Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2010:BJ3574

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
19-01-2010
Datum publicatie
19-01-2010
Zaaknummer
08/00756
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2010:BJ3574
In cassatie op : ECLI:NL:GHSHE:2007:BB4386, (Gedeeltelijke) vernietiging met terugwijzen
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

OM-cassatie en cassatie verdachte. Grondslagverlating. Onjuiste uitleg van de aan art. 197a Sr ontleende term “wederrechtelijk”. De HR herhaalt relevante overwegingen uit HR LJN BA8499 t.a.v. het begrip ‘wederrechtelijk verblijf’. Ingevolge het ttv. de tenlastegelegde feiten toepasselijke art. 62.1 Vb dient een vreemdeling met een visum inzake kort verblijf onverwijld aan de korpschef der gemeente waar hij verblijft te melden dat hij arbeid gaat verrichten. Ingevolge art. 8.1.a Vw is het hem slechts toegestaan in NL te verblijven, indien en zolang hij het bij en krachtens de Vw bepaalde in acht neemt. Aan de vreemdeling die zich niet aan de desbetreffende voorwaarden houdt, is het verblijf als wederrechtelijk i.d.z.v. art. 197a Sr aan te merken. Anders dan het Hof kennelijk veronderstelt, doet daaraan niet af dat art. 19.1 SUO bepaalt dat vreemdelingen die houder zijn van een eenvormig visum en die daarmee het grondgebied van een overeenkomstsluitende staat op regelmatige wijze zijn binnengekomen, zich op dat grondgebied vrij mogen verplaatsen zolang dat visum niet verlopen is of totdat het visum is ingetrokken. Genoemde overeenkomst ziet immers - naar niet voor redelijke twijfel vatbaar is - op de toelating, maar niet op de voorwaarden waaraan het verblijf van een vreemdeling in een van de bij de overeenkomst aangesloten staten is verbonden, terwijl art. 23 SUO bepaalt dat de vreemdeling die niet of niet meer voldoet aan de in de desbetreffende staat geldende voorwaarden tot kort verblijf, in beginsel het grondgebied van die staat onverwijld moet verlaten. Uit hetgeen hiervoor is overwogen, volgt dat het Hof voor wat betreft de in het middel bedoelde personen is uitgegaan van een verkeerde uitleg van de in de tll. voorkomende term "wederrechtelijk". Het Hof heeft derhalve verdachte in zoverre vrijgesproken van iets anders dan hem was tenlastegelegd.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht
Wetboek van Strafrecht 197a
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NS 2010, 72
NBSTRAF 2010/72
RvdW 2010, 231
NJ 2010, 279 met annotatie van T.M. Schalken
NJB 2010, 290
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

19 januari 2010

Strafkamer

Nr. 08/00756

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 5 september 2007, nummer 20/008127-05, in de strafzaak tegen:

[Verdachte 2], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1946, wonende te [woonplaats].

1. Geding in cassatie

1.1. De beroepen zijn ingesteld door de verdachte en de Advocaat-Generaal bij het Hof. Namens de verdachte heeft mr. J.L.E. Marchal, advocaat te Maastricht, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal bij het Hof heeft bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De raadsman heeft het beroep van de Advocaat-Generaal bij het Hof tegengesproken.

De Advocaat-Generaal Vegter heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest, doch uitsluitend wat betreft de bewezenverklaring onder 3 en de strafoplegging en tot terugwijzing van de zaak naar het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch teneinde in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan, en tot verwerping van het namens de verdachte ingestelde beroep.

1.2. De raadsman heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.

2. Beoordeling van het middel van de Advocaat-Generaal bij het Hof

2.1. Het middel behelst de klacht dat het Hof bij zijn vrijspraak ten aanzien van de onder 3 tenlastegelegde mensensmokkel van [betrokkene 18], [betrokkene 19] en [betrokkene 20] de grondslag van de tenlastelegging heeft verlaten door blijk te geven van een onjuiste uitleg van de in de tenlastelegging gebezigde, aan art. 197a Sr ontleende term "wederrechtelijk".

2.2. Aan de verdachte is onder 3 tenlastegelegd dat:

"hij in of omstreeks de periode van 1 januari 1999 tot en met 6 februari 2001 in de gemeente [plaats A] en/of in de gemeente [plaats B], in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, een (aantal) vrouw(en), te weten [betrokkene 13] en/of [betrokkene 18] en/of [betrokkene 10] en/of [betrokkene 3] en/of [betrokkene 9] en/of [betrokkene 11] en/of [betrokkene 19] en/of [betrokkene 12] en/of [betrokkene 4] en/of [betrokkene 5] en/of [betrokkene 14] en/of [betrokkene 15] en/of [betrokkene 7] en/of [betrokkene 16] en/of [betrokkene 8] en/of [betrokkene 17] en/of [betrokkene 20] en/of [betrokkene 6] uit winstbejag behulpzaam is geweest bij het verblijven in Nederland door tezamen en in vereniging met zijn mededader(s), althans alleen, die vrouw(en) de gelegenheid te geven zich in de sexclub "[A]" te [plaats A] en/of de seksclub "[B]" te [plaats B], in elk geval in Nederland, (tegen betaling) te (doen of laten) prostitueren en/of die vrouw(en), in elk geval een of meer van die vrouw(en) (tegen betaling) onderdak te verschaffen, in elk geval te laten verblijven in de seksclub "[A]" te [plaats A] en/of in de sexclub "[B]" te [plaats B], in elk geval in Nederland, terwijl hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) wist(en) of ernstige redenen had(den) te vermoeden dat dat verblijf in Nederland wederrechtelijk was, zulks terwijl hij, verdachte van het begaan van die/dit feit(en) een beroep of gewoonte heeft gemaakt en/of terwijl die/dit feit(en) werd(en) begaan in vereniging door meerdere personen;

subsidiair

hij in of omstreeks de periode van medio 1999 tot en met 6 februari 2001 in de gemeente [plaats A] en/of in de gemeente [plaats B] en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (een) ander(en), te weten de vrouw(en) [betrokkene 13] en/of [betrokkene 18] en/of [betrokkene 10] en/of [betrokkene 3] en/of [betrokkene 9] en/of [betrokkene 11] en/of [betrokkene 19] en/of [betrokkene 12] en/of [betrokkene 4] en/of [betrokkene 5] en/of [betrokkene 14] en/of [betrokkene 15] en/of [betrokkene 7] en/of [betrokkene 16] en/of [betrokkene 8] en/of [betrokkene 17] en/of [betrokkene 20] en/of [betrokkene 6] die zich wederrechtelijk toegang tot en/of verblijf in Nederland had(den) verschaft, (telkens) krachtens overeenkomst of aanstelling arbeid, te weten het zich (doen of laten) prostitueren als escort en/of in de sexclub "[A]" te [plaats A] en/of de sexclub "[B]" te [plaats B], in elk geval in Nederland, heeft doen verrichten, terwijl hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) wist(en) of ernstige redenen had(den) te vermoeden dat dat verblijf in Nederland wederrechtelijk was, zulks terwijl hij, verdachte van het begaan van die/dit feit(en) een beroep of gewoonte heeft gemaakt."

2.3. Het Hof heeft de gegeven vrijspraak ten aanzien van [betrokkene 18], [betrokkene 19] en [betrokkene 20] als volgt gemotiveerd:

"Deelvrijspraak feit 3

Het hof spreekt vrij van het bestanddeel "dat dat verblijf in Nederland wederrechtelijk was" ten aanzien van de volgende personen: [betrokkene 18], [betrokkene 19] en [betrokkene 20].

De redenen daarvoor zijn als volgt.

[Betrokkene 18] is blijkens haar eigen verklaring een Russin die eind augustus 1999 op een Spaans toeristenvisum naar Nederland gekomen is, en daar tot half oktober 1999 in [A] als prostituee gewerkt heeft. Eind november 1999 is zij op een Frans visum naar Nederland gekomen en heeft daar vanaf begin december 1999 gewerkt in [A] als prostituee. Niet is vastgesteld dat zij gewerkt heeft in de tijd dat het visum verlopen was. [Betrokkene 19] is Oekraïense en heeft volgens haar eigen verklaring een tot anderhalve maand in [B]/[A] als prostituee gewerkt, toen zij op 6 februari 2001 met een niet verlopen toeristenvisum werd aangetroffen.

[Betrokkene 20] heeft volgens haar eigen verklaring de Russische nationaliteit en is op een geldig Frans toeristenvisum naar Nederland gekomen en heeft daar als prostituee in [A] gewerkt. Niet is vastgesteld dat zij gewerkt heeft in de periode dat het visum verlopen was.

De advocaat-generaal heeft betoogd dat arbeid verrichten als prostituee terwijl men op basis van een toeristenvisum in Nederland verbleef in strijd was met art. 8 lid 1 onder a van de Vreemdelingenwet 1994. Dit had volgens de advocaat-generaal als rechtsgevolg dat de betreffende vreemdeling van rechtswege wederrechtelijk verbleef in Nederland. Op grond van deze redenering moet het hierboven genoemde bestanddeel bewezen verklaard worden.

De raadsman van verdachte heeft aangegeven dat pas in de Vreemdelingenwet 2000 die op 1 april 2001 in werking trad, arbeid verrichten terwijl men op basis van een toeristenvisum in Nederland verbleef, in strijd is met de Vreemdelingenwet. In die wet is dat immers pas expliciet bepaald in art. 12 lid 1 aanhef en sub c. Deze expliciete bepaling is juist opgenomen gezien de leemte die volgens hem in de oude Vreemdelingenwet zat. Omdat de genoemde personen niet in strijd met de Vreemdelingenwet 1994 gehandeld hebben, waren zij niet wederrechtelijk in Nederland.

Het hof oordeelt hierover als volgt.

De eerste vraag die het hof moet beantwoorden is of arbeid verrichten terwijl men op grond van een toeristenvisum in Nederland verbleef in strijd was met de Vreemdelingenwet 1994. Het hof beantwoordt die vraag bevestigend. Een toeristenvisum bevat immers de krachtens die wet bepaalde (art. 8 lid 1 onder a) toestemming tot een verblijf in Nederland onder voorwaarden namelijk dat men alleen in Nederland mocht verblijven voor toeristische doeleinden. Met die voorwaarden is niet te verenigen het verrichten van arbeid als prostituee. De expliciete bepaling in de Vreemdelingenwet 2000 maakt dit a contrario redenerend niet anders, omdat naar het oordeel van het hof die bepaling niet opgenomen is omdat de wet op dit punt voor visumplichtige personen (kort gezegd: personen buiten Schengen) een leemte bevatte.

Vervolgens moet het hof de vraag beantwoorden wat het rechtsgevolg is van deze schending van de Vreemdelingenwet 1994.

Ter beantwoording van die vraag is van belang dat alle genoemde personen na 1 mei 1999 op een geldig Schengenvisum Nederland binnengekomen zijn. Sinds die datum is het zogenaamde Schengen acquis in het EU verdrag opgenomen, zodat de artikelen van de Schengen Uitvoerings Overeenkomst (hierna: SUO) als gemeenschapsrecht hebben te gelden. Art. 19 lid 1 SUO gaat ervan uit dat vreemdelingen die houder zijn van een eenvormig visum en die daarmee het grondgebied op regelmatige wijze zijn binnengetreden zich op dat grondgebied vrij mogen verplaatsen, zolang dat visum niet verlopen is, en zolang zij aan de voorwaarden voldoen van art. 5 lid 1 onder a, b, d en e SUO. Volgens het systeem van de uitvoeringsregeling van de SUO moet bij schending van die voorwaarden een visum worden ingetrokken of geannuleerd. In het besluit van het Uitvoerend Comité van 14 december 1993 (Trb. 1994, 39, p. 68-70) staat dat intrekking een maatregel zonder terugwerkende kracht is, waarmee na binnenkomst van de vreemdeling op het grondgebied de resterende geldigheidsduur van het eenvormig visum kan worden geannuleerd. Intrekking geschiedt, aldus dit besluit, door toepassing van art. 23 SUO, wanneer bij controle blijkt dat de houder van een regelmatig afgegeven visum niet of niet meer voldoet aan de in art. 5 lid 1 onder c, d en e SUO genoemde voorwaarden. Naar het oordeel van het hof gaat het gemeenschapsrecht er derhalve van uit dat de houder van een Schengenvisum rechtmatig verblijf heeft en behoudt totdat de geldigheidsduur van dat visum is verstreken of totdat het visum is ingetrokken.

Dit betekent dat het hof de stelling van de advocaat-generaal, dat het verrichten van arbeid in strijd met de Vreemdelingenwet 1994 ook voor visumplichtige personen van rechtswege tot gevolg heeft dat het verblijf niet langer is toegestaan, voor de periode na 1 mei 1999 niet onderschrijft, omdat het gemeenschapsrecht de bovengenoemde systematiek met het bovengenoemde rechtsgevolg hanteert."

2.4. Voor de beoordeling van het middel zijn de volgende wettelijke bepalingen van belang.

- Art. 197a (oud), eerste lid, Sr:

"Hij die een ander uit winstbejag behulpzaam is bij het zich verschaffen van toegang tot of verblijven in Nederland of enige staat welke gehouden is mede ten behoeve van Nederland grenscontrole uit te oefenen, of hem daartoe uit winstbejag gelegenheid, middelen of inlichtingen verschaft terwijl hij weet of ernstige redenen heeft te vermoeden dat de toegang of dat verblijf wederrechtelijk is, wordt gestraft met een gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren of geldboete van de vijfde categorie."

- Art. 19, eerste lid, van de Schengen Uitvoeringsovereenkomst (Trb. 1990, 145, hierna: SUO):

"Vreemdelingen die houder zijn van een eenvormig visum en die het grondgebied van één der Overeenkomstsluitende Partijen op regelmatige wijze zijn binnengekomen, mogen zich, zolang het visum geldig is en voor zover zij aan de in artikel 5, lid 1, onder a., c., d. en e., bedoelde voorwaarden voor binnenkomst voldoen, op het grondgebied van alle Overeenkomstsluitende Partijen vrij verplaatsen."

- Art. 23, eerste lid, SUO:

"De vreemdeling die niet of niet meer voldoet aan de op het grondgebied van één der Overeenkomstsluitende Partijen geldende voorwaarden inzake kort verblijf, dient in beginsel het grondgebied van de Overeenkomstsluitende Partijen onverwijld te verlaten."

- Art. 1b, aanhef en onder 4, Vreemdelingenwet (hierna: Vw):

"Vreemdelingen genieten in Nederland slechts rechtmatig verblijf:

(...)

4. binnen de termijn bedoeld in artikel 8, eerste lid, mits voldaan is aan de daar omschreven voorwaarden."

- Art. 8, eerste lid, aanhef en onder a, Vw:

"Het is aan vreemdelingen die bij hun binnenkomst hebben voldaan aan verplichtingen waaraan personen bij grensoverschrijding zijn onderworpen, gedurende een bij algemene maatregel van bestuur te bepalen termijn toegestaan in Nederland te verblijven, indien en zolang zij:

a. het bij en krachtens deze wet bepaalde in acht nemen."

- Art. 62 Vreemdelingenbesluit (hierna: Vb):

"1. Vreemdelingen aan wie het krachtens artikel 8 van de Wet is toegestaan in Nederland te verblijven en die arbeid gaan zoeken of arbeid gaan verrichten, zijn verplicht daarvan onverwijld mededeling te doen aan de korpschef der gemeente waar zij verblijven.

2. Het bepaalde in het voorgaande lid is niet van toepassing op vreemdelingen die:

(...)

b. kunnen aantonen dat zij naar Nederland zijn gekomen voor het verrichten van arbeid gedurende een tijdvak van ten hoogste drie maanden te rekenen van het tijdstip van hun binnenkomst."

2.5. De memorie van toelichting bij het wetsvoorstel dat heeft geleid tot de wet van 24 februari 1993 (Stb. 141), waarbij art. 197a is toegevoegd aan het Wetboek van Strafrecht, houdt onder meer het volgende in:

"De voorgestelde delictsomschrijving bevat een objectief bestanddeel waarin de wederrechtelijkheid van de toegangsverschaffing of het verblijf tot uitdrukking is gebracht. De daartoe gebruikte term <wederrechtelijk> beoogt hier, zoals elders in het Wetboek van Strafrecht waar de wederrechtelijkheid in de strafbaarstelling zelf is verwoord, voor de aansprakelijkheid de eis te stellen dat de handeling waarop het bijwoord betrekking heeft is verricht zonder enig subjectief recht of enige bevoegdheid (zie: T.J. Noyon, G.E. Langemeijer, Het Wetboek van Strafrecht, bewerkt door J. Remmelink, 5 delen, 1e deel, inleiding, supplement 28, p. 19). De hulp moet dus verleend zijn ten opzichte van iemand die tot het verblijf of de toegang in onderscheidenlijk tot Nederland of het Schengen-rechtsgebied aan geen rechtsregel - van nationale of internationale herkomst - enige titel kan ontlenen."

(Kamerstukken II 1991-1992, 22 142, nr. 3, p. 11-12)

2.6. De nota van toelichting bij het Vreemdelingenbesluit houdt in:

"Opgemerkt zij nog dat ingevolge het ontworpen artikel 62 vreemdelingen die binnen de termijn van het hun krachtens artikel 8 van de Wet toegestane verblijf arbeid gaan zoeken of arbeid gaan verrichten, in het algemeen verplicht zijn daarvan onverwijld mededeling te doen aan het hoofd van de plaatselijke politie (zie de toelichting bij dat artikel). Komen zij deze verplichtingen niet na, dan heeft zulks tot gevolg dat de hun krachtens artikel 8 van de Wet toegestane termijn van verblijf op grond van het bepaalde in het eerste lid, aanhef en onder a, van dat artikel aanstonds eindigt."

(NvT tot uitvoering van de Vreemdelingenwet, Stb. 1966, 387, p. 920)

2.7. De tenlastelegging is toegesneden op art. 197a Sr. Het begrip "wederrechtelijk verblijf" is kennelijk gebezigd in de betekenis die daaraan toekomt in genoemde bepaling. Blijkens de geschiedenis van de totstandkoming van art. 197a Sr wordt met wederrechtelijk verblijf bedoeld het verblijf dat niet berust op een aan enige rechtsregel te ontlenen titel. In welke gevallen een vreemdeling het recht heeft om in Nederland te verblijven, wordt bepaald in de Vreemdelingenwet (vgl. HR 15 januari 2008, LJN BA8499, NJ 2008, 62).

2.8. Ingevolge het ten tijde van de tenlastegelegde feiten toepasselijke art. 62, eerste lid, Vb dient een vreemdeling met een visum inzake kort verblijf onverwijld aan de korpschef der gemeente waar hij verblijft te melden dat hij arbeid gaat verrichten. Ingevolge art. 8, eerste lid aanhef en onder a, Vw is het hem slechts toegestaan in Nederland te verblijven, indien en zolang hij het bij en krachtens de Vreemdelingenwet bepaalde in acht neemt. Aan de vreemdeling die zich niet aan de desbetreffende voorwaarden houdt, is het verblijf ingevolge art. 8, eerste lid aanhef en onder a, Vw niet toegestaan. Dit verblijf is dan derhalve als wederrechtelijk in de zin van art. 197a Sr te beschouwen.

2.9. Anders dan het Hof kennelijk veronderstelt, doet daaraan niet af dat art. 19, eerste lid, SUO bepaalt dat vreemdelingen die houder zijn van een eenvormig visum en die daarmee het grondgebied van een overeenkomstsluitende staat op regelmatige wijze zijn binnengekomen, zich op dat grondgebied vrij mogen verplaatsen zolang dat visum niet verlopen is of totdat het visum is ingetrokken. Genoemde overeenkomst ziet immers - naar niet voor redelijke twijfel vatbaar is - op de toelating, maar niet op de voorwaarden waaraan het verblijf van een vreemdeling in een van de bij de overeenkomst aangesloten staten is verbonden, terwijl art. 23 SUO bepaalt dat de vreemdeling die niet of niet meer voldoet aan de in de desbetreffende staat geldende voorwaarden tot kort verblijf, in beginsel het grondgebied van die staat onverwijld moet verlaten.

2.10. Uit hetgeen hiervoor is overwogen, volgt dat het Hof voor wat betreft de in het middel bedoelde personen is uitgegaan van een verkeerde uitleg van de in de tenlastelegging voorkomende term "wederrechtelijk". Het Hof heeft derhalve de verdachte in zoverre vrijgesproken van iets anders dan hem onder 3 was tenlastegelegd. Het middel klaagt terecht dat het Hof aldus de grondslag van de tenlastelegging heeft verlaten.

3. Beoordeling van het eerste en het tweede namens de verdachte voorgestelde middel

De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4. Slotsom

Nu de Hoge Raad geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, brengt hetgeen hiervoor is overwogen mee dat de overige namens de verdachte voorgestelde middelen geen bespreking behoeven en als volgt moet worden beslist.

5. Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de bestreden uitspraak maar uitsluitend wat betreft de beslissingen ter zake van het onder 3 tenlastegelegde en de strafoplegging;

wijst de zaak terug naar het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch, opdat de zaak in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan;

verwerpt het beroep van de verdachte voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de vice-president F.H. Koster als voorzitter, en de raadsheren J. de Hullu, W.M.E. Thomassen, W.F. Groos en M.A. Loth, in bijzijn van de griffier S.P. Bakker, en uitgesproken op 19 januari 2010.