Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2010:BK0338

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
15-01-2010
Datum publicatie
15-01-2010
Zaaknummer
08/03358
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2010:BK0338
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

artikel 10a Wet LB; geen grond voor belastingheffing over afkoopsom opties, nu daarvoor geen wettelijke grondslag bestaat en niet aangenomen kan worden dat een daartoe strekkende vaststellingsovereenkomst tot stand is gekomen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2010, 135 met annotatie van vanMulbregt
FutD 2010-0117
BNB 2010/83
FED 2010/38
Belastingadvies 2010/3.10
V-N 2010/4.19

Uitspraak

Nr. 08/03358

15 januari 2010

Arrest

gewezen op het beroep in cassatie van X te Z, Zambia (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Arnhem van 25 juni 2008, nr. 07/00109, betreffende na te melden inhouding van loonbelasting/premie volksverzekeringen.

1. Het geding in feitelijke instanties

Van belanghebbende is op 20 mei 2005 door zijn werkgever loonbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: loonheffing) ingehouden. Deze heffing is, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur gehandhaafd.

De Rechtbank te Arnhem (nr. AWB 06/4200) heeft het tegen die uitspraak ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof.

Het Hof heeft de uitspraak van de Rechtbank bevestigd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.

Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.

De Advocaat-Generaal C.W.M. van Ballegooijen heeft op 14 september 2009 geconcludeerd tot gegrondverklaring van het beroep in cassatie.

Belanghebbende en de Staatssecretaris hebben schriftelijk op de conclusie gereageerd.

3. Beoordeling van de middelen

3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

3.1.1. Belanghebbende is per 8 augustus 2000 in dienst getreden bij A B.V. (hierna: de werkgever).

3.1.2. De werkgever heeft belanghebbende een onvoorwaardelijk recht toegekend om 15.000 aandelen in de werkgever te verwerven tegen een prijs per aandeel van $ 12,00 gedurende een bepaalde periode (hierna: de opties).

3.1.3. In mei 2005 zijn de aan belanghebbende toegekende opties door de werkgever afgekocht voor een bedrag van € 492.700 (hierna: de afkoopsom). Op de afkoopsom heeft de werkgever een bedrag van € 256.204 aan loonheffing ingehouden.

3.2. Het Hof heeft - in cassatie onbestreden - vastgesteld dat de opties zijn toegekend bij belanghebbendes indiensttreding en door belanghebbende zijn geaccepteerd op 24 augustus 2000.

3.3. Voor het Hof was in geschil of de werkgever terecht in mei 2005 loonheffing heeft ingehouden op de afkoopsom. Het Hof heeft die vraag bevestigend beantwoord.

3.4.1. Bij de beoordeling van de tegen dit oordeel gerichte middelen moet worden vooropgesteld dat de wettelijke regeling inzake de loonheffing eerst met ingang van 28 december 2000 voorziet in de mogelijkheid om bij aandelenopties te kiezen voor uitstel van belastingheffing. Die mogelijkheid bestaat niet voor opties als de onderhavige, die in augustus 2000 onvoorwaardelijk zijn toegekend. Evenmin voorziet de hier toepasselijke wettelijke regeling in een mogelijkheid tot belastingheffing over de afkoopsom van dergelijke opties, indien deze afkoopsom - zoals in het onderhavige geval - wordt genoten nadat meer dan drie jaren zijn verstreken sinds de opties zijn toegekend. Derhalve bestond in dit geval geen wettelijke grondslag voor inhouding van loonheffing op de afkoopsom.

3.4.2. Belastingheffing over de afkoopsom zou niettemin aanvaard kunnen worden indien dat binnen het kader van een vaststellingsovereenkomst zou zijn overeengekomen. In dit geval kan echter niet worden aangenomen dat zo'n overeenkomst tot stand is gekomen, reeds omdat de stukken van het geding geen aanwijzing bevatten dat sprake is geweest van de voor een overeenkomst vereiste wilsovereenstemming. Het enkele feit dat, naar het Hof heeft geoordeeld, de Inspecteur zich heeft aangesloten bij de inhouding en afdracht van loonheffing in 2005 door belanghebbendes werkgever, kan niet worden beschouwd als een wilsuiting van de Inspecteur over uitstel van heffing met betrekking tot de opties, nog daargelaten welke betekenis aan zo'n wilsuiting zou moeten worden toegekend.

3.5.1. Door te aanvaarden dat de in 2005 genoten afkoopsom in de heffing wordt betrokken, heeft het Hof het voorgaande miskend. In zoverre slagen de middelen; voor het overige behoeven zij geen behandeling.

3.5.2. 's Hofs uitspraak kan niet in stand blijven. De Hoge Raad kan de zaak afdoen.

4. Proceskosten

De Staatssecretaris van Financiën zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie en de Inspecteur in de kosten van het geding voor het Hof en het geding voor de Rechtbank.

5. Beslissing

De Hoge Raad:

verklaart het beroep in cassatie gegrond,

vernietigt de uitspraak van het Hof, alsmede de uitspraak van de Rechtbank en de uitspraak van de Inspecteur,

verleent een teruggaaf ten bedrage van € 256.204,

gelast dat de Staat aan belanghebbende vergoedt het door deze ter zake van de behandeling van het beroep in cassatie verschuldigd geworden griffierecht ten bedrage van € 107, alsmede het bij het Hof betaalde griffierecht ter zake van de behandeling van de zaak voor het Hof ten bedrage van € 106 en gelast dat de Inspecteur aan belanghebbende vergoedt het bij de Rechtbank betaalde griffierecht ter zake van de behandeling van de zaak voor de Rechtbank ten bedrage van € 38,

veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van het geding in cassatie aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 1.449 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand, en

veroordeelt de Inspecteur in de kosten van het geding voor het Hof aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 805 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand, en in de kosten van het geding voor de Rechtbank aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 644 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Dit arrest is gewezen door de vice-president J.W. van den Berge als voorzitter, en de raadsheren C. Schaap, J.W.M. Tijnagel, A.H.T. Heisterkamp en M.W.C. Feteris, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier A.I. Boussak-Leeksma, en in het openbaar uitgesproken op 15 januari 2010.