Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2010:BI9784

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
22-01-2010
Datum publicatie
22-01-2010
Zaaknummer
08/04314
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2010:BI9784
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Conclusie PG:

Belanghebbende is eigenaar van een monumentenpand. Een gedeelte van het pand verhuurt hij vanaf 8 december 2001 aan zijn eigen bv. Vanaf deze datum is voor belanghebbende sprake van een resultaat uit een werkzaamheid; vóór die datum viel het pand in box 3. In geschil is of op de voet van art. 3.10 Wet IB 2001 in 2001 een aanloopverlies, gedurende de periode dat het pand werd gerenoveerd, in aanmerking mag worden genomen. Volgens het Hof, evenals Rechtbank Breda, is dat niet het geval. Uit de wetsgeschiedenis volgt namelijk dat art. 3.10 Wet IB 2001 is bedoeld voor het alsnog in aanmerking nemen van kosten en lasten in box 1 die eerder niet in mindering konden worden gebracht op het belastbaar inkomen uit werk en woning omdat onduidelijk was of sprake was van een bron van inkomen. In de onderhavige situatie vormde het pand van meet af aan een bron van inkomen zodat geen aanloopverlies in aanmerking kan worden genomen.

Conclusie:

A-G Niessen meent dat de regeling van art. 3.10 naar haar bedoeling alleen toepassing kan vinden in gevallen waarin sprake is van een 'groeiproces' en waarbij de bron voordat zij daadwerkelijk tot stand komt, wel in statu nascendi aanwezig is. Uit de parlementaire geschiedenis blijkt dat de wetgever niet uitdrukkelijk stil heeft gestaan bij de vraag wat art. 3.10 betekent in relatie tot de terbeschikkingstellingsregeling. Het is volgens de A-G aan de rechter om te beslissen in welke gevallen het voorschrift van art. 3.10 in relatie tot de deelbron 'terbeschikkingstelling van vermogensbestanddelen' toepassing kan vinden. Zijns inziens zal daarbij voorop moeten staan, enerzijds dat art. 3.91 en 3.92 naar hun aard geen substantiële inbreng van arbeid kennen, en anderzijds dat art. 3.10 niet in het algemeen geldt voor de aanloopfase van énige bron doch voor die van ondernemingen en daarmee voor de toepassing van deze bepaling gelijk gestelde bronnen, te weten 'overige werkzaamheden'. Dit betekent dat moet worden onderzocht in welke gevallen sprake is van negatieve resultaten die vooraf gaan aan de totstandkoming van de terbeschikkingstelling van een vermogensbestanddeel en die verband houden met de start van die bron. Wanneer het gaat om terbeschikkingstelling in de zin van art. 3.91 en 3.92, kan bijvoorbeeld worden gedacht aan gevallen waarin een pand wordt gebouwd met de bedoeling om het ter beschikking te gaan stellen. In de fase dat het oogmerk bestaat om een pand voort te brengen dat na totstandkoming geschikt is om ter beschikking te worden gesteld, houden de daarmee gepaard gaande kosten, voor zover zij niet geactiveerd moeten worden, verband met het starten van een terbeschikkingstelling in de zin van art. 3.10 en de daarop gebaseerde uitvoeringsregeling. Ook kan gedacht worden aan de situatie waarin een bestaand pand wordt geprepareerd met het oog op het afstaan van het gebruik of genot in de zin der Wet, of die waarin de afspraak om ter beschikking te gaan stellen nog niet perfect is geworden, omdat partijen nog in onderhandeling zijn omtrent de exacte voorwaarden ervan en er nog geen rechtens afdwingbare afspraak tot stand is gekomen. In de onderhavige zaak heeft zich een omstandigheid als hiervoor bedoeld voorgedaan, nu belanghebbende onweersproken heeft gesteld dat de renovatie van het pand is geschied met de bedoeling om het te verhuren aan een bv, waarvan belanghebbende 50% van de aandelen bezit. Uit het voorgaande volgt dat het beroep in cassatie slaagt. 's Hofs uitspraak kan niet in stand blijven.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Uitspraak wordt niet gepubliceerd.