Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2010:BJ6948

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
09-02-2010
Datum publicatie
10-02-2010
Zaaknummer
08/01362
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2010:BJ6948
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Strafmotivering. Uit het verhandelde ttz. kan niet zonder meer blijken waaraan het Hof heeft ontleend dat "2 kilo hasjiesj (...) qua hoeveelheid vergelijkbaar is met een gemiddelde opbrengst van ongeveer 100 geteelde hennepplanten". Het Hof had de oplegging van de straf in dit opzicht nader moeten motiveren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJ 2010, 107
RvdW 2010, 312
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

9 februari 2010

Strafkamer

Nr. 08/01362

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 26 september 2007, nummer 20/001320-06, in de strafzaak tegen:

[Verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1976, wonende te [woonplaats].

1. Geding in cassatie

1.1. Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. B.C.A. Reijnders, advocaat te Venlo, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Vellinga heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest doch uitsluitend voor wat betreft de strafoplegging, tot terugwijzing van de zaak naar het Hof dan wel verwijzing naar een aangrenzend hof opdat de zaak in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan, en tot verwerping van het beroep voor het overige.

1.2. De raadsman heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.

2. Beoordeling van het eerste middel

Het middel kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

3. Beoordeling van het tweede middel

3.1. Het middel klaagt over de strafmotivering.

3.2. Het Hof heeft ten laste van de verdachte bewezenverklaard dat:

"hij meermalen in de periode van 1 januari 2003 tot en met 28 februari 2003 in de gemeente Venlo tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland, te weten de Bondsrepubliek Duitsland, heeft gebracht een hoeveelheid van een materiaal bevattende hasjiesj, zijnde hasjiesj een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II."

3.3. Het bestreden arrest houdt het volgende in:

"Op te leggen straf

De eerste rechter heeft verdachte veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 5 maanden.

De advocaat-generaal heeft zich achter die strafoplegging geschaard.

De verdediging heeft, ingeval tot een bewezenverklaring zou worden gekomen, een veroordeling tot een werkstraf of een gevangenisstraf van kortere duur bepleit.

De eerste rechter heeft de strafoplegging gebaseerd op twee bewezen verklaarde feiten. Het hof zal verdachte van één van die feiten vrijspreken. Al om die reden zal de door de eerste rechter opgelegde straf gematigd dienen te worden.

Verdachte heeft in kort tijdbestek samen met anderen hoeveelheden hasjiesj uitgevoerd van Nederland naar Duitsland.

Met betrekking tot strafoplegging zijn binnen de zittende magistratuur ten aanzien van een aantal Opiumwetdelicten oriëntatiepunten ontwikkeld, dienende als richtlijn voor een gebruikelijk rechterlijk straftoemetingsbeleid. Deze oriëntatiepunten zien echter niet op uitvoer van zogenaamde softdrugs. Omdat het hier om hasjiesj gaat heeft het hof aansluiting gezocht bij de wel in die oriëntatiepunten opgenomen strafmaat ten aanzien van hennepkwekerijen.

Uit het strafdossier is komen vast te staan dat mede door verdachte in de bewezen verklaarde periode in ieder geval 2 kilo hasjiesj buiten het grondgebied van Nederland is gebracht, wat qua hoeveelheid vergelijkbaar is met een gemiddelde opbrengst van ongeveer 100 geteelde hennepplanten.

De oriëntatiepunten ten aanzien van het telen van 100 hennepplanten geven als uitgangspunt een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 6 weken, waarbij wordt uitgegaan van een verdachte die niet eerder terzake van overtredingen van de Opiumwet werd veroordeeld en niet heeft gehandeld in een georganiseerd verband.

Het eerste aspect is in deze zaak op verdachte van toepassing. Uit het over hem bekend zijnde strafblad volgt niet dat hij eerder ter zake van een Opiumwetdelict door de strafrechter is veroordeeld.

Voor het tweede aspect ligt dit echter anders. Immers zowel uit de bewijsmiddelen als uit het strafdossier voor het overige volgt dat het bewezen verklaarde handelen van verdachte op georganiseerde wijze werd uitgevoerd. Daarnaast heeft te gelden dat het in de oriëntatiepunten bedoelde telen van softdrugs doorgaans slechts een inbreuk op de Nederlandse rechtsorde oplevert, terwijl in de onderhavige zaak ook sprake is van inbreuk op de internationale rechtsorde, omdat er sprake is van uitvoer vanuit Nederland naar Duitsland. De combinatie van het georganiseerd verband waarin de feiten zijn gepleegd en de schending van de internationale rechtsorde brengt ten nadele van verdachte een strafverhoging met zich.

Alle omstandigheden overziende, de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte zoals deze tijdens het onderzoek ter terechtzitting naar voren zijn gekomen daaronder begrepen, overziende is het hof van oordeel dat een gevangenisstraf van 3 maanden passend en geboden is."

3.4. Uit het verhandelde ter terechtzitting kan niet zonder meer blijken waaraan het Hof heeft ontleend dat "2 kilo hasjiesj (...) qua hoeveelheid vergelijkbaar is met een gemiddelde opbrengst van ongeveer 100 geteelde hennepplanten". Het Hof had de oplegging van de straf in dit opzicht daarom nader moeten motiveren.

3.5. Het middel is terecht voorgesteld.

4. Slotsom

Nu de Hoge Raad geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, brengt hetgeen hiervoor is overwogen mee dat als volgt moet worden beslist.

5. Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de bestreden uitspraak maar uitsluitend wat betreft de strafoplegging;

wijst de zaak terug naar het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch, opdat de zaak in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan;

verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de vice-president F.H. Koster als voorzitter, en de raadsheren J.W. Ilsink en M.A. Loth, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.J. Verhoeven, en uitgesproken op 9 februari 2010.