Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2010:BI9790

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
22-01-2010
Datum publicatie
22-01-2010
Zaaknummer
09/00654
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2010:BI9790
In cassatie op : ECLI:NL:GHSHE:2009:BH7874, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Inkomstenbelasting. Art. 3.92 Wet IB 2001. Aanvang terbeschikkingstellingsregeling in geval een vermogensbestanddeel wordt aangeschaft met de gezamenlijke bedoeling om dat in gebruik te geven aan een gelieerde vennootschap.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2010, 247 met annotatie van Ganzeveld
FutD 2010-0183 met annotatie van Fiscaal up to Date
BNB 2010/192 met annotatie van E.J.W. Heithuis
FED 2010/37
V-N 2010/6.20

Uitspraak

Nr. 09/00654

22 januari 2010

Arrest

gewezen op het beroep in cassatie van de Staatssecretaris van Financiën tegen de uitspraak van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 9 januari 2009, nr. 08/00284, betreffende een aan X te Z (hierna: belanghebbende) opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen.

1. Het geding in feitelijke instanties

Aan belanghebbende is voor het jaar 2003 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd.

De Rechtbank te Breda (nr. AWB 06/5364) heeft het tegen die uitspraak ingestelde beroep gegrond verklaard, de uitspraak van de Inspecteur vernietigd en de aanslag verminderd.

De Inspecteur heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof.

Het Hof heeft de uitspraak van de Rechtbank bevestigd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Geding in cassatie

De Staatssecretaris heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend.

De Advocaat-Generaal R.E.C.M. Niessen heeft op 4 juni 2009 geconcludeerd tot gegrondverklaring van het beroep in cassatie.

3. Beoordeling van het middel

3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

3.1.1. Belanghebbende is samen met zijn echtgenote middellijk enig aandeelhouder van A B.V. (hierna: de BV). De BV drijft samen met B een optiek te Z in de vorm van een vennootschap onder firma (hierna: de vof). De optiek werd tot juni 2003 gedreven in een pand aan b-straat 1 te Z. Op 1 juni 2003 is de optiek verhuisd naar het pand a-straat 1-1a te Z (hierna: het pand, of: het verbouwde pand).

3.1.2. Het pand is speciaal en uitsluitend ten behoeve van de hervestiging van de optiek aangekocht. Belanghebbende heeft, samen met zijn echtgenote, de eigendom van het pand in 2002 verkregen. Ter financiering van de aankoop en de verbouwing van het pand hebben belanghebbende en zijn echtgenote een hypothecaire geldlening afgesloten. Het pand is vervolgens voor gezamenlijke rekening van belanghebbende en zijn echtgenote aangepast en verbouwd teneinde het geschikt te maken voor verhuur aan de vof. De kosten van de inrichting van het pand zijn voor rekening van de vof gekomen.

3.1.3. B is de vennoot die de dagelijkse leiding en de feitelijke exploitatie van de optiek uitoefent. Vanaf de aankoop is hij betrokken geweest bij de verbouwing van het pand en de keuzes die in verband hiermee, met het oog op de optiek, gemaakt moesten worden. Hij is hier tevens medeverantwoordelijk voor geweest. In verband hiermee heeft B onder meer de bouwvergaderingen bijgewoond.

3.1.4. Het huurcontract tussen belanghebbende en zijn echtgenote enerzijds en de vof als huurder anderzijds is getekend op 25 mei 2003 en heeft als ingangsdatum 1 juni 2003.

3.1.5. Behalve het pand heeft belanghebbende de hierna vermelde onroerende zaken aangekocht (hierna: de overige onroerende zaken).

3.1.6. De onroerende zaak b-straat te Z is op 22 december 2000 aangekocht. De zaak is geleverd op 24 augustus 2001 en per 1 augustus 2001 aan de BV verhuurd. Het huurcontract is ondertekend op 8 augustus 2001.

3.1.7. De onroerende zaak c-straat te Q is op 17 juni 2003 aangekocht. De zaak is geleverd op 4 juli 2003 en per 1 juli 2003 verhuurd aan C B.V. Het huurcontract is ondertekend op 25 juni 2003. Belanghebbende en zijn echtgenote houden middellijk alle aandelen in deze besloten vennootschap.

3.1.8. De onroerende zaak d-straat te R is op 19 november 2003 aangekocht. De zaak is geleverd op 25 november 2003. Het huurcontract met D B.V. is ondertekend op 27 november 2003 en heeft als ingangsdatum 1 december 2003. Belanghebbende en zijn echtgenote houden middellijk alle aandelen in deze besloten vennootschap.

3.2. Voor het Hof was in geschil (i) of het verbouwde pand gedurende het gehele onderhavige jaar door belanghebbende aan de vof ter beschikking is gesteld in de zin van artikel 3.92, lid 1, letter b, Wet IB 2001, en (ii) of de overige onroerende zaken voor de aankoopprijs (inclusief kosten koper) moeten worden geactiveerd op de werkzaamheidsbalans. Het Hof heeft beide vragen bevestigend beantwoord.

Het middel keert zich tegen 's Hofs oordelen met een aantal rechtsklachten.

3.3. Het middel voert onder meer aan dat de terbeschikkingstellingsregeling gelet op de tekst van artikel 3.92 Wet IB 2001 pas van toepassing is wanneer een vermogensbestanddeel rendabel wordt gemaakt, dat wil zeggen feitelijk ter beschikking is gesteld, dat de terbeschikkingstellingsregeling een fictie vormt en dat volledig objectief (derhalve onafhankelijk van de wil van de belastingplichtige) moet worden vastgesteld of de terbeschikkingstellingsregeling van toepassing is, en dat de toepassing van het winstregime slechts een gevolg is van de constatering dat sprake is van een werkzaamheid. Het Hof heeft derhalve - aldus het middel - een onjuiste toepassing gegeven aan artikel 3.92, lid 1, Wet IB 2001.

3.4. Bij de beoordeling van het middel dient het volgende te worden vooropgesteld.

In zijn arrest van heden in de zaak met nummer 08/00327 heeft de Hoge Raad geoordeeld dat in gevallen waarin een onroerende zaak wordt aangeschaft met de gezamenlijke bedoeling van de belastingplichtige en een met hem gelieerde vennootschap om die zaak in gebruik te geven aan die vennootschap en de zaak voor dat gebruik gereed wordt gemaakt, van terbeschikkingstelling in de zin van artikel 3.92, lid 1, Wet IB 2001 sprake is op het moment waarop deze onroerende zaak is aangeschaft. Indien die gezamenlijke bedoeling niet in een overeenkomst is neergelegd, kan niettemin sprake zijn van terbeschikkingstelling, mits in dat geval de aanschaf en het gereedmaken zijn geschied onder zodanige omstandigheden dat, indien de (toekomstige) gebruiker ervan een niet-gelieerde persoon zou zijn geweest, met deze omtrent die aanschaf en het gereedmaken voorafgaand afstemming zou hebben plaatsgevonden. Voorts kan bij de aanschaf van een onroerende zaak van terbeschikkingstelling slechts sprake zijn indien van het moment van de aanschaf af geen andere aanwending van de onroerende zaak plaatsvindt.

3.5. Voor zover het middel zich richt tegen 's Hofs oordeel met betrekking tot het verbouwde pand faalt het. 's Hofs uitspraak en de stukken van het geding laten geen andere conclusie toe dan dat het in 3.4 vermelde in dit geval van toepassing is.

3.6. Met betrekking tot de overige onroerende zaken berust het middel op de opvatting dat in gevallen waarin een onroerende zaak wordt aangeschaft met de bedoeling die zaak in gebruik te geven aan een gelieerde vennootschap de terbeschikkingstelling niet eerder aanvangt dan bij de aanvang van de feitelijke terbeschikkingstelling, zodat de onroerende zaak op dat moment op de werkzaamheidsbalans dient te worden opgenomen voor de waarde in het economische verkeer.

Gelet op het hiervoor in 3.4 overwogene is die opvatting onjuist. Voor dat geval is niet in geschil dat de overige onroerende zaken op de werkzaamheidsbalans dienen te worden opgenomen voor de kostprijs inclusief de aanschaffingskosten. Het middel faalt ook in zoverre.

4. Proceskosten

De Staatssecretaris van Financiën zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie.

5. Beslissing

De Hoge Raad:

verklaart het beroep in cassatie ongegrond, en

veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van het geding in cassatie aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 966 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Dit arrest is gewezen door de vice-president D.G. van Vliet als voorzitter, en de raadsheren P. Lourens, C.B. Bavinck, A.R. Leemreis en P.M.F. van Loon, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 22 januari 2010.

Van de Staat wordt ter zake van het door de Staatssecretaris van Financiën ingestelde beroep in cassatie een griffierecht geheven van € 447.