Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2010:BJ9240

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
05-01-2010
Datum publicatie
06-01-2010
Zaaknummer
07/13539
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2010:BJ9240
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

1. Promis. 2. Art. 359.3 Sv. Ad 1. HR stelt ontleent aan HR LJN BA0424 vooropstellingen t.a.v. de Promis-werkwijze. I.c. heeft het Hof onder verwijzing naar 4 pv’s van politie volstaan met gevolgtrekkingen, zonder zakelijke samenvatting van de redengevende inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen en zonder nadere aanduiding van de in die pv’s gerelateerde f&o waaraan het die gevolgtrekkingen heeft verbonden. Het Hof heeft daardoor niet voldaan aan hetgeen is vooropgesteld. Ad 2. Art. 359.3 Sv moet aldus worden verstaan dat slechts kan worden volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen indien de verdachte het bewezenverklaarde duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend, tenzij sprake is van de – zich hier niet voordoende – aan het slot van die bepaling genoemde gevallen. Nu de verklaring van verdachte niet een zo duidelijke en ondubbelzinnige erkenning inhoudt, is ’s Hofs oordeel dat verdachte het bewezenverklaarde heeft bekend i.d.z.v. art. 359.3 Sv onbegrijpelijk.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafvordering
Wetboek van Strafvordering 359
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NS 2010, 48
NBSTRAF 2010/48
VA 2011/5 met annotatie van J.H. Janssen
RvdW 2010, 133
NJ 2010/638 met annotatie van P. Mevis
NJB 2010, 181
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

5 januari 2010

Strafkamer

nr. S 07/13539

RC/SM

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 30 november 2007, nummer 20/000653-07, in de strafzaak tegen:

[verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1988, wonende te [woonplaats].

1. Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben mr. G.P. Hamer en mr. M.J.C. Zuurbier, beiden advocaat te Amsterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Vellinga heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest wat betreft de beslissingen ten aanzien van het onder 1 en onder 4 tenlastegelegde en de strafoplegging en tot terugwijzing dan wel verwijzing van de zaak naar een aangrenzend hof teneinde in zoverre op het bestaande beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.

2. Beoordeling van het eerste middel

2.1. Het middel behelst de klacht dat het Hof in de bewijsmotivering heeft volstaan met gevolgtrekkingen zonder de onderliggende redengevende feiten en omstandigheden op te nemen.

2.2.1. Ten laste van de verdachte is onder 1 bewezenverklaard dat:

"hij op meerdere tijdstippen in de periode van 18 mei 2006 tot en met 9 juli 2006 te Tilburg en Goirle tezamen en in vereniging met een ander of anderen met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met geweld [slachtoffer 1] heeft gedwongen tot de afgifte van geld, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 1] en/of diens moeder, [slachtoffer 2], welke bedreiging met geweld hierin bestonden dat hij, verdachte en/of zijn mededader(s) hem de woorden hebben toegevoegd "jij moet sigaretten geven" en/of "als jij niet betaalt, dan word jij in elkaar geslagen" en/of "als je niet betaalt wordt je gepakt", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking."

2.2.2. Met betrekking tot de bewijsvoering ten aanzien van het onder 1 bewezenverklaarde houdt 's Hofs arrest - met inbegrip van vijf voetnoten - het volgende in:

"Vaststaande feiten

In de periode van 18 mei 2006 tot en met 9 juli 2006 werd [slachtoffer 1] in Tilburg en Goirle door meerdere personen meermalen gedwongen - door bedreiging met geweld - tot de afgifte van een aantal geldbedragen. Hierbij werd onder meer tegen hem gezegd dat als hij niet betaalde, hij dan gepakt en geslagen zou worden.(1)

Bewijsoverweging

Verdachte ontkent zich schuldig te hebben gemaakt aan de afpersing van [slachtoffer 1]. Door de verdediging is vrijspraak bepleit. Hiertoe is aangevoerd dat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs is, mede gelet op het feit dat de aangifte van [slachtoffer 1] en de verklaring van [betrokkene 1] niet geloofwaardig zijn en dat deze onvoldoende steun vinden in de verklaringen van anderen.

Het hof overweegt als volgt.

Met de verdediging is het hof van oordeel dat de verklaringen van [slachtoffer 1] en [betrokkene 1] niet op alle punten consistent zijn. Echter, een groot aantal van de zich in het dossier bevindende verklaringen - waarin de getuigen niet alleen verdachte, maar ook zichzelf belasten - komen in de kern met elkaar overeen namelijk dat verdachte degene is geweest die [slachtoffer 1] heeft afgeperst. Door de verdediging is niet aannemelijk gemaakt dat de getuigen een reden hadden om verdachte te belasten. Het hof heeft dan ook geen reden om aan te nemen dat sprake is geweest van een complot jegens verdachte.

Uit de aangifte van [slachtoffer 1](2), bezien in samenhang met de verklaringen van '[betrokkene 2]'(3), [betrokkene 1](4) en van [betrokkene 3] bij de politie(5) heeft het hof de overtuiging bekomen dat verdachte [slachtoffer 1] op meerdere momenten geld afhandig maakte door [slachtoffer 1] te bedreigen, onder meer door tegen hem te zeggen dat hij in elkaar geslagen zou worden als hij geen geld zou geven. Verdachte schakelde hierbij ook andere jongens in, die namens verdachte het geld ophaalden bij die [slachtoffer 1].

Voetnoten:

[1] Het ambtsedig proces-verbaal van aangifte van de politie Midden en West Brabant, district Tilburg, PL2067/06-179228, opgemaakt in de wettelijke vorm door [verbalisant 1], hoofdagente van politie, en [verbalisant 2], brigadier van politie, d.d. 9 juli 2006, doorgenummerde pag. 30-34, inhoudende - voor zover van belang - de verklaring van aangever [slachtoffer 1].

[2] Zie voetnoot 1.

[3] Het ambtsedig proces-verbaal van verhoor van de politie Midden en West Brabant, district Tilburg, PL2067/06-179228, opgemaakt in de wettelijke vorm door [verbalisant 3], agente van politie, en [verbalisant 4], hoofdagent van politie, d.d. 15 augustus 2006, doorgenummerde pag. 65-66, inhoudende - voor zover van belang - de verklaring van [betrokkene 4].

[4] Het ambtsedig proces-verbaal van aangifte van de politie Midden en West Brabant, district Tilburg, PL2067/06-197347, opgemaakt in de wettelijke vorm door [verbalisant 1], hoofdagente van politie, en [verbalisant 2], brigadier van politie, d.d. 24 juli 2006, doorgenummerde pag. 136-141, inhoudende - voor zover van belang - de verklaring van aangever [betrokkene 1].

[5] Het ambtsedig proces-verbaal van verhoor van de politie Midden en West Brabant, district Tilburg, PL2067/06-201413, opgemaakt in de wettelijke vorm door [verbalisant 2], brigadier van politie, en [verbalisant 3], agente van politie, d.d. 1 augustus 2006, doorgenummerde pag. 52-54, en d.d. 5 augustus, opgemaakt door [verbalisant 2], brigadier van politie, doorgenummerde pagina's 55-56, inhoudende - voor zover van belang - de verklaringen van [betrokkene 3]."

2.3. Art. 359, derde lid, Sv, dat ingevolge art. 415 Sv ook in hoger beroep van toepassing is, luidt als volgt:

"De beslissing dat het feit door de verdachte is begaan, moet steunen op de inhoud van in het vonnis opgenomen bewijsmiddelen, houdende daartoe redengevende feiten en omstandigheden. Voor zover de verdachte het bewezen verklaarde heeft bekend, kan een opgave van bewijsmiddelen volstaan, tenzij hij nadien anders heeft verklaard dan wel hij of zijn raadsman vrijspraak heeft bepleit."

2.4. Aan zijn arrest van 15 mei 2007, LJN BA0424, NJ 2007, 387, ontleent de Hoge Raad de volgende vooropstelling.

Het wettelijk stelsel moet aldus worden begrepen dat de motivering van de bewezenverklaring - behoudens indien sprake is van een bekennende verdachte - op zijn minst dient te bestaan uit de weergave in het vonnis van die onderdelen van de bewijsmiddelen die de rechter redengevend acht voor de bewezenverklaring.

De werkwijze om de redengevende feiten en omstandigheden waarop de beslissing steunt dat de verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan, te vermelden in een bewijsredenering waarbij wordt volstaan met een verwijzing naar de wettige bewijsmiddelen waaraan die feiten en omstandigheden zijn ontleend en waarbij de redengevende inhoud van een bewijsmiddel zakelijk wordt samengevat, is op zichzelf niet onverenigbaar met het motiveringsvoorschrift van art. 359, derde lid, Sv. In die samenvatting zal de redengevend geachte inhoud van het bewijsmiddel geen geweld mogen worden aangedaan.

Wel zullen de redengevende feiten en omstandigheden moeten worden onderscheiden van gevolgtrekkingen - geheel of ten dele van feitelijke aard - die de rechter aan die feiten en omstandigheden verbindt. Waar met een dergelijke gevolgtrekking wordt volstaan zonder dat de onderliggende redengevende feiten en omstandigheden worden opgenomen, is aan het wettelijk motiveringsvereiste niet voldaan.

2.5. Het Hof heeft onder meer overwogen dat het "de overtuiging [heeft] bekomen dat verdachte [slachtoffer 1] op meerdere momenten geld afhandig maakte door [slachtoffer 1] te bedreigen, onder meer door tegen hem te zeggen dat hij in elkaar geslagen zou worden als hij geen geld zou geven. Verdachte schakelde hierbij ook andere jongens in, die namens verdachte het geld ophaalden bij die [slachtoffer 1]". De bij die overweging behorende voetnoten verwijzen naar vier

processen-verbaal van politie.

2.6. Door onder verwijzing naar die processen-verbaal te volstaan met de onder 2.5 bedoelde gevolgtrekkingen, zonder zakelijke samenvatting van de redengevende inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen en zonder nadere aanduiding van de in die processen-verbaal gerelateerde feiten en omstandigheden waaraan het die gevolgtrekking heeft verbonden, heeft het Hof niet voldaan aan hetgeen hiervoor onder 2.4 is vooropgesteld.

2.7. Het middel klaagt daarover terecht.

3. Beoordeling van het derde middel

3.1. Het middel behelst de klacht dat het Hof ten aanzien van het onder 4 bewezenverklaarde ten onrechte heeft volstaan met een opgave van de gebezigde bewijsmiddelen als bedoeld in art. 359, derde lid, Sv.

3.2.1. Ten aanzien van hetgeen aan de verdachte onder 4 is tenlastegelegd behelst de bestreden uitspraak de volgende bewezenverklaring en bewijsmotivering, met inbegrip van drie voetnoten:

"Het hof acht op grond van de aangiftes van (...) [betrokkene 6](7) en [betrokkene 5](8) en de bekennende verklaring van verdachte(9) wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

(...)

4. hij op 16 juli 2006 te Tilburg met anderen op de openbare weg, Hasseltstraat, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [betrokkene 6] en [betrokkene 5], welk geweld bestond uit het meermalen slaan en/of stompen en/of trappen en/of schoppen tegen het hoofd en/of het lichaam van die [betrokkene 6] en [betrokkene 5].

Voetnoten:

[7] Het ambtsedig proces-verbaal van aangifte van de politie Midden en West Brabant, district Tilburg, PL2065/06-190053, d.d. 18 juli 2006, opgemaakt in de wettelijke vorm door [verbalisant 6], buitengewoon opsporingsambtenaar, doorgenummerde pag. 107-109, inhoudende - voor zover van belang - de verklaring van aangever [betrokkene 6].

[8] Het ambtsedig proces-verbaal van aangifte van de politie Midden en West Brabant, district Tilburg, PL2065/06-194506, d.d. 20 juli 2006, opgemaakt in de wettelijke vorm door [verbalisant 5], hoofdagent van politie, doorgenummerde pag. 132-133, inhoudende - voor zover van belang - de verklaring van aangever [betrokkene 5].

[9] Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep d.d. 16 november 2007, inhoudende - voor zover van belang - de verklaring van verdachte."

3.2.2. Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 16 november 2007 houdt als verklaring van de verdachte ter zake van het onder 4 tenlastegelegde het volgende in:

"De feiten 2 en 4 worden door mij niet betwist. (...)

U vraagt mij naar het vierde feit, de openbare geweldpleging tegen de jongens op de fiets. U vraagt mij of het klopt dat ik op 16 juni op enig moment in Tilburg een aantal fietsers met een auto voorbij ben gereden en dat de jongens die bij mij in de auto zaten geïrriteerd raakten omdat er iets zou zijn geroepen door die fietsers. Dat klopt niet helemaal. Ik had destijds niet door dat de jongens in mijn auto boos waren. Toen ze uitgestapt waren ontstond er ruzie. Ik ben toen automatisch voor mijn kentekenplaten gaan staan omdat ik anders de pineut zou zijn voor die ruzie. Ik heb niets gedaan. Ik had ze wel moeten stoppen. U zegt mij dat uit andere verklaringen blijkt dat ik wel zou hebben geslagen en geschopt. U houdt mij alleen maar bepaalde verklaringen voor. U kijkt niet naar wat de waarheid is, u wilt mij gewoon schuldig verklaren. De waarheid is dat ik gewoon ben uitgestapt en voor mijn kentekenplaten ben gaan staan."

3.3. In het licht van de wetsgeschiedenis moet art. 359, derde lid, Sv aldus worden verstaan dat slechts kan worden volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen indien de verdachte het bewezenverklaarde duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend, tenzij sprake is van de - zich hier niet voordoende - aan het slot van die bepaling genoemde gevallen. Nu de verklaring van de verdachte, zoals hiervoor onder 3.2.2 weergegeven, niet zo een duidelijke en ondubbelzinnige erkenning inhoudt, is 's Hofs oordeel dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft bekend in de zin van art. 359, derde lid, Sv, onbegrijpelijk.

3.4. Het middel is terecht voorgesteld.

4. Slotsom

Nu de Hoge Raad geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, brengt hetgeen hiervoor is overwogen mee dat de middelen voor het overige geen bespreking behoeven en als volgt moet worden beslist.

5. Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de bestreden uitspraak maar uitsluitend wat betreft de beslissingen ter zake van het onder 1 en onder 4 tenlastegelegde en de strafoplegging;

wijst de zaak terug naar het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch, opdat de zaak in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan;

verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren J.P. Balkema, J.W. Ilsink, J. de Hullu en W.F. Groos, in bijzijn van de griffier S.P. Bakker, en uitgesproken op 5 januari 2010.