Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2010:BK3429

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
19-01-2010
Datum publicatie
20-01-2010
Zaaknummer
07/13421
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2010:BK3429
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Art. 14g Sr. Toewijzing vordering TUL door het gelasten van een gevangenisstraf in plaats van de aan verdachte voorwaardelijk opgelegde werkstraf? De wet kent niet de mogelijkheid dat de rechter in plaats van een last tot tenuitvoerlegging van een taakstraf te geven, een vrijheidsstraf gelast. Het Hof heeft dus ten onrechte een gevangenisstraf van twee weken gelast.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht
Wetboek van Strafrecht 9
Wetboek van Strafrecht 14f
Wetboek van Strafrecht 14g
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NS 2010, 70
NBSTRAF 2010/70
SR-Updates.nl updates
NJ 2010, 71
RvdW 2010, 234
NJB 2010, 286

Uitspraak

19 januari 2010

Strafkamer

nr. S 07/13421

CB/SM

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een bij verstek gewezen arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 18 september 2007, nummer 22/006825-06, in de strafzaak tegen:

[verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1962, ten tijde van de betekening van de aanzegging zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande.

1. Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben mr. H. Sytema en mr. K. van der Lee, beiden advocaat te 's-Gravenhage, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Vellinga heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest wat betreft de beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de Politierechter te Rotterdam van 4 maart 2004 voorwaardelijk opgelegde straf, tot terugwijzing dan wel verwijzing van de zaak teneinde in zoverre op het bestaande beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan en tot verwerping van het beroep voor het overige.

2. Beoordeling van het middel

2.1. Het middel klaagt dat het Hof ten onrechte de vordering van het Openbaar Ministerie tot tenuitvoerlegging van de aan de verdachte voorwaardelijk opgelegde taakstraf in de vorm van een werkstraf van veertig uren heeft toegewezen in die zin dat tenuitvoerlegging is gelast van een gevangenisstraf van twee weken.

2.2. De bestreden uitspraak houdt het volgende in:

"Vorderingen tot tenuitvoerlegging

(...).

Bij vonnis van de politierechter te Rotterdam van 4 maart 2004 onder parketnummer 10-012496-03 is de verdachte veroordeeld tot een werkstraf voor de duur van 40 uren, subsidiair 20 dagen hechtenis, met bevel dat die werkstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd onder de algemene voorwaarde dat de verdachte zich vóór het einde van de proeftijd van twee jaren niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.

De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep, in afwijking op de in eerste aanleg ingediende vordering van het openbaar ministerie, gevorderd dat het hof de tenuitvoerlegging zal gelasten van een gevangenisstraf voor de duur van twee weken.

In hoger beroep is komen vast te staan, dat de verdachte de genoemde algemene voorwaarde niet heeft nageleefd. Immers, de verdachte heeft de in de onderhavige strafzaak bewezenverklaarde feiten begaan terwijl de hiervoor bedoelde proeftijd nog niet was verstreken.

De vordering van het openbaar ministerie tot tenuitvoerlegging van die niet-tenuitvoergelegde straf is derhalve gegrond.

Het hof zal daarom de gevorderde tenuitvoerlegging gelasten.

(...)

BESLISSING (bij verstek)

Het hof:

(...)

Wijst toe de vordering van het openbaar ministerie ex artikel 14g van het Wetboek van Strafrecht, in dier voege dat in plaats van de tenuitvoerlegging van de straf, voorzover voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van de politierechter te Rotterdam van 4 maart 2004 onder parketnummer 10-012496-03, te weten werkstraf voor de duur van 40 uren, subsidiair 20 dagen hechtenis, tenuitvoerlegging wordt gelast van een gevangenisstraf voor de duur van 2 (twee) weken."

2.3. Art 14g Sr luidt:

"1. Indien enige gestelde voorwaarde niet wordt nageleefd kan de rechter, indien hij daartoe termen vindt, na ontvangst van een vordering van het openbaar ministerie en onverminderd het bepaalde in artikel 14f,

1°. gelasten dat de niet ten uitvoergelegde straf alsnog zal worden tenuitvoergelegd;

2°. al of niet onder instandhouding of wijziging van de voorwaarden gelasten dat een gedeelte van de niet tenuitvoergelegde straf alsnog zal worden tenuitvoergelegd.

2. In plaats van een last tot tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf te geven kan de rechter een taakstraf als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onderdeel a, onder 3°, gelasten.

(...)"

2.4. De wet kent niet de mogelijkheid dat de rechter in plaats van een last tot tenuitvoerlegging van een taakstraf te geven, een vrijheidsstraf gelast. Het Hof heeft dus ten onrechte een gevangenisstraf van twee weken gelast.

2.5. Het middel is terecht voorgesteld.

3. Ambtshalve beoordeling van de bestreden uitspraak

De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM is overschreden. Gelet op de aan de verdachte opgelegde gevangenisstraf van drie weken en de mate waarin de redelijke termijn is overschreden, is er geen aanleiding om aan het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden enig rechtsgevolg te verbinden en zal de Hoge Raad met dat oordeel volstaan.

4. Slotsom

Nu de Hoge Raad geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, brengt hetgeen hiervoor is overwogen mee dat als volgt moet worden beslist.

5. Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de bestreden uitspraak maar uitsluitend voor zover het Hof de tenuitvoerlegging heeft gelast van een gevangenisstraf voor de duur van twee weken;

wijst de zaak terug naar het Gerechtshof te 's-Gravenhage, opdat de zaak in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan;

verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de vice-president F.H. Koster als voorzitter, en de raadsheren J.W. Ilsink en W.M.E. Thomassen, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.J. Verhoeven, en uitgesproken op 19 januari 2010.