot op minder dan 2 meter vanaf de kade. Tussen bolder 14 en 15 op de kade aan de Aziëhaven ontbrak een dilatatievoeg. Hierdoor ontstond een illegaal lozingswerk.

Overtredingen zijn geconstateerd van voorschrift 1.3 en 6.4 van de WM Vergunning. De vloeistofdichte verharding nabij en onder de schrootopslag is verzakt en kapot. Op sommige plaatsen is de verharding geheel verdwenen. In een container van [B] zijn diverse vaten met vetten en oliën opgeslagen zonder beschermende voorzieningen. Overtredingen zijn geconstateerd van voorschrift 3.7 van de WM vergunning en CPR 15-1.

Diverse blikken en kleine vaten met gevaarlijke stoffen staan op een stelling in een bedrijfshal van [B]. Deze blikken en kleine vaten staan niet in een speciaal daartoe ingerichte opslagplaats. Vaten met de gevaarlijke stof Natriumhydroxid ten behoeve van de waterzuiveringsinstallatie staan los op houten pallets. De vaten staan niet in een speciaal daartoe ingerichte opslagplaats. Een liggend vat koelvloeistof met aftapkraan is waargenomen naast de containerwand op het terrein van [A]. Hier is geen sprake van een werkvoorraad aangezien er geen werkzaamheden worden uitgevoerd waarbij koelvloeistof nodig is. Het vat staat niet in een speciaal daartoe ingerichte opslagplaats.

Op de hoek Amerikahaven/Aziëhaven lagen afvalstoffen opgeslagen in de vorm van brokken asfalt en stenen. Tevens zijn aan de noordzijde van het bedrijfsterrein oude spoorbiels aangetroffen.

(1.9) De inrichting moet schoon worden gehouden en in goede staat van onderhoud verkeren. Op de schrootlocatie werd een vrachtwagen gelost waarbij een stofverspreiding ontstond die minimaal 10 meter van de stortplaats waarneembaar was.

(3.23) Overslag van goederen op het terrein met behulp van vaste en/of mobiele installaties dient op een zodanig wijze te geschieden dat direct bij de bron visueel waarneembare stofverspreiding wordt voorkomen.

Op het gebied van de WVO zijn een drietal overtredingen geconstateerd.

Op het gebied van de WM zijn een zevental overtredingen geconstateerd."

e. een beschikking van Gedeputeerde Staten van Noord-Holland van 22 januari 1998, voor zover inhoudende:

"A. Onderwerp aanvraag

Op 29 juli 1997 hebben wij van [verdachte] te Amsterdam een aanvraag om een nieuwe, de gehele inrichting omvattende vergunning als bedoeld in artikel 8.4 van de Wet milieubeheer ontvangen ten behoeve van haar aan de [a-straat 1] te Amsterdam gelegen inrichting.

J. Beschikking

Wij besluiten hierbij aan [verdachte] de gevraagde vergunning te verlenen."

f. een proces-verbaal van Rijkswaterstaat, directie Noord-Holland, opgemaakt door de opsporingsambtenaar [verbalisant 3], voor zover inhoudende als relaas van de verbalisant:

"Op 4 december 2003 is door [verbalisant 4], werkzaam bij Rijkswaterstaat, directie Noord-Holland, in de functie van toezichthoudend ambtenaar een controlebezoek gebracht aan [verdachte], [a-straat 2] (het hof begrijpt: [1]) te [plaats]. Tijdens het controlebezoek is het afvalwater bemonsterd dat geloosd werd op de Aziëhaven te Amsterdam. [Verdachte] is voor de lozingen van afvalwater dat vrijkomt op het bedrijfsterrein in het bezit van een namens de Minister van Verkeer en Waterstaat verleende lozingsvergunning.

In voorschrift 5, lid 1, van genoemde lozingsvergunning staan de grenswaarden beschreven waaraan het vrijkomende afvalwater dient te voldoen alvorens het mag worden geloosd.

Het betreft hier de volgende eisen:

Parametermaximum

Chemisch zuurstofgebruik200 mg/l

Zink3 mg/l

Uit de analyseresultaten van de op 4 december 2003 genomen afvalwatermonsters is gebleken dat er overschrijdingen zijn aangetroffen van de volgende parameters:

Chemisch zuurstofgebruik299 mg/l

Zink10 mg/l

Op 26 januari 2004 hoorde ik, verbalisant, de directeur van [verdachte] die eerder had opgegeven te zijn: [betrokkene 1]. Hij verklaarde op mijn vragen:

Op de ochtend dat het afvalwatermonster is genomen, heeft de waterzuiveringsinstallatie aangestaan. Wij hebben een probleem met de installatie omdat wij het water niet helder krijgen."

g. een verslag van bevindingen van 3 februari 2004, opgemaakt door [verbalisant 4], toezichthoudend ambtenaar van het Directoraat-generaal Rijkswaterstaat, directie Noord-Holland, voor zover inhoudende:

"Op 4 december 2003 heb ik een steekmonster genomen van het afvalwater van de terreindelen B, C en D dat middels de zuiveringsinstallatie werd geloosd op de afvoerwaterput."

2.4. Het Hof heeft ten aanzien van de bewezenverklaring voorts nog het volgende overwogen:

"Door de raadsman van verdachte is bepleit dat verdachte, met uitzondering van het niet deugdelijk opslaan van de vaten met Natriumhydroxide en het niet schoonhouden van de dekschuiten, dient te worden vrijgesproken, omdat hij -kort en zakelijk weergegeven- ter zake van die feiten geen zeggenschap had over en geen verantwoordelijkheid droeg voor de door [A] BV en [B] BV ontplooide activiteiten, zodat verdachte niet kan worden aangemerkt als functioneel dader.

Het hof overweegt daaromtrent als volgt.

Door verdachte wordt van het gemeentelijk havenbedrijf Amsterdam een stuk bedrijventerrein gehuurd in het westelijk havengebied van die gemeente. Aan verdachte zijn ten behoeve van het gebruik daarvan verschillende vergunningen verleend. Verdachte verhuurt op haar beurt een gedeelte van het bedrijventerrein onder aan twee andere bedrijven, te weten [A] BV en [B] BV. Op het terrein van deze twee bedrijven is het merendeel van de tenlastegelegde feiten, zijnde overtredingen van de voorschriften in de aan verdachte verleende vergunningen, geconstateerd. De vergunningen staan op naam van verdachte en zij kan derhalve worden beschouwd als vergunninghouder. Als vergunninghouder is verdachte ook diegene die verantwoordelijk is voor naleving van de daarin gestelde voorschriften, ook indien deze door anderen dan verdachte, maar - zoals in onderhavige zaak - op verdachtes bedrijfsterrein onder de paraplu van een tussen partijen afgesloten civielrechtelijke overeenkomst, worden geschonden.

De vergunninghouder heeft in verband met haar verantwoordelijkheid tot taak erop toe te zien dat de vergunningsvoorschriften worden nageleefd en zij dient voorts adequate maatregelen te treffen om overtreding daarvan te voorkomen. Vorenbedoelde verantwoordelijkheid ontbreekt alleen in het geval de vergunninghouder geen zeggenschap had over de door de onderhuurder of derden ontplooide activiteiten en evenmin bij machte was een geconstateerde overtreding te beëindigen. Naar het oordeel van het hof was daarvan echter geen sprake. De vertegenwoordiger van verdachte was om te beginnen dagelijks op het bedrijventerrein. Daarnaast heeft de vertegenwoordiger van verdachte verklaard de verschillende overtredingen ook zelf te hebben geconstateerd. De vertegenwoordiger van verdachte had tenslotte verschillende (juridische) mogelijkheden tot zijn beschikking om de illegale situaties ongedaan te maken. Zo had verdachte haar onderhuurders tot opheffing van de overtredingen kunnen dwingen door middel van een kort geding, maar zij had ook zelf de overtredingen kunnen (laten) opheffen en vervolgens de kosten kunnen verhalen. Nadat door de politie proces-verbaal was opgemaakt ter zake van de thans in geding zijnde overtredingen zijn door de vertegenwoordiger van verdachte maatregelen genomen om herhaling te voorkomen. Het hof ziet niet in waarom zij die maatregelen niet eerder had kunnen nemen.

Het voorgaande leidt ertoe dat verdachte wel degelijk strafrechtelijk verantwoordelijk is te achten voor de tenlastegelegde overtredingen. Het verweer wordt dan ook verworpen."

2.5. In deze zaak zijn de volgende wettelijke bepalingen van belang:

- art. 8.1 (oud) Wet milieubeheer (Wm):

"1. Het is verboden zonder daartoe verleende vergunning een inrichting:

a. op te richten;

b. te veranderen of de werking daarvan te veranderen;

c. in werking te hebben.

(...)"

- art. 8.20 Wm:

"1. Een voor een inrichting verleende vergunning geldt voor ieder die de inrichting drijft. Deze draagt ervoor zorg dat de aan de vergunning verbonden voorschriften worden nageleefd.

2. Indien een vergunning zal gaan gelden voor een ander dan de vergunninghouder, meldt de vergunninghouder dat ten minste een maand voordien aan het bevoegd gezag, onder vermelding van de bij algemene maatregel van bestuur aangegeven gegevens.

(...)"

- art. 18.18 Wm:

"Een gedraging in strijd met een voorschrift dat is verbonden aan een krachtens deze wet verleende vergunning of ontheffing, is verboden."

- art. 1 (oud) Wet verontreiniging oppervlaktewateren (Wvo):

"1. Het is verboden zonder vergunning met behulp van een werk afvalstoffen, verontreinigende of schadelijke stoffen, in welke vorm ook, te brengen in oppervlaktewateren.

(...)

3. Wij kunnen bij algemene maatregel van bestuur bepalen dat het zonder vergunning verboden is de in het eerste lid bedoelde stoffen op andere wijze dan met behulp van een werk in oppervlaktewateren te brengen.(...)

4. Het is verboden zonder vergunning van of vanwege Onze Minister van Verkeer en Waterstaat stoffen als bedoeld in het eerste lid met behulp van een werk vanaf of over het grondgebied van Nederland in het water van de volle zee te brengen.

5. Aan een vergunning worden voorschriften verbonden tot bescherming van de belangen, waarvoor het vereiste van vergunning is gesteld. De voorschriften kunnen mede strekken tot bescherming van het belang van een doelmatige werking van het betrokken zuiveringstechnische werk. Bij het stellen van de voorschriften worden de op grond van artikel 1a van toepassing zijnde grenswaarden in acht genomen.

(...)"

- art. 7 (oud) Wvo:

"1. De paragrafen 3.5.2 tot en met 3.5.5 van de Algemene wet bestuursrecht en afdeling 13.2 van de Wet milieubeheer zijn van toepassing met betrekking tot de totstandkoming van een beschikking op een aanvrage om verlening van een vergunning krachtens:

a. artikel 1, eerste of vierde lid;

b. een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 1, derde lid, eerste volzin, voorzover dit bij die maatregel is bepaald.

(...)

5. De artikelen 8.8 tot en met 8.13, 8.15 tot en met 8.20, 8.21, voor zover het gevallen betreft waarop artikel 31a niet van toepassing is, 8.22, 8.27 en 21.1 van de Wet milieubeheer zijn van overeenkomstige toepassing met betrekking tot een vergunning als bedoeld in het eerste lid, met dien verstande dat voor die toepassing onder 'Onze Minister' wordt verstaan: Onze Minister van Verkeer en Waterstaat.

(...)"

- art. 30a Wvo:

"Een gedraging in strijd met een aan een vergunning verbonden voorschrift, is verboden."

- art. 4, eerste lid (oud), Uitvoeringsbesluit artikel 1, derde lid, Wet verontreiniging oppervlaktewateren:

"Onverminderd artikel 3 is het verboden zonder vergunning afvalstoffen, verontreinigende of schadelijke stoffen op andere wijze dan met behulp van een werk in enig oppervlaktewater te brengen, onder meer

a. door deze daarin te storten;

b. door deze onder het wateroppervlak uit te pompen, weg te pompen of te doen of te laten afvloeien;

c. door deze te storten, neder te leggen, te laten liggen, of te doen of te laten afvloeien op duinen, stranden, kwelders, slikken, kaden, bruggen, vlonders, aanlegsteigers, dijken, oevers of in het winterbed van enig oppervlaktewater;

d. bij het laden, lossen of overladen daarvan;

e. bij het uit- of inwendig reinigen van enig voertuig, vaartuig of luchtvaartuig."

3. Beoordeling van het tweede middel

3.1. Het middel keert zich tegen de bewezenverklaring van de onder A, B en C tenlastegelegde milieudelicten.

3.2. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan:

i. de verdachte heeft in het Amsterdamse havengebied een terrein gehuurd waarop zij haar inrichting, een op- en overslagbedrijf van bulkgoederen, exploiteert;

ii. ten behoeve van die inrichting zijn aan haar twee milieuvergunningen verleend, één op grond van de Wm en één op grond van de Wvo;

iii. delen van het gehuurde terrein zijn door de verdachte onderverhuurd aan [A] B.V. ([A]), die een schroot- en overslagbedrijf exploiteert en aan [B] B.V., die een kolenveredelingsbedrijf exploiteert;

iv. op het terrein zijn in 2003 verscheidene milieudelicten gepleegd die aan de verdachte onder A, B en C zijn tenlastegelegd; zaak A betreft een overtreding van de Wvo, zaak B betreft vier overtredingen van de aan de

Wm-vergunning verbonden voorschriften en zaak C betreft een overtreding van de aan de Wvo-vergunning verbonden voorschriften;

v. de overtreding onder A is gepleegd op het deel van het terrein dat door [B] is gehuurd;

vi. de overtredingen onder B zijn deels gepleegd op het deel van het terrein dat door [A] is gehuurd.

3.3. Bij de beoordeling van het middel moet onderscheid worden gemaakt tussen hetgeen onder A is bewezenverklaard en hetgeen onder B en C is bewezenverklaard. Hetgeen onder B en C is bewezenverklaard betreft overtreding van aan vergunningen verbonden voorschriften. Dat is niet het geval ten aanzien van hetgeen onder A is bewezenverklaard. Dat betreft het handelen zonder vereiste vergunning.

3.4. Wat betreft het onder A bewezenverklaarde komt het aan op de beantwoording van de vraag of het oordeel van het Hof dat de verdachte kan gelden als dader van dat feit uit de gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid. Dienaangaande moet het volgende worden vooropgesteld.

Een rechtspersoon kan als dader van een strafbaar feit worden aangemerkt indien de desbetreffende gedraging redelijkerwijs aan hem kan worden toegerekend. Het antwoord op de vraag of een gedraging redelijkerwijs aan een rechtspersoon kan worden toegerekend is afhankelijk van de concrete omstandigheden van het geval, waartoe mede behoort de aard van de (verboden) gedraging. Een belangrijk oriëntatiepunt bij die toerekening is of de gedraging heeft plaatsgevonden dan wel is verricht in de sfeer van de rechtspersoon. Een dergelijke gedraging kan in beginsel worden toegerekend aan de rechtspersoon. Van een gedraging in de sfeer van de rechtspersoon zal sprake kunnen zijn indien zich een of meer van de navolgende omstandigheden voordoen:

- het gaat om een handelen of nalaten van iemand die hetzij uit hoofde van een dienstbetrekking hetzij uit anderen hoofde werkzaam is ten behoeve van de rechtspersoon;

- de gedraging past in de normale bedrijfsvoering van de rechtspersoon;

- de gedraging is de rechtspersoon dienstig geweest in het door hem uitgeoefende bedrijf;

- de rechtspersoon vermocht erover te beschikken of de gedraging al dan niet zou plaatsvinden en zodanig of vergelijkbaar gedrag werd blijkens de feitelijke gang van zaken door de rechtspersoon aanvaard of placht te worden aanvaard. Onder bedoeld aanvaarden is mede begrepen het niet betrachten van de zorg die in redelijkheid van de rechtspersoon kon worden gevergd met het oog op de voorkoming van de gedraging;

(vgl. HR 21 oktober 2003, LJN AF7938, NJ 2006, 328).

3.5. Het Hof heeft zijn nadere bewijsoverweging toegespitst op hetgeen onder B en C is bewezenverklaard en niet doen blijken of ten aanzien van het onder A bewezenverklaarde aan de hiervoor genoemde criteria is voldaan. Dat daaraan is voldaan kan ook uit de gebezigde bewijsmiddelen niet zonder meer worden afgeleid. De bewezenverklaring is in dit opzicht dus ontoereikend gemotiveerd. Het middel klaagt daarover terecht.

3.6. Het onder B en C bewezenverklaarde betreft overtreding van vergunningsvoorschriften die waren verbonden aan de aan de verdachte verleende vergunningen. De tenlastelegging onder B is toegesneden op art. 18.18 Wm, die onder C op art. 30a Wvo.

3.7. Uit art. 18.20 Wm vloeit voort dat de in art. 18.18 Wm en art. 30a Wvo neergelegde verbodsbepalingen zich richten tot degene die de inrichting waaraan de vergunning is verbonden, drijft.

3.8. Het Hof heeft zijn kennelijke oordeel dat de verdachte wat betreft de bewezenverklaarde gedragingen als drijver van de inrichting kan worden aangemerkt, gebaseerd op de volgende feiten en omstandigheden:

a. de vertegenwoordiger van de verdachte was dagelijks op het bedrijventerrein aanwezig;

b. hij heeft verklaard de verschillende overtredingen ook zelf te hebben geconstateerd;

c. hij had verschillende (juridische) mogelijkheden tot zijn beschikking om de illegale situaties ongedaan te maken, bijvoorbeeld door het aanspannen van een kort geding tegen de onderhuurders of door de overtredingen zelf te laten opheffen, met kostenverhaal;

d. nadat door de politie proces-verbaal was opgemaakt, zijn door hem maatregelen genomen om herhaling te voorkomen; dat had ook eerder kunnen gebeuren.

3.9. Bij de beoordeling van het middel in dit opzicht komt het aan op de beantwoording van de vraag of uit de bewijsvoering ten aanzien van de feiten B en C kan volgen dat de verdachte als drijver van de inrichting kan worden aangemerkt.

3.10. Ten aanzien van feit B is dat niet het geval. Dat de verdachte (feitelijk) zeggenschap had over (alle) onder B bewezenverklaarde gedragingen, althans het in haar macht had de desbetreffende overtredingen van de vergunningsvoorschriften te beëindigen, kan uit de bewijsvoering niet zonder meer volgen. De in dat verband door het Hof in aanmerking genomen feiten en omstandigheden zijn daartoe ontoereikend. Daarbij springt in het oog dat het Hof niets heeft vastgesteld omtrent de tussen de verdachte enerzijds en [A] anderzijds gesloten privaatrechtelijke overeenkomst en de daarin overeengekomen verplichtingen en afspraken. In zoverre treft het middel doel.

3.11. Wat betreft het onder C bewezenverklaarde ligt dit anders. Blijkens de gebezigde bewijsmiddelen heeft het Hof vastgesteld dat de verdachte "een probleem [had] met de waterzuiveringsinstallatie", dat (de vertegenwoordiger) van de verdachte zich verantwoordelijk achtte voor het feit dat er op de desbetreffende datum afvalwater is geloosd en dat hij de zekering eruit had moeten halen. Daaruit heeft het Hof kunnen afleiden dat de verdachte de vereiste (feitelijke) zeggenschap toekwam, nu zij de desbetreffende overtreding kon voorkomen en ook beëindigen. Daarop stuit het middel voor het overige af.

4. Slotsom

Nu de Hoge Raad geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, brengt hetgeen hiervoor is overwogen mee dat het eerste middel geen bespreking behoeft en als volgt moet worden beslist.

5. Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de beslissingen ter zake van het onder A en onder B tenlastegelegde en de strafoplegging;

wijst de zaak terug naar het Gerechtshof te Amsterdam, opdat de zaak in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan;

verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de vice-president F.H. Koster als voorzitter, en de raadsheren J.W. Ilsink, H.A.G. Splinter- van Kan, C.H.W.M. Sterk en M.A. Loth, in bijzijn van de waarnemend griffier J.D.M. Hart, en uitgesproken op 22 juni 2010.