Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2010:BJ7275

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
09-03-2010
Datum publicatie
09-03-2010
Zaaknummer
08/04732
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2010:BJ7275
In cassatie op : ECLI:NL:GHARN:2008:BD6983, (Gedeeltelijke) vernietiging met verwijzen
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Medeplegen. Anders dan het Hof heeft geoordeeld kan uit de bewijsmiddelen niet volgen dat verdachte, die wat betreft de tenlastegelegde moord en het wegmaken van een lijk geen uitvoeringshandeling heeft verricht en daarbij evenmin aanwezig is geweest, ter uitvoering van een gezamenlijk plan zo nauw en bewust met anderen heeft samengewerkt dat op grond daarvan kan worden aangenomen dat zij die tenlastegelegde feiten tezamen en in vereniging met die anderen heeft gepleegd.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht
Wetboek van Strafrecht 47
Wetboek van Strafrecht 157
Wetboek van Strafrecht 289
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
SR-Updates.nl updates
NJ 2010, 194 met annotatie van P. Mevis
RvdW 2010, 419
NJB 2010, 673
VA 2011/23 met annotatie van C.J.A. de Bruijn
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

9 maart 2010

Strafkamer

nr. S 08/04732

KD/LBS

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Arnhem van 11 juli 2008, nummer 21/001943-07, in de strafzaak tegen:

[verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1964, ten tijde van de betekening van de aanzegging gedetineerd in "Overijssel, locatie Zwolle" te Zwolle.

1. Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben mr. K. Canatan en mr. P. Scholte, beiden advocaat te Amsterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-generaal Knigge heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot zodanige op art. 440 Sv gebaseerde beslissing als de Hoge Raad gepast zal voorkomen.

2. Bewezenverklaring en bewijsvoering

2.1. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:

"1 (primair). zij op 26 mei 2004 te Zevenbergschenhoek, gemeente Moerdijk, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk en met voorbedachten rade [het slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers hebben verdachte en haar mededaders met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg die [slachtoffer] meermalen met een hamer op het hoofd geslagen, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden.

2 (primair). zij op 26 mei 2004 in het arrondissement Breda, tezamen en in vereniging met anderen het lijk van [het slachtoffer] heeft weggemaakt, met het oogmerk om het feit en de oorzaak van het overlijden van die [slachtoffer] te verhelen door met dat oogmerk het stoffelijk overschot van [het slachtoffer] in te pakken in zeil en vervolgens in een auto te vervoeren en vervolgens te verzwaren met kettingen en vervolgens in de Biesbosch in het water te gooien."

2.2.1. Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:

a. een proces-verbaal van politie, opgemaakt door de opsporingsambtenaren [verbalisant 1], [verbalisant 2], [verbalisant 3], [verbalisant 4] en [verbalisant 5], voor zover inhoudende als relaas van de verbalisanten:

"Op 9 juni 2004 kregen wij een telefonische melding dat nabij de splitsing van de Nieuwe Merwede met de Amer een verdacht pakket in het water was aangetroffen. Wij arriveerden op de aangegeven plaats en zagen dat bij de benedenstroomse krib aan de linkeroever van de punt van de Anna Jacominaplaat ter plaatse gelegen binnen de gemeente Werkendam een onbeschadigde zak dreef waarin de contouren van een menselijk lichaam zichtbaar waren. Wij zagen dat het geheel was ingepakt in zwart landbouwplastic dat met diverse repen tape bij elkaar gehouden werd. Vervolgens zagen wij dat om het middel een stuk nylontouw was bevestigd waaraan wij onder water enkele schalmen van een zware ketting zagen. De zak met inhoud werd bij het aantreffen onmiddellijk in beslag genomen."

b. een proces-verbaal van politie, opgemaakt door de opsporingsambtenaren [verbalisant 6] en [verbalisant 7], voor zover inhoudende als relaas van de verbalisanten:

"Naar aanleiding van het aantreffen van een stoffelijk overschot in de Merwede op 9 juni 2004 werd op 10 juni 2004 een onderzoek gedaan naar de identiteit van het aangetroffen stoffelijk overschot. Vervolgens werd op 10 juni 2004 sectie verricht op het stoffelijk overschot. Uit bovengenoemde onderzoeken kwamen een aantal gegevens vast te staan over het stoffelijk overschot. Deze gegevens bleken grotendeels overeen te komen met de gegevens van een als vermist opgegeven persoon, te weten: [het slachtoffer]. Van de lichaamskenmerken, kleding en sieraden van het stoffelijk overschot werd een overzicht gemaakt.

Op 10 juni 2004 verschenen voor ons aan het bureau [betrokkene 1], de zus van de vermiste [slachtoffer], en [betrokkene 2]. Wij hebben hen het lijstje voorgehouden waarin de kenmerken van het stoffelijk overschot zijn omschreven. Tevens hebben we hen de sieraden laten zien zoals deze waren aangetroffen bij genoemd stoffelijk overschot.

Dit alles ziende en lezende bevestigde zowel [betrokkene 1] als [betrokkene 2] dat het aangetroffen stoffelijk overschot van haar zus en zijn schoonzus moest zijn.

Vervolgens zijn wij gegaan naar de woning van de vader en moeder van de vermiste [slachtoffer]. De ouders zijn genaamd [betrokkene 3] en [betrokkene 4]. Wij hebben de ouders de sieraden getoond zoals aangetroffen bij het stoffelijk overschot. Eén klein ringetje werd door de moeder van [het slachtoffer] terugherkend als zijnde een ringetje van [het slachtoffer]."

c. een proces-verbaal van politie, opgemaakt door de opsporingsambtenaren [verbalisant 8], [verbalisant 9], [verbalisant 10] en [verbalisant 11], voor zover inhoudende als relaas van de verbalisanten:

"Op 9 juni 2004 werd het lichaam van [het slachtoffer] aangetroffen in het water van de Nieuwe Merwede te Werkendam. Vastgesteld werd dat de persoon die in de verpakking aanwezig was, was overleden. Op 9 juni 2004, omstreeks 16.45 uur, werd de dood vastgesteld.

Besloten werd om het pakket ongeopend over te brengen naar het Nederlands Forensisch Instituut te Rijswijk. Op 10 juni 2004 werd in het Nederlands Forensisch Instituut te Rijswijk door de patholoog-anatoom dokter G. van Ingen, verbonden aan voornoemd instituut, een gerechtelijke sectie verricht op het stoffelijk overschot van [het slachtoffer] voornoemd."

d. een rapport van G. van Ingen, arts en patholoog, voor zover inhoudende:

"Op 10 juni 2004 heeft ondergetekende de uit- en inwendige schouwing verricht op het lijk van [het slachtoffer], dood aangetroffen in het water van het Hollands Diep, gemeente Werkendam op 9 juni 2004.

Bij de sectie op het lijk van [het slachtoffer] is het navolgende gebleken:

- Links zijwaarts en achterwaarts aan de behaarde hoofdhuid meerdere huidperforaties; in dit gebied een groot defect in het schedelbot, met verscheuring van het harde hersenvlies aldaar. Bij microscopisch onderzoek in materiaal uit de huid in dit gebied bloeduitstorting aangetoond.

De betreffende verwondingen passen bij inwerking van uitwendig mechanisch, hevig botsend geweld, zoals kan worden opgeleverd door meermalen geslagen worden met één of meer harde, zware voorwerpen. Bij microscopisch onderzoek bleek bloeduitstorting in onderhuids weefsel in het betreffende gebied. Het betreft zeer ernstig schedelletsel. Vanwege de ernst van het schedelletsel kan worden aangenomen dat, indien de betreffende verwondingen bij leven zijn opgelopen, deze verwondingen de dood tot gevolg hebben gehad en, gezien de bovenstaande onderhuidse bloeduitstorting, kan worden aangenomen dat deze verwondingen inderdaad bij leven zijn opgelopen.

Conclusie: [het slachtoffer] had uitwendig mechanisch, hevig botsend geweld op het hoofd opgelopen, waardoor het overlijden zonder meer wordt verklaard. Een andere doodsoorzaak was niet aanwijsbaar."

e. een proces-verbaal van politie, voor zover inhoudende als verklaring van de verdachte:

"Ik weet dat [mededader 1] voor 26 mei 2004 al een week rondliep met plannen om haar (het hof begrijpt: [het slachtoffer]) te vermoorden. Volgens mij is [mededader 1] een week voordat [het slachtoffer] verdwenen is, begonnen met het doen van die uitlatingen. Hij zei dat hij er gewoon van af wilde, van [het slachtoffer]. Op 26 mei 2004 kwam [mededader 3] 's avonds omstreeks 22.30 uur bij ons thuis. Hij is gaan douchen. Ik heb op 27 mei 2004 de auto van [mededader 1] schoongemaakt. In eerste instantie met een sopje en ook met chloor.

Drie telefoontjes hebben bij mij op de kast gelegen. De drie telefoontjes waren van [mededader 1]. [Mededader 3] en [mededader 2] hebben op 26 mei 2004 allebei een mobieltje van [mededader 1] gekregen. [mededader 1] heeft zelf ook een mobieltje gehouden.

[Mededader 3] heeft mij de avond van 26 mei 2004 nog gebeld. Hij heeft gevraagd waar [mededader 2] bleef."

f. een proces-verbaal van politie, voor zover inhoudende als verklaring van de verdachte:

"[Mededader 1] heeft gezegd dat hij van [het slachtoffer] af wilde. Dit was in de week voor de bewuste dag dat "het" gebeurd zou zijn. Ik moest de kaart van de Biesbosch pakken. [mededader 3] wees op de kaart locaties aan."

g. een proces-verbaal van politie, voor zover inhoudende als verklaring van de verdachte:

"Op 26 mei 2004, rond half tien, heeft [mededader 3] mij gebeld met de vraag waar [mededader 2] was."

h. een proces-verbaal van politie, voor zover inhoudende als verklaring van [mededader 1]:

"Ik heb [het slachtoffer] om het leven gebracht. [Het slachtoffer] is bij [betrokkene 5] in de garage vermoord. Ik heb haar twee keer met een hamer op haar hoofd geslagen. Toen heb ik haar daar in de garage in zeil gepakt. Daarna heb ik er plakband omheen gedaan. Ik wist vooraf dat ik [het slachtoffer] om het leven zou gaan brengen in de garage van [betrokkene 5]. Ik heb [mededader 2] gebeld. [Het slachtoffer] lag in de wagen. Ik kon haar niet tillen. Ik moest van [mededader 2] voorop rijden. Ik kwam bij het gemaal aan. Ik heb er de witte Ford Escort geparkeerd. Ik ben vervolgens naar boven gelopen. Beneden was [mededader 3] met zijn bootje. Ik heb [mededader 3] gezegd dat hij moest komen helpen. [Mededader 3] is toen mee naar beneden gelopen. De deur van de Ford Escort is open gedaan. [Mededader 3] en ik trokken [het slachtoffer] uit de wagen. [mededader 3] en ik hebben haar op de dijk gesleept. Toen we net over de top van die dijk waren, kwam [mededader 2] eraan. Hij is de spullen die nodig waren, ketting en touw, gaan halen. Die spullen kwamen uit de Combo. Beneden hebben [mededader 3] en ik de kettingen en het touw om het pakket met [het slachtoffer] gedaan. [Mededader 2] stond toen boven op de dijk op de uitkijk. Er waren drie kettingen. Ik ben meegegaan in de boot. [Mededader 3] had de plek al weken van tevoren uitgezocht, omdat het daar diep was. We zijn daar aangekomen. Ik heb haar overboord gegooid. Ze viel in het water.

Toen [mededader 3] binnenkwam in de woning bij [verdachte] is [mededader 3] op een gegeven moment gaan douchen. Ik heb de moord van [het slachtoffer] gepleegd. Ik heb haar in de garage van [betrokkene 5] op haar hoofd geslagen met een zogenaamde klauwhamer. Ik heb het stoffelijk overschot van [het slachtoffer] ingepakt in folie, het omwikkeld met tape en het vervolgens in de Ford Escort vervoerd naar een zogenaamd "gemaal", alwaar [mededader 3] al lag te wachten met een boot. Het lichaam van [het slachtoffer] werd in de boot van [mededader 3] gelegd door [mededader 3] en mij. Ik heb het lichaam van [het slachtoffer] overboord gegooid. Een deel van het bewijsmateriaal werd tijdens het varen overboord gegooid en later werd ander bewijsmateriaal door [mededader 2] en mij samen weggewerkt.

Ik heb het stroomstootwapen gebruikt, ergens bij haar hoofd. Ik heb haar twee klappen met die hamer gegeven."

i. een proces-verbaal van politie, voor zover inhoudende als verklaring van [mededader 1]:

"De gesprekken over het ombrengen van [het slachtoffer] zijn ontstaan met [mededader 2] richting Zoetermeer en ik heb er tijdens deze ritten veel met [mededader 2] over gepraat. De eerste keer dat [mededader 2] en ik het erover hadden dat [het slachtoffer] dood moest, zijn we naar Oosterhout gereden. De tweede keer dat [mededader 2] en ik het hierover hadden, zijn we naar [betrokkene 6] gereden. [mededader 2] heeft mij de plek aangewezen waar [mededader 3] met een bootje zou moeten komen. Ik bedoel hiermee dat [het slachtoffer] daar opgeladen zou worden in de boot van [mededader 3]. Deze plek is gevonden door [mededader 3], want die was ideaal volgens hem.

Ik heb met [het slachtoffer] een afspraak gemaakt voor woensdag 26 mei 2004. Ik heb haar gezegd dat jij (het hof begrijpt: ik) samen met haar naar een weedhok wilde gaan. Ik bedoel hiermee het weedhok bij [betrokkene 5]. Tijdens het schoonmaken van de auto heeft [verdachte] geen vragen aan mij gesteld. De bedoeling was om [het slachtoffer] met een stroomstootwapen te verlammen. [Mededader 2] heeft het stroomstootwapen geregeld en heeft deze samen met mij gekocht.

De plek waar [het slachtoffer] werd omgebracht, bij [betrokkene 5], hebben [mededader 2] en ik samen gekozen. Eén keer waren wij bij [mededader 2] thuis. Hier zat [verdachte] ook bij. [mededader 2] heeft toen [verdachte] de kaart laten halen en er is de plek aangewezen waar de bedoeling was dat [het slachtoffer] gedumpt zou worden. Hier zou het diep genoeg zijn.

[Mededader 3] heeft de kettingen geregeld. De kettingen zijn specifiek door [mededader 3] geregeld om na de moord op [het slachtoffer] te gebruiken om [het slachtoffer] weg te maken.

De drie Nokia's 3310 zijn gekocht specifiek voor de moord. Er was afgesproken hoe we [het slachtoffer] zouden inpakken in zeil en met tape en touw.

De hamer is al dagen van tevoren klaargelegd. Deze hamer is klaargelegd voor het geval dat ik het met het stroomstootwapen niet aankon.

Ik had met [het slachtoffer] afgesproken dat we naar de kwekerij aan de [a-straat] te [plaats A] zouden gaan. In de garage van [betrokkene 5] heb ik direct het stroomstootwapen op [slachtoffers] gelaat gezet. Ik pakte de hamer die daar lag en ik sloeg haar toen een keer. Hierna heb ik haar nog een klap gegeven. Toen ging het licht uit bij [het slachtoffer]. Ik zag dat ze dood was."

j. een proces-verbaal van politie, voor zover inhoudende als verklaring van [mededader 1]:

"Mmededader 2], [mededader 3] en ik zaten om de tafel en spraken over de locatie waar wij [het slachtoffer] zouden dumpen. Door [mededader 2] werd tegen [verdachte] gezegd: "Pak die kaart er eens bij." Zij pakte toen zo'n plattegrond van de Biesbosch, waarna [mededader 3] ons die locaties heeft aangewezen. Een aantal spulletjes van [het slachtoffer] werden door [mededader 2] en mij op de oude barbecue van [mededader 2] en [verdachte] verbrand. [Verdachte] was toen thuis. [Verdachte] heeft uit eigen beweging de auto schoongemaakt met chloor. Ik had de bloedvlekken toen nog niet uit de houten vlonder in de achterbak gebeiteld."

k. een proces-verbaal van politie, voor zover inhoudende als verklaring van [mededader 1]:

"[Verdachte] was vaak aanwezig bij de gesprekken. In het bijzijn van [verdachte] is gesproken over de "dumpplaats" van [het slachtoffer]. Sterker nog, [verdachte] moest van [mededader 2] de kaart van de Biesbosch pakken. [Verdachte] pakte de kaart en vervolgens werd de kaart opengevouwen en [mededader 3] ging uitleggen waar de plek was en hoe hij dan moest varen. Er werd toen al gezegd dat [het slachtoffer] daar gedumpt zou worden. [Verdachte] zat daar toen bij.

De gsm's werden op de avond van de moord op [het slachtoffer] uitgedeeld. Dit gebeurde in het huis van [verdachte]. Daarbij waren aanwezig: [verdachte], [mededader 2], [mededader 3] en ik. [Verdachte] stelde geen vragen. Na de moord op [het slachtoffer] zijn [mededader 2] en ik naar de woning van [verdachte] gegaan. [Verdachte] was nog wakker. [Mededader 2] is zich gaan douchen. Ik zag dat [mededader 3] binnenkwam.

[Mededader 3] deed zijn schoenen en wat kleding uit. Ik zag dat hij vervolgens naar boven liep. Ook zag ik dat [verdachte] achter [mededader 3] aanliep. [Verdachte] vroeg niet wat er gebeurd was, waar wij waren geweest en waarom [mededader 2] en [mededader 3] wilden douchen.

Op 27 mei 2004 was ik weer bij [verdachte] en [mededader 2]. [Mededader 2] en ik hebben de Ford Escort Combi opgehaald. We zetten de auto voor de deur en laadden de auto uit. Op dat moment was [verdachte] al begonnen met het uitzuigen van de cabine van de Ford Escort. [Verdachte] heeft nog voordat ik met die beitel het bloed uit de vloer had gehakt, de door mij half gesloten achterdeuren van de Ford Escort geopend en in de laadruimte gekeken.

[Mededader 2] en ik hebben in de schuur spullen van [het slachtoffer] kapot staan knippen. We hadden reeds een barbecue aangestoken om de spullen hierop te verbranden. [Verdachte] stond in de keuken, ze kon de barbecue zien van waar zij stond. [Verdachte] heeft niets gevraagd."

l. de verklaring van de getuige [mededader 1] ter terechtzitting in hoger beroep op 25 januari 2008, voor zover inhoudende:

"De drie telefoons zijn een tijd voor de moord in Tilburg gekocht. Het waren drie Nokia's 3310. De drie telefoons waren puur voor de moord op [het slachtoffer]. [Verdachte] heeft de telefoons geprogrammeerd, zodat je maar op één knopje hoefde te drukken en dan één van de andere telefoons belde. [Verdachte] legde uit hoe de telefoons werkten. [Mededader 2], [mededader 3] en ik kregen een telefoon en daarna zijn wij weggegaan."

m. een proces-verbaal van politie, voor zover inhoudende als verklaring van [mededader 2]:

"Op 26 mei 2004 heeft [mededader 1] tegen mij en [verdachte] verteld dat hij met [het slachtoffer] naar de woning van [betrokkene 5] zou gaan. [Mededader 1] vertelde [verdachte] en mij tevens dat hij met [het slachtoffer] nog één keer wilde praten en wanneer dat niets zou opleveren, zou [mededader 1] er een eind aan maken.

[Betrokkene 5] en ik zijn door [mededader 1] op de avond van 26 mei 2004 weggestuurd, zodat [mededader 1] met [het slachtoffer] alleen was in de garage van [betrokkene 5]."

n. een proces-verbaal van politie, voor zover inhoudende als verklaring van [mededader 2]:

"Ik, [mededader 1] en [mededader 3] zijn op de avond van 25 mei 2004 met ons drieën naar de Zwaluwe Dijk gereden. Ik weet dat [mededader 3] en [mededader 1] daar gingen kijken om te zien of [mededader 3] zijn boot daar kon aanmeren. Dat was door [mededader 1] aangegeven als zijnde de locatie dat, mocht het misgaan met [het slachtoffer], [mededader 3] daar met zijn bootje naartoe moest komen om [het slachtoffer] te kunnen vervoeren.

[Mededader 1] en ik hebben een week of anderhalve week voor die 25ste mei nog een andere locatie aangedaan."

o. de verklaring van de getuige [mededader 2] ter terechtzitting in hoger beroep op 23 januari 2008, voor zover inhoudende:

"De avond voor de moord ben ik met [mededader 1] en [mededader 3] naar het gemaal in de polder gereden. [Mededader 3] en [mededader 1] zijn gaan kijken bij het gemaal. Nadat wij die avond bij [verdachte] en mij thuis kwamen, heeft [verdachte] uit de auto van [mededader 3] een kaart van de Biesbosch gepakt. Deze kaart is op tafel terecht gekomen. [Mededader 1] en [mededader 3] hebben op de kaart gekeken en plaatsen aangewezen. Zij keken of en hoe [mededader 3] bij de plek kon komen waar wij die avond waren geweest. Op dat moment zaten [verdachte] en ik ook aan tafel. Het was duidelijk dat [mededader 3] niet op die plek ging vissen. Over vissen is op dat moment niet gesproken. Op het moment dat de kaart op tafel lag, heeft [verdachte] meegekeken. Ik ben op een gegeven moment naar voren gegaan en op de bank of in een stoel gaan zitten. Ook [verdachte] is toen voor in de kamer in een stoel gaan zitten. Op het moment dat ik nog aan tafel zat, is gesproken over het eventueel verbergen van het lijk.

[Mededader 1] heeft voor de moord in Tilburg drie mobiele telefoons gekocht. Eén telefoon was voor [mededader 1], één voor [mededader 3] en één voor mij. [Verdachte] heeft de telefoons bij ons thuis geprogrammeerd. Ik heb gezien dat [verdachte] bezig is geweest met alle drie de telefoons. De telefoons werden door [mededader 1] uitgedeeld aan [mededader 3] en mij. We hoefden maar op één toets te drukken en dan kregen we [mededader 1] aan de telefoon. [Verdachte] legde ons dit uit. [Mededader 3] en ik kregen de telefoons, zodat [mededader 1] ons kon bereiken als er iets mis zou gaan tussen hem en [het slachtoffer]. De telefoontjes zijn voor de moord door [mededader 1] gekocht in Tilburg. Met de telefoontjes zijn we naar het huis van [verdachte] en mij gegaan. [verdachte] kreeg van [mededader 1] de opdracht de telefoons te programmeren. Ik was daarbij. [Verdachte] heeft toen de telefoons geprogrammeerd. Ik heb gezien dat [verdachte] bezig was met de telefoons. Ik heb gezien dat zij bezig was met het intoetsen van de toetsen van de telefoons. [Mededader 1] heeft de telefoontjes aan [mededader 3] en mij uitgedeeld. Wanneer er iets met [mededader 1] en [het slachtoffer] zou gebeuren, kon [mededader 1] ons met deze telefoons bereiken. [Verdachte] heeft de woorden van [mededader 1], dat hij er een eind aan zou maken als het fout zou gaan, gehoord en was erbij toen er plaatsen op de kaart van de Biesbosch werden aangewezen. [Verdachte] heeft mij uitgelegd dat ik op één knopje moest drukken, waarna ik [mededader 1] aan de telefoon zou krijgen. U houdt mij voor dat [verdachte] bij de politie heeft verklaard dat zij dacht dat de telefoontjes voor de weedhandel bestemd waren. Dit is niet juist. Wij hadden andere nummers voor de weedhandel. De telefoontjes waren niet voor een palinghandel met [mededader 3] en niet voor het sparen van benzinekosten voor mij. De drie telefoontjes waren enkel bedoeld voor de moord op [het slachtoffer]. [verdachte] heeft de avond van de moord meerdere keren contact gehad met [mededader 3]. [Mededader 3] zat te wachten op het water. Na het dumpen van het lichaam is [mededader 3] direct naar [verdachte] gegaan om zich te douchen.

De avond van de moord heb ik tegen [verdachte] gezegd dat [het slachtoffer] in de Ford Combo van [mededader 1] was vervoerd. De dag na de moord vertelde [mededader 1] dat zijn auto onder de bloedvlekken zat. [Verdachte] heeft toen gezegd dat hij de auto maar voor de deur moest zetten en dat zij de auto wel met chloor zou schoonmaken, zodat je er niets meer van zag.

Ik heb een brief gekregen van [getuige 1] en [getuige 2]. Zij zeggen gezien te hebben dat [verdachte] samen met [mededader 1] spullen heeft verbrand op de barbecue. [Verdachte] en [mededader 1] zouden toen gezegd hebben dat als de brandweer zou komen, zij een groot probleem zouden hebben."

p. een proces-verbaal van politie, voor zover inhoudende als verklaring van [mededader 3]:

"De avond voor 26 mei 2004 hebben [mededader 2] en [mededader 1] gekeken naar een geschikte plek waar ik met mijn bootje aan wal kon komen. Ik ben samen met [mededader 1] en [mededader 2] gaan kijken. Ik zag dat het bij een soort gemaal was.

Op 26 mei 2004 heb ik van [mededader 1] een mobiele telefoon gekregen. Toen ik bij [mededader 2] aankwam, zag ik dat er op tafel drie mobiele telefoontjes lagen. [Mededader 1] heeft mij voor hij wegging één van die telefoontjes gegeven. [Mededader 1] heeft ook een telefoontje aan [mededader 2] gegeven. [mededader 1] heeft zelf ook één van die drie telefoontjes gepakt. [Mededader 1] zei mij dat ik die voor die avond nodig had. Hij zou mij op dit nummer bellen als ik naar het afgesproken punt moest komen. Ik ben vanaf de woning van [mededader 2] naar de jachthaven gereden. Ik ben naar mijn bootje gelopen en ben gaan varen. [Mededader 1] had mij verteld dat ik rond een uur of half tien bij het afgesproken punt moest zijn. Ik ben rustig naar de Lage Zwaluwe gevaren. Ik zag [mededader 1] de dijk oplopen. Hij trok een grote zwarte zak met zich mee. [mededader 1] liep achteruit bij mij de boot op en trok tegelijkertijd dat pakket mijn boot op. [Mededader 1] liep weg en zei dat hij de kettingen moest halen om het pakket te laten zinken. [Mededader 1] is naar mijn bootje gelopen en heeft de kettingen in mijn bootje gelegd. Daarna is [mededader 1] in het bootje gestapt. [Mededader 1] heeft de kettingen aan het pakket vastgemaakt. Ik wist dat ik op 26 mei 2004 een omgebracht persoon moest vervoeren met mijn bootje. Ik ben gevaren naar de kop van de Amer en de Merwede. [Mededader 1] heeft het pakket over de reling van de boot in het water gegooid.

Ik heb [verdachte] nog gebeld toen ik op de boot was. Ik ben op de avond van 26 mei 2004 naar de inham gevaren. Ik ben naar mijn zus [verdachte] gaan bellen. Ik heb [verdachte] aan de lijn gekregen. Ik heb aan [verdachte] gevraagd of [mededader 2] thuis was. [Verdachte] zei tegen mij dat [mededader 2] niet thuis was. Ik zei tegen [verdachte] dat ik al lang op de plaats was en dat ik aan het wachten was. Ik heb nog tegen [verdachte] gezegd dat het best wel fris was op het water. Ik heb nog een keer naar ons [verdachte] gebeld. Ik heb aan [verdachte] gevraagd waar ze nou bleven of zoiets. Ik hoorde dat [verdachte] zei: "Ik weet niet waar [mededader 2] is, maar je ziet hem zo wel komen."

q. een proces-verbaal van politie, voor zover inhoudende als verklaring van [mededader 3]:

"Toen [mededader 1] het pakket overboord had gegooid, ben ik met [mededader 1] teruggevaren naar de inham waar het pakket op de boot was gekomen. Toen [mededader 1] was uitgestapt, ben ik zo vlug mogelijk naar de haven gevaren. Toen ik aankwam bij de ligplaats ben ik naar [mededader 2] gereden. Toen ik bij [mededader 2] aankwam, werd de voordeur door [verdachte] al opengemaakt. Ik heb niet eens aan hoeven te bellen. Ik vroeg meteen aan [verdachte] of ik mij kon douchen. [Verdachte] zei dat dat goed was. Ik zag dat [verdachte] en [mededader 2] in de kamer waren. Ik ben toen gaan zitten achter in de woonkamer aan tafel. Tegenover mij aan de tafel zat [verdachte]. Ik hoorde dat [mededader 2] vertelde dat hij zich ook had gedoucht en dat hij zijn eigen kleding had weggegooid om sporen uit te wissen. [Mededader 1] kwam de woonkamer binnen. Ik hoorde dat [mededader 1] vertelde dat hij zich thuis eerst had gedoucht en dat hij zijn kleren ook had weggegooid om sporen weg te moffelen.

[Mededader 2] zei me die woensdagavond na de moord op [het slachtoffer] dat hij zou zeggen dat ik de hele avond bij [mededader 2] en [verdachte] thuis zou zijn geweest. [mededader 2] en [verdachte] zeiden me dat ik dat zou moeten zeggen als er vragen zouden komen. [Mededader 2] vertelde dit diezelfde avond. Ik weet zeker dat [verdachte] en [mededader 1] daar ook bij waren. Ik weet dat [mededader 1] zou vertellen dat hij die avond, de woensdagavond van de moord, bij een garage zou zijn geweest.

De avond van tevoren, de dinsdag voor de moord, is [verdachte] bij [mededader 2], [mededader 1] en mij gaan zitten. Ik weet dat [verdachte] erbij is geweest toen er werd besproken dat ik zou varen. Dat is besproken in de huiskamer en wij zaten met ons vieren achter aan tafel. Ik hoefde alleen maar te varen. [Mededader 1] zou alles met dat meisje regelen. [Mededader 2] zou voor de kettingen zorgen. Dat is daar aan tafel zo besproken."

r. een proces-verbaal van politie, voor zover inhoudende als verklaring van [mededader 3]:

"In maart van dit jaar was ik een keer bij [mededader 2] thuis. [Mededader 2], [mededader 1] en [verdachte] waar daar bij. Daar werd door [mededader 2] gesproken over de problemen die hij had met [het slachtoffer]. Na dit gesprek is er nog vaker gesproken over de problemen tussen [mededader 1] en [het slachtoffer]. Tijdens deze gesprekken werd er al gesproken over het feit dat [het slachtoffer] teveel wist en dat ze om het leven gebracht moest worden. Deze gesprekken vonden voornamelijk bij [mededader 2] thuis plaats. [verdachte] heeft ook bij die gesprekken gezeten. [Mededader 2] en [mededader 1] hebben drie nieuwe telefoontjes gekocht.

Die telefoontjes werden op tafel gelegd. Ik kreeg ook een nieuwe telefoon. Ik heb op die woensdagavond, waarop [het slachtoffer] is omgebracht, die telefoon gepakt. Toen is mij uitgelegd hoe het allemaal werkte en hoe ik [mededader 2] of [mededader 1] kon bellen. Dat was allemaal van tevoren geprogrammeerd.

In de woning van [mededader 2] werd voor ons drieën voor een alibi gezorgd. [Mededader 2] had als alibi dat hij met iemand over de Moerdijkbrug was wezen rijden. [mededader 1] had als alibi dat hij naar [...] was geweest. Ik zou als alibi gebruiken dat ik bij [verdachte] en [mededader 2] was geweest. [Verdachte] is er bij geweest toen dit allemaal werd besproken. Er is besproken dat [mededader 1] contact zou zoeken met [het slachtoffer] en een afspraak zou maken. Tijdens die afspraak zou [het slachtoffer] dan doodgemaakt worden. [Mededader 2] had een oplossing gevonden voor de auto van [het slachtoffer]. Ik zou met dat meisje het water opgaan en het meisje dumpen. [Mededader 1] en [mededader 2] zouden dus in eerste instantie het lichaam van [het slachtoffer] naar mijn boot brengen en mij vervolgens alleen het water op sturen om haar te dumpen. [Mededader 2] en [mededader 1] zouden ondertussen zorgen dat de auto van [het slachtoffer] zou verdwijnen.

Voor de moord is bij [mededader 2] thuis druk over de plannen om [het slachtoffer] te vermoorden gesproken. Ik heb zelfs nog aan [verdachte] op een waterkaart de plaatsen aangewezen waar ik met mijn boot aan het land zou komen en precies de plaats waar ik met mijn bootje naar toe zou varen om het lichaam van [het slachtoffer] overboord te gooien. Dat heb ik aan [verdachte] laten zien.

Ik zat bij [verdachte] en [mededader 2] thuis aan tafel. [Mededader 1] was daar ook bij. We zaten met ons vieren aan de tafel achter in de woonkamer. Er werd toen openlijk gesproken over de plannen om [het slachtoffer] te vermoorden. [Mededader 1] had mij gevraagd om te varen en het lichaam overboord te gooien. Ik moest zorgen dat ik ergens boven een diepe put ging liggen met mijn boot. Om het allemaal nog duidelijker te maken heeft [verdachte] er toen een landkaart bij gehaald. [Verdachte] heeft de kaart gepakt en die uitgevouwen en op de tafel gelegd. Ik heb toen aan [verdachte] de plaatsen aangewezen waar we het over hadden. [verdachte] heeft erbij gezeten toen er werd besproken wat er allemaal zou gaan gebeuren."

s. een proces-verbaal van politie, voor zover inhoudende als verklaring van [betrokkene 5]:

"Mijn naam is [betrokkene 5]. Ik woon aan de [a-straat 1] te [plaats A]. Ik heb op dat perceel een garage/schuur."

t. de verklaring van de getuige [getuige 1] ter terechtzitting in hoger beroep op 25 januari 2008, voor zover inhoudende:

"Wij woonden schuin achter [mededader 2] en [verdachte].

Er kwam een grote donkere wolk aan de voorkant uit het schuurtje. Ik hoorde dat [verdachte] zei dat ze een stelletje gekken waren, dat ze het uit moesten maken en dat als de brandweer kwam, zij een groot probleem hadden. Bij [verdachte] waren [mededader 2] en nog één of twee personen. Onze buurjongen is gaan kijken en vertelde ons dat ze in een barbecue oude kleren aan het verbranden waren."

2.2.2. Het Hof heeft ten aanzien van de bewezenverklaring voorts nog het volgende overwogen:

"Inleiding

Op 26 mei 2004 is [het slachtoffer] vermoord. In een schuur in [plaats A] heeft [mededader 1] haar eerst een stroomstootwapen in het gezicht gedrukt, waarna hij haar met een hamer meerdere malen hard op het hoofd heeft geslagen. [Mededader 1] heeft haar lichaam vervolgens in zeil gerold en het zeil met tape dichtgeplakt. [Mededader 1] en [mededader 2] hebben het aldus ingepakte lichaam van [het slachtoffer] in een auto vervoerd van [plaats A] naar een plaats in de Biesbosch. Het lichaam is vervolgens door [mededader 3] en [mededader 1] in een bootje van [mededader 3] vervoerd. Gekomen bij een gemaal is het lichaam van [het slachtoffer], verzwaard met scheepskettingen, door hen in het water gegooid.

[Mededader 1], [mededader 2] en [mededader 3] zijn onherroepelijk veroordeeld voor - kort gezegd - medeplegen van moord van [het slachtoffer] en voor het wegmaken of wegvoeren van haar lichaam (art. 151 Wetboek van Strafrecht). Aan verdachte wordt medeplegen van, subsidiair medeplichtigheid aan of bij, deze beide feiten verweten.

In eerste aanleg is verdachte niet verschenen, bij de behandeling van deze zaak door het hof op aandringen van het hof wèl. Verdachte heeft ten overstaan van het hof geen verklaring willen afleggen terwijl in het bijzonder de verklaringen die werden afgelegd over de bespreking bij haar thuis (met de kaart van de Biesbosch op tafel), over het programmeren van de telefoons en haar telefonisch contact met haar broer [mededader 3], daar wel om vroegen. Enige ruimte om aan haar betrokkenheid een andere invulling te geven dan uit het voorgaande spreekt, heeft zij door die opstelling niet geboden of welbewust (telkens herhaalde uitnodigingen van het hof om commentaar of verklaring negerend) zelfs maar willen bieden. Dat was haar goed recht (zwijgen, weigeren een verklaring af te leggen) maar het hof moet wel vaststellen dat zij over haar aanwezigheid bij en (blijkens belastende verklaringen van de getuigen) bemoeienissen met de plannenmakerij voorafgaande aan de moord en het vervolg daarop en haar betrokkenheid daarbij wel een verklaring had kunnen afleggen. Het hof had - uit oogpunt van volledigheid van het onderzoek - graag antwoorden van verdachte willen hebben op vragen naar aanleiding van haar eerder tegenover de politie gegeven antwoorden en de verklaringen van de getuigen.

Het hof bespreekt de volgende onderwerpen:

• de betrouwbaarheid en bruikbaarheid van de verklaringen, in het bijzonder van die van [mededader 1], [mededader 2] en [mededader 3];

• de vraag of sprake is geweest van wetenschap bij verdachte van het plan tot het vermoorden van

[het slachtoffer] en het wegmaken van haar lijk en of zij zich daarbij heeft aangesloten;

• de vraag of verdachte daarbij daadwerkelijk een rol heeft gespeeld en, zo ja, hoe deze moet worden geduid.

(...)

Wetenschap bij verdachte van en zich aansluiten bij het plan tot het vermoorden van [het slachtoffer] en het wegmaken van het stoffelijk overschot

Het hof leidt uit de volgende feiten en omstandigheden af dat verdachte vóór de dag van de moord op [het slachtoffer] en het verbergen van haar lichaam op de hoogte was van het voornemen en het plan om [het slachtoffer] van het leven te beroven en haar lichaam te laten verdwijnen:

* In de eerste plaats is er de verklaring van verdachte dat zij wist dat [mededader 1] al een week rondliep met plannen om "haar" te vermoorden (verklaring van 5 oktober 2004, pagina 784 van het hoofdproces-verbaal). Met "haar" kan niemand anders bedoeld zijn geweest dan [het slachtoffer]. Dat een serieus te nemen plan met die strekking een week tevoren reeds bestond leidt het hof onder meer af uit de verklaringen van [mededader 1], [mededader 2] en [mededader 3] dat er een aantal besprekingen tussen hen drieën heeft plaatsgevonden vóór de besprekingen op de avond van 25 mei 2004 bij verdachte thuis. Dat verdachte daarvan nog geen details zal hebben gekend is aannemelijk omdat een deel van de plannen (over de wijze waarop het lijk zou moeten verdwijnen) toen pas, dus op 25 mei 2004, werd uitgewerkt.

* Bovendien leidt het hof verdachtes wetenschap af uit de verklaringen omtrent de bijeenkomst op de avond van de dag (de zo-even genoemde bespreking) voorafgaande aan die van de moord. Het hof leidt daaruit af dat er toen gedetailleerd is besproken:

- hoe de (globale) gang van zaken de volgende dag zou zijn,

- hoe daarbij de precieze rolverdeling zou zijn: wie verantwoordelijk zou zijn voor het doden van [het slachtoffer], wie voor het vervoer van het lichaam naar de aanlegsteiger zou(den) zorgen, wie met het lichaam vervolgens per boot de Biesbosch op zou(den) varen en wie het lichaam van [het slachtoffer] in het water zou(den) gooien, - waar - om ontdekking van de moord te voorkomen - het lichaam van [het slachtoffer] in het water zou worden gegooid en

- op welke wijze gecommuniceerd zou worden tussen betrokkenen bij de uitvoering van dat laatste onderdeel van het plan.

Met betrekking tot dit laatste merkt het hof op dat een moord, zoals gepland werd pas (en ook voor elke daarbij betrokkene) als een 'geslaagde' moord kan gelden als daarvan (van die moord) niet blijkt.

Verdachte is bij die bespreking (over het verdwijnen van het lichaam van [het slachtoffer]) aanwezig geweest. Verdachte heeft een kaart van de Biesbosch aangereikt, waarop vervolgens de volgens het plan relevante plaatsen werden aangewezen, met name de plaats waar [mededader 3] met zijn boot kon aanmeren om het lichaam van [het slachtoffer] aan boord te nemen en de plaats waar het lichaam vervolgens in het water zou worden gegooid. Het is - mede in het licht van de voorkennis van verdachte - niet aannemelijk dat verdachte niet zou hebben begrepen waarover het gesprek toen ging, ook niet voor zover dat al in bedekte termen zou zijn besproken. Het hof acht evenmin aannemelijk dat verdachte meende dat het om de aanwijzing van geschikte "visplekken" ging, zoals is aangevoerd.

Ook uit de verklaringen omtrent de mobiele telefoons leidt het hof af dat verdachte de plannen van [mededader 1] kende. Die telefoons zijn speciaal voor de uitvoering van het plan om [het slachtoffer] van het leven te beroven en haar lichaam te doen verdwijnen aangeschaft. Verdachte (daarin handig) heeft die telefoons zeer beperkt, op een wijze dat [mededader 1], [mededader 2] en [mededader 3] die avond contact zouden kunnen hebben, geprogrammeerd. Het hof leidt uit de bewijsmiddelen af dat verdachte heeft geweten dat de mobiele telefoons voor dat doel waren aangeschaft en daarvoor dienst zouden doen. Anders valt bijvoorbeeld ook niet te verklaren waarom slechts de telefoonnummers van de andere bij het plan betrokkenen werden (voor)geprogrammeerd met behulp van sneltoetsen. Door verdachte is aan de andere betrokkenen de wijze van programmering en communicatie uitgelegd. Het hof acht niet aannemelijk geworden dat verdachte zou hebben kunnen denken dat de telefoons waren bedoeld voor de weedhandel, vishandel, palinghandel dan wel ter besparing van benzinekosten.

Vervolgens dient de vraag te worden beantwoord of verdachte zich ten tijde van de moord en het wegmaken van het stoffelijk overschot van [het slachtoffer] had aangesloten bij het plan, waarvan de moord op [het slachtoffer] en het wegmaken van haar lijk met elkaar nauw verbonden onderdelen waren, en bij de uitvoering van dat plan. Het hof beantwoordt die vraag bevestigend. Dit antwoord leidt het hof onder meer af uit een aantal door verdachte voor en tijdens het begaan van de feiten verrichte gedragingen en uit de omstandigheid dat verdachte bepaalde andere gedragingen heeft verricht die temporeel weliswaar na de feiten hebben plaatsgevonden maar niet anders kunnen worden geduid (mede in het licht van de hiervoor besproken wetenschap van verdachte van hetgeen komen ging) dan als een uitvloeisel van het tevoren gemaakte plan en strekkend tot een uiteindelijk succesvolle uitvoering daarvan. Er was immers sprake van een moordplan dat deels expliciet deels impliciet het plannen, voorbereiden en uitvoeren van de moord, het verbergen van het lijk en het wegmaken van alle sporen omvatte. Een en ander impliceert dat verdachte zich op geen enkel moment heeft gedistantieerd van het plan en de voorgenomen handelingen.

Door verdachte verrichte gedragingen van verdachte met betrekking tot de uitvoering van het plan om [het slachtoffer] te vermoorden en haar lijk weg te maken

Met de volgende gedragingen heeft verdachte bewust vóór en tijdens de uitvoering van de plannen een bijdrage geleverd aan de uitvoering van het plan voor de moord op [het slachtoffer] en het wegmaken van haar lijk.

* Verdachte heeft tijdens haar aanwezigheid bij de bespreking op de avond van de dag voor de moord de kaart van de Biesbosch aangereikt waarop (in haar aanwezigheid) de plekken werden aangewezen die van belang waren voor het vervoer en het verbergen van het lijk.

* Verdachte heeft de mobiele telefoons (voor)geprogrammeerd die dienst moesten doen bij eventueel telefoonverkeer tussen [mededader 1], [mededader 2] en [mededader 3]. [mededader 2] heeft hierover onder meer verklaard dat wanneer er iets met [mededader 1] en

[het slachtoffer] zou gebeuren, [mededader 1] (naar het hof begrijpt) de anderen met deze telefoons kon bereiken.

* Rond het tijdstip van de moord heeft verdachte telefonisch contact gehad met haar broer [mededader 3], waarbij [mededader 3] aangaf dat hij al op de afgesproken plek was en waarbij verdachte [mededader 3] onder meer vertelde dat [mededader 2] er zo wel aan zou komen.

Uit onder meer de volgende gedragingen van verdachte leidt het hof in het bijzonder af dat verdachte zich ten tijde van de uitvoering van het plan om [het slachtoffer] te doden en haar lijk te laten verdwijnen had aangesloten bij dat plan. Het zijn gedragingen die - ook als zij niet uitdrukkelijk aan de orde zijn gekomen in voorafgegane besprekingen - passen in het kader van het tevoren gemaakte plan, een (impliciet) uitvloeisel zijn van de voorafgegane overeenkomst en strekken tot een uiteindelijk succesvolle uitvoering van het plan.

* [mededader 3] is na de moord en het in het water gooien van het stoffelijk overschot van [het slachtoffer] door verdachte in de woning van haar en [mededader 2] binnengelaten en heeft zich in de woning gedoucht. Ook werd er die avond in de woning en in aanwezigheid van verdachte gesproken over alibi's voor [mededader 1], [mededader 2] en [mededader 3]. [mededader 1] zou de avond van de moord naar een garagehouder in Oosterhout zijn gegaan. [mededader 2] zou een groot deel van de avond met de bewoner van het pand in [plaats A] op pad zijn geweest en [mededader 3] zou de avond bij verdachte hebben doorgebracht.

* De dag na de moord heeft verdachte de auto van [mededader 1], waarin het lichaam van [het slachtoffer] was vervoerd, schoongemaakt. Het hof leidt uit de bewijsmiddelen af dat verdachte moet hebben geweten dat het lichaam van [het slachtoffer] met de auto was vervoerd. Verdachte heeft zonder vragen te stellen of opmerkingen te maken de auto met het bij het schoonmaken van auto's ongebruikelijk middel chloor schoongemaakt. Het is voorts ook hoogst onwaarschijnlijk dat verdachte bij de bespreking vooraf dan wel bij de terugkomst in haar woning na de moord niet zou hebben meegekregen dat het lichaam van [het slachtoffer] met de auto van [mededader 1] zou worden vervoerd of was vervoerd. [mededader 2] verklaart hieromtrent ter zitting van het hof dat hij de avond van de moord tegen verdachte had gezegd dat [het slachtoffer] in de Ford Combo van [mededader 1] was vervoerd. Hij verklaart voorts dat [mededader 1] de dag na de moord vertelde dat zijn auto onder de bloedvlekken zat, waarna verdachte op eigen initiatief de auto met chloor heeft schoongemaakt. Ook [mededader 1] verklaart tegenover de politie dat verdachte uit eigen beweging de auto heeft schoongemaakt. Voorts verklaart hij dat verdachte, nog voordat hij met een beitel het bloed uit de laadvloer van de auto had gehakt, de achterdeuren van de auto had geopend en in de laadruimte had gekeken.

* Ook werden korte tijd na de feiten in de schuur van de woning van verdachte en [mededader 2], terwijl verdachte thuis was, persoonlijke spullen van [het slachtoffer] verbrand op een barbecue. Het hof leidt onder meer uit de verklaringen van [mededader 1] en [mededader 2] af dat verdachte wel degelijk wist om wiens en wat voor soort spullen het ging, en uit de verklaring van [getuige 1], afgelegd ter zitting van het hof, dat verdachte zich zorgen maakte over de (ongewenste) aandacht die de rookontwikkeling, die bij het verbranden van die spullen ontstond, zou kunnen trekken.

De gedragingen van verdachte van na de moord op [het slachtoffer] en het doen verdwijnen van haar lichaam beziet het hof in het kader van haar wetenschap vooraf en haar betrokkenheid bij de bespreking van 25 mei 2004 en de hiervoor besproken handelingen (de kaart van de Biesbosch, het programmeren van de telefoons, haar telefonisch contact met haar broer [mededader 3]). Zij versterken de overtuiging dat verdachte tot de wezenlijk bij die moord en het vervolg daarop betrokkenen moet worden gerekend.

Conclusie

Op grond van het voorgaande acht het hof bewezen dat verdachte, wetende van hetgeen stond te gebeuren, zodanig bewust en nauw met [mededader 1], [mededader 2] en [mededader 3] heeft samengewerkt bij de moord en het wegmaken van het lichaam (dat moet worden gezien als een wezenlijk onderdeel van het slagen van die moord) dat sprake is van medeplegen van de onder 1 en 2 primair tenlastegelegde feiten. Ten aanzien van verdachte is eveneens sprake van voorbedachte raad, nu het hof uit de bewijsmiddelen (met name voorzover die betrekking hebben op haar voorkennis, het tijdsverloop tussen het moment waarop verdachte zich heeft aangesloten bij het plan - door haar bemoeienissen met het wegmaken van het lijk - en op het planmatig te werk gaan vóór en tijdens de feiten) afleidt dat het handelen van de verdachte het gevolg is geweest van een tevoren (in elk geval vóór de moord) door haar genomen besluit en dat de verdachte tussen het nemen van dat besluit en de moord gelegenheid heeft gehad om over de betekenis en de gevolgen van haar bemoeiingen daarmee en in het bijzonder het vervolg daarvan na te denken en zich daarvan rekenschap te geven.

Het hof komt, op grond van het vorenstaande, met toepassing van artikel 424 oud Wetboek van Strafvordering (omdat het vrijsprekend vonnis van de rechtbank Breda is van vóór 1 maart 2007, per welke datum de eenparigheidsregel kwam te vervallen), eenparig, tot een bevestigend antwoord op de hiervoor behandelde bewijsvragen."

3. Beoordeling van het eerste en het tweede middel

3.1. De middelen klagen dat het onder 1 en 2 bewezenverklaarde "medeplegen" niet uit de gebezigde bewijsmiddelen kan volgen. De middelen lenen zich voor gezamenlijke bespreking.

3.2. Anders dan het Hof heeft geoordeeld kan uit de gebezigde bewijsmiddelen niet volgen dat de verdachte, die wat betreft de tenlastegelegde moord en het wegmaken van een lijk geen uitvoeringshandeling heeft verricht en daarbij evenmin aanwezig is geweest, ter uitvoering van een gezamenlijk plan zo nauw en bewust met anderen heeft samengewerkt dat op grond daarvan kan worden aangenomen dat zij die tenlastegelegde feiten tezamen en in vereniging met die anderen geeft gepleegd.

3.3 De middelen zijn terecht voorgesteld.

4. Slotsom

Hetgeen hiervoor is overwogen brengt mee dat de bestreden uitspraak niet in stand kan blijven, het derde middel geen bespreking behoeft en als volgt moet worden beslist.

5. Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de bestreden uitspraak;

verwijst de zaak naar het Gerechtshof te 's-Gravenhage, opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.

Dit arrest is gewezen door de vice-president F.H. Koster als voorzitter, en de raadsheren B.C. Savornin Lohman, H.A.G. Splinter-van Kan, W.F. Groos en M.A. Loth in bijzijn van de griffier S.P. Bakker, en uitgesproken op 9 maart 2010.