Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2010:BJ7243

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
06-07-2010
Datum publicatie
07-07-2010
Zaaknummer
08/00167
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2010:BJ7243
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Vordering BP. Wijzen van een ‘herstelarrest’.Het Hof heeft bij de beslissing tot toewijzing van de vordering van de BP bevolen dat bij gebreke van betaling vervangende hechtenis zal worden toegepast. Een maand later maakt het Hof een ‘herstelarrest’ op inhoudende dat voornoemde deelbeslissing berust op een kennelijke vergissing. HR: Nu de door het Hof in het ‘herstelarrest’ genoemde ‘omissie’ niet een onmiddellijk kenbare fout, verschrijving of verrekening betrof, stond het het Hof niet vrij een ‘herstelarrest’ te wijzen, zodat dat arrest in cassatie buiten beschouwing moet blijven. Het Hof heeft bij de toewijzing van de vordering van de BP ten onrechte bevolen dat bij gebreke van betaling vervangende hechtenis zal worden toegepast, nu de wet niet in die mogelijkheid voorziet.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafvordering
Wetboek van Strafvordering 361
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2010/917
NJ 2012/248 met annotatie van M.J. Borgers
NJB 2010, 1555
NBSTRAF 2010/316
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

6 juli 2010

Strafkamer

nr. 08/00167

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 24 december 2007, nummer 20/001594-07, in de strafzaak tegen:

[Verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1986, wonende te [woonplaats].

1. Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. J.C. Oudijk, advocaat te Venlo, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Knigge heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2. Beoordeling van het eerste en het tweede middel

De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

3. Beoordeling van het derde middel

3.1. Het middel behelst de klacht dat het Hof bij de beslissing tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij ten onrechte heeft bevolen dat bij gebreke van betaling vervangende hechtenis zal worden toegepast.

3.2. De achtste tot en met de dertiende alinea van het dictum van de bestreden uitspraak luiden als volgt:

"Het Hof: (...)

Veroordeelt verdachte om aan de benadeelde partij [benadeelde partij] te betalen een bedrag van EUR 400,00 (zegge: vierhonderd euro), bij niet betalen te vervangen door een vervangende hechtenis van 8 dagen.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij] toe.

Veroordeelt verdachte om tegen bewijs van kwijting aan de benadeelde partij voornoemd, te betalen een bedrag van EUR 400,00 (vierhonderd euro).

Veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op om, ten behoeve van [benadeelde partij], wonende te [a-straat 1] [plaats], aan de Staat een bedrag te betalen van EUR 400,00 (vierhonderd euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 8 (acht) dagen hechtenis.

Bepaalt dat, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen."

3.3. Bij de stukken van het geding bevindt zich een door het Hof op 23 januari 2008 gewezen "herstelarrest", inhoudende:

"Bij gelegenheid van de uitspraak die het gerechtshof heeft gedaan op 24 december 2007, is een kennelijke vergissing begaan.

In de 8e alinea van het dictum is beslist: "Veroordeelt verdachte om aan de benadeelde partij [benadeelde partij] te betalen een bedrag een bedrag van EUR 400,00 (zegge:vierhonderd euro), bij niet betalen te vervangen door een vervangende hechtenis van 8 dagen."

Deze alinea is, gelet op wat onder de betreffende alinea is beslist, abusievelijk in de beslissing opgenomen.

Het hof zal deze omissie herstellen. Het hof is daarbij van oordeel dat door dit herstel verdachte noch het openbaar ministerie noch de benadeelde partij in enig rechtens te beschermen belang zijn geschaad.

Beslissing

Het hof herstelt zijn arrest van 24 december 2007 onder parketnummer 20-001594-07 gewezen, in zoverre dat de hierboven in de overwegingen bedoelde deelbeslissing als niet genomen dient te worden beschouwd."

3.4. Nu de door het Hof in "het herstelarrest" genoemde "omissie" niet een onmiddellijk kenbare fout, verschrijving of verrekening betrof, stond het het Hof niet vrij een "herstelarrest" te wijzen, zodat dat arrest in cassatie buiten beschouwing moet blijven.

3.5. Het Hof heeft in zijn onder 3.2 weergegeven beslissing bij de toewijzing van de vordering van de benadeelde partij ten onrechte bevolen dat bij gebreke van betaling vervangende hechtenis zal worden toegepast. De wet voorziet niet in die mogelijkheid. Het middel slaagt.

4. Slotsom

Nu de Hoge Raad geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, brengt hetgeen hiervoor is overwogen mee dat als volgt moet worden beslist.

5. Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de bestreden uitspraak, doch uitsluitend voor zover het Hof bij de beslissing tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij heeft bevolen dat bij gebreke van betaling vervangende hechtenis zal worden toegepast;

verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de vice-president F.H. Koster als voorzitter, en de raadsheren B.C. de Savornin Lohman, H.A.G. Splinter-van Kan, W.F. Groos en M.A. Loth, in bijzijn van de griffier S.P. Bakker, en uitgesproken op 6 juli 2010.