Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2010:BK3375

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
02-02-2010
Datum publicatie
03-02-2010
Zaaknummer
09/00218 A
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2010:BK3375
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Antilliaanse zaak. 1. Diefstal met geweld. 2. Getuigenverzoek. Ad 1. Het Hof heeft vastgesteld dat de mededader naar de hals van het slachtoffer heeft gegrepen en de ketting van diens nek heeft getrokken, alsmede diens portemonnee met enige kracht uit diens handen heeft getrokken. Gelet hierop is ’s Hofs oordeel dat i.c. sprake is van "geweld met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken" i.d.z.v. art. 325 SrNA onjuist, noch onbegrijpelijk. Ad 2. Het Hof heeft het niet noodzakelijk geacht de in het middel bedoelde getuigen te horen. Met de overweging dat er onvoldoende grond is voor het horen van die getuigen heeft het Hof tot uitdrukking gebracht dat het het daartoe gedane verzoek onvoldoende onderbouwd heeft geacht. Gelet op de inhoud van het verzoek is dat oordeel niet onbegrijpelijk. Anders dan het in het middel wordt aangevoerd, doet daaraan niet af dat medeverdachten in hun eigen strafzaak ontlastend t.a.v. verdachte hadden verklaard. Het Hof heeft die verklaringen in h.b. immers op hun geloofwaardigheid getoetst door die medeverdachten als getuige te horen, waama het tot het oordeel is gekomen dat die verklaringen als ongeloofwaardig terzijde moeten worden gesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2010, 284
NJB 2010, 396
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

2 februari 2010

Strafkamer

nr. 09/00218 A

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een vonnis van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van de Nederlandse Antillen en Aruba van 19 juni 2008, nummer H 44/08, in de strafzaak tegen:

[Verdachte], geboren op [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1983, ten tijde van de betekening van de aanzegging gedetineerd in het Huis van Bewaring "Bon Futuro" op Curaçao.

1. Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. J.M. Lintz, advocaat te Rotterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Machielse heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden vonnis en tot verwijzing van de zaak naar het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van de Nederlandse Antillen en Aruba teneinde op het bestaande beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.

2. Bewezenverklaring en bewijsvoering

2.1. Overeenkomstig de tenlastelegging is ten laste van de verdachte bewezenverklaard:

"parketnummer 500.541/07 feit 3

dat hij omstreeks 13 mei 2007 op het eiland Curaçao, tezamen en in vereniging met een ander met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen:

• (onder meer) geld en een ketting, toebehorende aan [slachtoffer 1];

welke diefstal werd vergezeld van geweld tegen [slachtoffer 1] gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken;

welk geweld bestond uit:

• het rukken van voormeld geld uit handen van [slachtoffer 1] en;

• het rukken van voormelde ketting van de hals van [slachtoffer 1];

parketnummer 500.00357/07

dat hij op 11 april 2007 op het eiland Curaçao, tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening, uit een woning op het adres [a-straat 1], alwaar verdachte en zijn, verdachte's, mededaders zich buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende, te weten [slachtoffer 2], bevonden, heeft weggenomen:

• geld en een computer en een telefoon en een videocamera en sieraden, toebehorende aan [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3];

welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken;

welk geweld en/of welke bedreiging met geweld bestonden uit:

• het plaatsen van een vuurwapen, op het hoofd van die [slachtoffer 2], onderwijl die [slachtoffer 2] opdragende op de vloer (van voormelde woning, alwaar die [slachtoffer 2] zich bevond) te liggen en;

• het slaan van die [slachtoffer 2] en;

• het al dan niet met een hard voorwerp op het hoofd slaan van die [slachtoffer 3]."

2.2. Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:

- in de zaak met parketnummer 500.541/07, feit 3:

a. een proces-verbaal van politie, voor zover inhoudende als verklaring van [slachtoffer 1]:

"Op 12 mei 2007 te omstreeks 23.00 uur bevond ik mij op de parkeerplaats van de Breezes Hotel. Ik wilde naar Mambo gaan en besloot de bestuurder van een personenauto met kenteken [AA-00-BB] te vragen of het ver was naar Mambo. In de genoemde personenauto zat naast de bestuurder een mede-inzittende. Deze zei dat hij mij wilde brengen en stelde voor om in de auto te stappen. Ik ben vervolgens in de auto gestapt achter de mede-inzittende. De bestuurder reed vervolgens vanaf de parkeerplaats van het hotel, in de richting van het vliegtuigcafé. Dit was niet de richting van Mambo. Ik begon op dat moment al te twijfelen aan de juiste bedoeling van beide mannen. Ik zei dat ik uit de auto wilde stappen. Voorbij het vliegtuigcafé stopte de auto langs de kant van de weg. We stonden op dat moment in het donker en er was weinig straatverlichting. De mede-inzittende zei dat hij 2 dollar wilde hebben voor de rit. Ik heb mijn portemonnee uit mijn broekzak gehaald om die 2 dollar te pakken. Direct daarop nam de mede-inzittende met geringe kracht mijn portemonnee, inhoudende $ 50 en een creditcard, uit mijn hand weg. Ook greep hij naar mijn hals en trok mijn ketting van mijn nek. Vanuit mijn broek nam hij nog een keycard weg. Daarna opende hij voor mij de deur en zei dat ik uit de auto moest stappen."

b. een proces-verbaal van politie, voor zover inhoudende als verklaring van de verdachte:

"Op 12 mei 2007 reed ik in een auto met cijfers [AA-00-BB] in het kenteken. Ik was die avond samen met [betrokkene 1] in de buurt van Bapor Kibra. Wij hebben een Engelssprekende man een lift gegeven. Ik zat achter het stuur en [betrokkene 1] zat naast mij. De man zei dat hij een lift wilde hebben. Op een gegeven moment heb ik de auto gestopt. Ik heb de man gezegd dat hij moest betalen. De lifter stak zijn hand in zijn zak. Hij haalde zijn hand uit zijn zak. [Betrokkene 1] werd boos en trok geld uit de handen van de lifter."

- in de zaak met parketnummer 500.00357/07:

c. een proces-verbaal van politie, voor zover inhoudende als verklaring van [slachtoffer 2]:

"Ik lag op 11 april 2007 te omstreeks 21u45 te slapen in mijn slaapkamer in mijn woning aan de [a-straat 1] te Willemstad. Ik werd wakker van gegil van een van mijn zussen [slachtoffer 3] of [betrokkene 2]. Ik liep mijn slaapkamer uit en zag een onbekende man in het gangetje staan. Hij had een fors postuur en was gemaskerd. Hij pakte mij met een hand bij mijn keel en duwde mij zo terug de slaapkamer in. Tegelijkertijd zag en voelde ik dat hij een pistool tegen mijn hoofd drukte. Ik moest plat met mijn buik op de grond gaan liggen. De man legde een T-shirt over mijn hoofd. Ik hoorde op dat moment de stemmen van nog meer overvallers in de woning. De forse man trok mij overeind en duwde mij naar de kluis in de slaapkamer waarop mijn laptop en mijn gsm stonden. Hij pakte deze laptop en gsm. Hij zei vervolgens tegen mij dat ik de kluis moest open maken. Ik wist even de juiste code niet en de man sloeg mij toen tweemaal met kracht met zijn linker vlakke hand tegen mijn hoofd. In zijn rechterhand hield hij nog steeds het pistool vast dat hij tegen mijn hoofd aandrukte. Later bleken de daders te hebben meegenomen NAF 4000, een Sony Laptop, een Samsung GSM, een videocamera en een doos inhoudende sieraden. Ik zag dat mijn zus [slachtoffer 3] aan haar hoofd aan het bloeden was. Zij vertelde mij dat zij door een van de twee andere daders was geslagen."

d. een proces-verbaal van politie, voor zover inhoudende als verklaring van [slachtoffer 3]:

"Op 11 april 2007 bevond ik mij thuis op [a-straat 1]. Omstreeks 21u45 ging ik de achterdeur van de woning open doen. Toen ik de deur open deed zag ik 3 mannen voor de deur staan. Ik begon gelijk te schreeuwen en een van de mannen hield mijn hand vast. Ik voelde dat de man mij, met een hard voorwerp op mijn hoofd sloeg. Door deze klap voelde ik pijn en werd duizelig. Ik ging op de grond zitten en kon alleen maar horen dat de mannen verder de woning binnen liepen."

e. een proces-verbaal van politie, voor zover inhoudende als verklaring van [betrokkene 3] (bijgenaamd [betrokkene 3]):

"Op een avond zaten wij - ik, [verdachte], [betrokkene 4], nog twee andere onbekende jongens en een jongen die [betrokkene 5] heet - in de [A]. Ik hoorde dat [verdachte] en [betrokkene 4] een plan begonnen te bedenken om een Chinees in een huis te overvallen. Wij hebben toen allemaal meegewerkt om het plan verder te bedenken. [Betrokkene 5] en ik zijn naar een snack in de buurt van het huis van de Chinees gereden. De andere jongens zijn naar de woning van de Chinees doorgereden. Later zag ik die jongens weer in de buurt van het huis van [verdachte]. Toen hebben we de buit verdeeld. Ik kreeg vierhonderd gulden. [Betrokkene 4], [verdachte] en een andere jongen zouden de woning binnen gaan. De andere jongen zou achter het stuur blijven zitten. [Betrokkene 5] en ik zouden bij de snack een beetje op de uitkijk blijven staan."

f. een proces-verbaal van politie, voor zover inhoudende als verklaring van [betrokkene 4] (bijgenaamd [betrokkene 4]):

"Op 11 april 2007 ging ik te omstreeks 21u00 van huis naar de [A]. Daar zag ik [betrokkene 3], [verdachte], [betrokkene 5] en twee voor mij onbekende mannen. Ik hoorde dat zij van plan waren een beroving te gaan plegen. Ik ben samen met [verdachte] en de twee voor mij onbekende mannen in een auto gegaan. In de andere auto zat [betrokkene 3] en [betrokkene 5]. Wij zagen een Chinese vrouw naar buiten komen. [verdachte] en de man met de kattenogen hadden elk een vuurwapen in handen. [Verdachte] greep de vrouw vast en zei tegen de andere man om haar vast te houden. Volgens mij heeft de man met de kattenogen haar een klap gegeven. [Verdachte] en ik renden naar een van de kamers. Daar troffen wij een man aan. [verdachte] greep hem vast en vroeg hem waar het geld was. In opdracht van [verdachte] heb ik het geld uit een broek gehaald. [verdachte] vroeg de man naar sieraden. [Verdachte] nam van een kast een laptop en een camera weg. We zijn terug naar de [A] gegaan. Ik had in mijn broekzak 4000 gulden. Deze had ik tussen ons dus [betrokkene 3], [verdachte], [betrokkene 5] en de twee jongens verdeeld, elk had 500 gulden gekregen. [Verdachte] bleef met de laptop en de camera."

2.3. Het Hof heeft ten aanzien van de bewijsvoering voorts nog het volgende overwogen:

"Wat betreft het feit telastgelegd onder parketnummer 900.541/07 feit 3 heeft de raadsvrouw ten onrechte betoogd dat het rukken van geld uit handen en het rukken van een ketting van de hals van het slachtoffer niet gekwalificeerd kan worden als geweld tegen personen en dat geen sprake is geweest van medeplegen. Uit de bewijsmiddelen volgt dat de handelingen van verdachte en/of zijn mededader wel degelijk te duiden zijn als zulk bij het in medeplegen van het misdrijf begaan geweld. Verdachte was de bestuurder van de auto waarin de beroving heeft plaatsgevonden, is een andere kant opgereden dan het slachtoffer had gevraagd en hem was toegezegd, heeft van het slachtoffer geld geëist, is op een donkere plaats gestopt en heeft zich vervolgens niet gedistantieerd van de gewelds- en wegnemingshandelingen door de mededader.

Uit de verklaringen van de ter terechtzitting in hoger beroep verhoorde getuigen is de stelling van de verdachte, als zou hij in weerwil van de andersluidende verklaringen in het strafdossier niet betrokken zijn bij de telastgelegde overval op 11 april 2007 (parketnummer 500.00357/07), bepaaldelijk niet aannemelijk geworden. Genoemde verklaringen zijn dusdanig vaag en inconsistent dat zij als ongeloofwaardig terzijde moeten worden gesteld."

3. Beoordeling van het eerste en het tweede middel

De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4. Beoordeling van het derde middel

4.1. Het middel klaagt dat uit de tot het bewijs van feit 3 (parketnummer 500.541/07) gebezigde bewijsmiddelen niet kan volgen dat sprake was van diefstal vergezeld van geweld gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, omdat de bewezenverklaarde handelingen niet als geweld zijn aan te merken.

4.2. De tenlastelegging is toegesneden op art. 325 SrNA. Daarom moet de in de bewezenverklaarde tenlastelegging voorkomende uitdrukking "geweld met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken" geacht worden aldaar te zijn gebezigd in dezelfde betekenis als daaraan toekomt in dat artikel.

4.3. Art. 325, eerste lid, SrNA luidt:

"Met gevangenisstraf van ten hoogste vier en twintig jaren wordt gestraft diefstal, voorafgaande, vergezeld of gevolgd van geweld of bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heter daad, aan zich zelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren."

4.4. Het Hof heeft vastgesteld dat de mededader naar de hals van het slachtoffer heeft gegrepen en de ketting van diens nek heeft getrokken, alsmede diens portemonnee met enige kracht uit diens handen heeft getrokken. Gelet hierop geeft het oordeel van het Hof dat in de onderhavige zaak sprake is van "geweld met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken" in de zin van art. 325 SrNA geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting, terwijl het evenmin onbegrijpelijk is.

4.5. Het middel is tevergeefs voorgesteld.

5. Beoordeling van het vierde middel

5.1. Het middel klaagt in de zaak met parketnummer 500.00357/07 over de afwijzing van een verzoek tot het horen van [slachtoffers 2 en 3] en van [getuige 1] als getuige.

5.2. Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 8 april 2008 houdt met betrekking tot het getuigenverzoek het volgende in:

"nader onderzoek

De raadsvrouw verzoekt aanhouding van het onderzoek ter terechtzitting teneinde een aantal personen als getuige ter terechtzitting te doen horen door het Hof en licht dit verzoek mondeling als volgt toe: De verdediging wenst [slachtoffers 2 en 3] te horen over specifieke kenmerken die ze kunnen hebben waargenomen zoals stem, tattoos etc.; De bewaker [getuige 1] dient te worden gehoord daar zijn verklaring bij de politie heel beknopt was. De medeverdachte [betrokkene 3], [betrokkene 4] en [betrokkene 7] dienen te worden gehoord omdat ze bij de behandeling van hun eigen zaak hun verklaringen die [verdachte] incrimineren hebben ingetrokken. De zus van [verdachte], [betrokkene 6] kan worden gehoord over het verloop van de bewuste dag, bijvoorbeeld wanneer [verdachte] thuis is gekomen etc.

De procureur-generaal zegt dat er volgens hem geen noodzaak bestaat tot het horen van de door de verdediging opgevoerde getuigen.

beraad

Het Hof trekt zich terug voor beraad in deze.

hervatting

De voorzitter hervat het onderzoek ter terechtzitting en deelt vervolgens de beslissing van het Hof mede: Hetgeen de raadsvrouw heeft aangevoerd geeft onvoldoende grond voor het oordeel dat het verhoor van getuigen noodzakelijk is. Het verzoek tot het doen horen van de door de verdediging verzochte getuigen wordt derhalve afgewezen.

(...)

beraad

Het Hof trekt zich terug voor beraad.

hervatting

De voorzitter hervat het onderzoek ter terechtzitting en deelt vervolgens de beslissing van het Hof mede: Het Hof is ambtshalve van oordeel dat het verhoor van de volgende getuigen noodzakelijk is:

1. [Betrokkene 3], thans gedetineerd in Bon Futuro;

2. [Betrokkene 4], thans gedetineerd in Bon Futuro;

3. [Betrokkene 7], thans gedetineerd in Bon Futuro."

5.3. Het Hof heeft het niet noodzakelijk geacht de in het middel bedoelde getuigen te horen. Het middel klaagt over de motivering van dat oordeel. Met de overweging dat er onvoldoende grond is voor het horen van die getuigen heeft het Hof tot uitdrukking gebracht dat het het daartoe gedane verzoek onvoldoende onderbouwd heeft geacht. Gelet op de inhoud van het verzoek is dat oordeel niet onbegrijpelijk.

Anders dan in het middel wordt aangevoerd, doet daaraan niet af dat het verzoek mede inhield dat de medeverdachten in hun eigen strafzaak ontlastend ten aanzien van de verdachte hadden verklaard. Het Hof heeft die verklaringen in hoger beroep immers op hun geloofwaardigheid getoetst door die medeverdachten als getuige te horen, waarna het tot het oordeel is gekomen dat die verklaringen als ongeloofwaardig terzijde moeten worden gesteld.

5.4. Het middel faalt.

6. Ambtshalve beoordeling van de bestreden uitspraak

De verdachte bevindt zich in voorlopige hechtenis. De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan zestien maanden zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de aan de verdachte opgelegde gevangenisstraf van acht jaren.

7. Slotsom

Nu geen van de middelen tot cassatie kan leiden, terwijl de Hoge Raad geen andere dan de hiervoor onder 6 genoemde grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, brengt hetgeen hiervoor is overwogen mee dat als volgt moet worden beslist.

8. Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf;

vermindert deze in die zin dat deze zeven jaren en zeven maanden beloopt;

verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de vice-president F.H. Koster als voorzitter, en de raadsheren B.C. de Savornin Lohman en M.A. Loth, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.J. Verhoeven, en uitgesproken op 2 februari 2010.